Dark Mode Icon

Autonomie

Goed kiezen uit vrijheden

Door Jelmer de Boer

Koop boek →

Boek al gekocht? Log in om te lezen

Geen zin in een uitlegverhaal? Begin hier met lezen.

In een wereld waarin steeds maar weer nieuwe vrijheden, mogelijkheden en opties worden gezocht, vergeten we vaak hoe we zelf kunnen kiezen uit al die opties. Vaak leidt een blinde zoektocht naar nog meer vrijheid tot individualisme en egoïsme. Schijt aan de wereld hebben is voor niemand goed.

Autonomie is de manier waarop je zelf kiest uit alle vrijheden die je hebt gecreëerd of gekregen. Het is stellen van beperkingen, maar wel je eigen beperkingen. En als je weet wat, hoe, wanneer en waarom je kiest, kun je juist bijdragen in plaats van een egoïst zijn.

Hoofdstuk 1

Algemene voorwaarden

Etymologie

Dit boek gaat over autonomie en wat het betekent. Daarvoor kunnen we ook gewoon in het woordenboek kijken zodat er misschien geen heel boek over autonomie geschreven hoeft te worden. Het antwoord in Van Dalea href="https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/autonomie#.X4BPaZMzZTZ">vandale.nl is gelukkig weinig bevredigend. Daar vinden we achter het woord autonomie de betekenissen zelfbestuur en zelfstandigheid. Het is wel heel summier om slechts twee andere woorden als definitie van een woord te geven. Ook onduidelijk trouwens. Dus laten we maar naar de etymologie van het woord autonomie kijken. Autonomie bestaat uit de twee Griekse woorden auto en nomos. Het eerste betekent zelf en het tweede betekent regel of wet. Autonomie betekent dus zoiets als eigen wet maar het wordt er niet makkelijker op als het bestaat uit twee woorden die los ook nauwelijks een vaste definitie kennen. Sommigen vertalen autonomie als zelfbeschikking.

In modern taalgebruik wordt het woord autonomie vaak afwisselend met vrijheid gebruikt. Soms wordt vrijheid ook vaak als uitleg gebruikt om duidelijk te maken wat autonomie betekent: het is dan de vrijheid van externe controle of invloed, onafhankelijkheid. Maar als autonomie wetten zijn die je jezelf oplegt, dan kan dat toch helemaal geen vrijheid zijn? Wetten zijn beperkingen. Vrijheid is optionaliteit en neigt juist naar het tegenovergestelde van autonomie: hoe meer vrijheid, hoe meer er mogelijk is. En hoe meer autonomie, hoe meer je zelf bepaalt, maar hoe minder er mogelijk is. Je bepaalt zelf door je eigen grenzen te markeren. Vrijheid is dan het aantal mogelijkheden en autonomie het zelf kiezen uit die mogelijkheden.

In zijn boek Drive vertelt Daniel H. Pink over de drie factoren die volgens hem bijdragen aan motivatie. Hij heeft die factoren van de onderzoekers Ryan en Deci, die we later in dit boek nog tegen gaan komen en het zijn meesterschap, zingeving en autonomieDaniel Pink — Drive. Als mensen autonoom kunnen zijn, zullen ze gemotiveerder zijn om hun werk te doen, maar tegelijkertijd willen ze ook ergens goed in worden én bijdragen aan een hoger doel.

Van die factoren hebben er twee te maken hebben met separatiePaul Verheaghe — Identiteit. Autonomie en meesterschap gaan over wat het individu wil doen. Tegelijkertijd hebben drie van de drie ook te maken met binding met de groep: door autonoom te kunnen handelen en ergens beter in te worden (meesterschap), kan een individu beter bijdragen aan het hogere doel (als ouder van een kind bijvoorbeeld). Dit kan een moeilijk te begrijpen wisselwerking tussen autonomie en binding zijn: juist door autonomie belangrijk te maken, is er meer binding.

Het samenspel tussen autonomie en bindingDit wordt zeer uitvoerig uitgelegd in het boek Identiteit van Paul Verheaghe is een rode draad in dit boek. Het gaat weliswaar over de betekenis van autonomie en de problemen die onbegrip van dit begrip veroorzaakt, maar zonder binding is er geen autonomie. Zonder groep waartoe je als individu behoort, kun je niet je eigen wetten maken. Zonder iets waartegen je kunt afzetten kun je je niet afzetten. Maar het betekent ook weer niet dat het elkaars tegenpolen zijn. Misschien zou ik hier zelfs 'integendeel' moeten schrijven. Maar daar hoop ik dus achter te komen.

Waar ik al wel achter ben, is dat er een gebrek aan autonomie is? Dat komt volgens mij omdat vrijheid en autonomie met elkaar worden verward en door elkaar worden gebruikt. Vrijheid is ook belangrijk, maar een continu blind streven naar vrijheid geeft alleen maar meer opties. En we weten inmiddels dat je niet onbeperkt nieuwe opties kunt toevoegen, laat staan een verstandige keuze kunt maken uit een overvloed aan opties. Op een gegeven moment zie je door de bomen het bos niet meerDit wordt zeer uitvoerig uitgelegd in het boek Identiteit van Paul Verheaghe. Vrijheid op zichzelf is niet iets om na te streven. Zeker niet als het wordt verkocht als ultieme vrijheid. Want wat is dat? Wanneer is iets ultiem? Wanneer ben je helemaal vrij? Als je geen verantwoordelijkheden meer hebt en wanneer je niet meer tot een groep behoort. Wil je een God worden? Wil je álle keuzes van de wereld hebben op álle gebieden? Veel plezier met kiezen dan. Volgens mij zorgt dat alleen maar voor individualisme en egoïsme.

Maar hoe kan autonomie dan een oplossing zijn? Draagt autonomie dan niet bij aan individualisme? Als je je eigen regels verzint, dan heb je toch schijt aan de rest? Is dat niet gewoon The subtle art of not giving a f*ck? Nee. Om precies dezelfde reden die de Annie M.G. Schmidt van de filosofie, Mark MansonDank aan Guy Droog voor deze typering., geeft in zijn boek: het gaat erom dat je erachter komt wie je bent en waar je om geeft, zodat je niet meer blind op zoek gaat naar vrijheid. Je geeft f*cks dus spaarzaamDit is, misschien, de enige en laatste keer dat ik dat woord ga gebruiken omdat ik denk dat dit pakkende woord juist bijdraagt aan individualisme. Mark Manson verkoopt zo goed omdat individualisten aanslaan op dit woord ('Ja! Ik geef ook geen fuck!') terwijl dat helemaal niet het punt is van zijn boek. Het is te hopen dat ze na het lezen van zijn boek begrijpen wat er mis is met hun strategie.. Autonomie is het maken van regels, wetten en heuristieken op basis van je waarden en dan juist samenleven met naasten, groepen en de rest van de wereld waar jij om geeft en vice versa. Autonomie is op zoek gaan naar het goede in het levenNiet per se direct specifiek zomervakanties in Frankrijk en veel pinot noir uit de Bourgogne, maar wat abstractere deugden). Het is niet de beste versie van jezelf maar hoe word ik een goed mens?

De tijd van zelfverheerlijking is voorbij. Het gaat er niet om hoe de wereld zich moet schikken zodat ieder individu kan excelleren. Het gaat erom hoe jij je kunt schikken om bij te dragen aan een goede wereld. Daar kan autonomie bij helpen. Ik wil graag starten met het volgende onderscheid:

  • Vrijheid = de opties waaruit je kunt kiezen
  • Individualisme = jezelf kiezen
  • Autonomie = zelf kiezen

Het doel van dit boek

Het gaat me niet om de waarheid van de details, maar om de hoofdlijnen van de ideeën.

Bas Haring

Ik heb geen publiek; ik heb normen.

Don DeLillo

Autonomie (en individualisme en vrijheid) zijn geen natuurlijk aanwezige 'dingen'. Dat is onhandig omdat ik dan niet allemaal eigenschappen kan benoemen. Dat maakt het schrijven van een boek ook extra lastig. Het is nou eenmaal moeilijk om iets concreet te maken wat abstract is. Maar ik kan wel proberen verschillende contexten te beschrijven zodat de lieve lezer de invuloefening zelf maar doet. Dit boek heeft daarom ook als doel verschillende betekenissen en verschijningsvormen van autonomie te laten zien en daarmee nieuwe of andere inzichten te kunnen geven op verwachte en onverwachte momenten. Ik denk ook niets toe te voegen aan een filosofisch debat, en het is ook zeker niet de bedoeling om gelijk te hebben, maar juist om ideeën voor te stellen, toe te lichten, uit te leggen en uit te werken. Het boek bevat geen voorschriften die je als zodanig moet lezen en opvolgen, maar ideeën die je kunt toelaten en onderbewust vruchtbaar gedrag laten veroorzakenDeze missie heb ik dan weer gekopieerd uit het boek The Age of Absurdity van Michael Foley.. Autonomie is niet het belangrijkste idee op deze wereld (ook niet als je het woord idee met het lidwoord de schrijft), maar wat mij betreft verdient het wat meer aandacht.

Meer aandacht voor (de wisselwerking tussen vrijheid en) autonomie zorgt ook voor meer begrip voor het belang van plichtsbesef. Juist door (zelf) te kiezen (voor iets), weet je waar je voor staat en wat je belangrijk vindt. En andersom ook. Zo ontstaan waarden(hiërarchieën), integriteit en authenticiteitMark Manson, The Subtle Art of Not Giving a Fuck: A Counterintuitive Approach to Living a Good Life. Het maakt het nemen van nieuwe beslissingen en het maken van nieuwe keuzes gemakkelijker. Sterker nog: je kunt er zelfs Fear Of Missing OutDe afkorting FOMO is bekender en staat bekend als de term voor het herkenbare ongemakkelijke gevoel wanneer je op de hoogte bent van een activiteit of evenement of samenzijn waar bekenden zijn maar jij niet. mee bestrijden. Als je al weet wat belangrijk is, waarom zou je dan stress krijgen over de drang naar meer en andere dingen? Zelf kiezen zorgt ervoor dat je kunt kiezen hoe je betekenis vanuit ervaringen opbouwtDavid Foster Wallace, This Is Water: Some Thoughts, Delivered on a Significant Occasion, About Living a Compassionate Life. Als je zelf kiest, vermindert je drang naar een groot publiek dat je waardering en erkenning geeft. Maar het is wel moeilijk, heb ik ontdekt en ondervonden.

Vrijheid

Vrijheid is een nobel streven van zo'n beetje iedereen op deze planeet. Ik ben niet van plan het af te fakkelen, maar ik had wel beloofd het onderscheid tussen autonomie en vrijheid te onderzoeken. Waarom is vrijheid heel wat anders dan autonomie maar ook een voorwaarde voor autonomie?

Er zijn twee soorten vrijheden. Bij de ene soort gaat het om vrij zijn van iets en bij de andere soort gaat het om vrij zijn tot iets. De eerste vrijheid kan aan je worden gegeven of je kunt deze vrijheid zelf claimen. Met deze zogenaamde negatieve vrijheid worden je opties, mogelijkheden of bewegingsvrijheid vergroot. In een werksituatie bijvoorbeeld, kun je van je manager meer vrijheid krijgen om iets te doen. Er is sprake van overdracht of creatie van vrijheden binnen een hiërarchie. Je krijgt meer vrijheid. Negatieve vrijheid is als het losbreken van ketenen.

Door ongelijke behandeling, door bijvoorbeeld oorlog, hiërarchieën, dogma's, cultuur, wetten, regels en paternalisme kunnen er verschillen in vrijheden tussen mensen zijn. Dat is niet altijd erg of onwenselijk. Het gebrek aan vrijheden van bepaalde groepen of individuen hoeft niet de schuld van iemand te zijn, maar het is wel handig om op te merken dát er verschillen zijn.

Er is ook positieve vrijheid en dat is vrijheid tót iets. Het is de hoeveelheid mogelijkheden om iets te doen of het aantal kansen om iets te bereiken. Een verruiming van het aantal soorten ketchup in je lokale supermarkt bijvoorbeeld (en genoeg geld in je portemonnee om iedere ketchupsoort te kunnen kopen) of het feit dat je nu, in tegenstelling tot vijftig jaar geleden, zo'n beetje ieder diploma kunt behalen met alleen een internetverbinding. Positieve vrijheden worden bepaald door interne factoren en versterkt door externe factoren. Mensen met veel vrijheden om iets te kunnen doen (bijvoorbeeld mensen in ontwikkelde landen ten opzichte van derdewereldlanden) hebben meer mogelijkheden om nóg meer vrijheden te ontwikkelen. Meer opties betekent dus in dit geval vaak de kans op nog meer opties. Het is een zelfversterkend proces. Dat is niet altijd goed voor gelijkwaardigheid, maar we zullen ook wel merken dat het vergroten van opties een zelfremmend effect heeft.

Beide soorten vrijheden worden steeds groter en talrijker voor een extreem groot deel van de wereldbevolking. Dat komt omdat de mensheid steeds beter z'n best doet om het goed voor elkaar te krijgenWat precies goed is en wat 'goed' betekent, bespreken we later in dit boek en omdat marketeers net doen alsof ieder klein ongemak een probleemoplossend product vereist. Dat zorgt er gelijktijdig voor dat we gaan denken dat we nog steeds niet genoeg vrijheden hebben.

Panama

Autonomie is een term die ik kende van autonome gebieden. Daar zijn er veel van op de wereld en zelfs met een beperkt begrip van autonomie is het raar om te accepteren dat een gebied dat niet niet eens zelf mag beslissen dat het een apart land is juist autonoom wordt genoemd. Autonoom lijkt hier dan een verkeerde typering.

Mijn favoriete autonome regio ligt in Panama. Het is mijn favoriet omdat ik het ooit bezocht heb, maar ook omdat er nogal wat taalkundige bijzonderheden rondom dit gebied op de grens van Panama en Colombia zijn te vertellen. Het verhaal begint in Tapón del Darién. Dit gebied is beter bekend onder de Engelse naam Darién Gap en gap betekent gat maar dat is bijna het tegenovergestelde van het Spaanse tapón dat weer plug betekent. Het lijkt allemaal niet uit te maken, maar het gaat blijkbaar om een bijzonderheid. In het Nederlands is het een gat noch een plug, maar noemen we het simpelweg Darién, dat dat door de zestiende-eeuwse inheemse bevolkingsgroep Cueva aan een rivier in de streek werd gegeven (maar toen nog tanela heette. De Spanjaarden maakten er Darién van en de streek is nu vooral bekend als de plek waar de Pan-American Highway onderbroken wordt. De term gap is in dit opzicht dus treffend, hoewel er ook wat te zeggen is voor tapón omdat lokale overheden blij zijn dat er geen weg is waarover gemakkelijk drugs kan worden vervoerd van Zuid- naar Noord-Amerika. Dat gebeurt nu dus gewoon door onherbergzaam regenwoud. Als je niet door schorpioenen wordt gestoken, dan zijn er slangen, jaguars, vliegen die eitjes onder je huid leggen en chagrijnige wilde varkens. In de Darién groeien ook zwarte palmen, met kenmerkende stekels aan hun stam, die je niet alleen kunnen verwonden maar door de aanwezigheid van onhandige bacteriën ook flink infecterenAstrocaryum standleyanum. Verder is er heel veel water, modder, regen en warmte. Avonturiers die de Pan-American Highway willen afleggen van noord (Alaska) naar zuid (Vuurland) of vice versa, dienen hier hun voertuig en zichzelf op een bootje te laden en via de Grote Oceaan of de Caribische Zee een stukje over het water te reizen. Er zijn wel wegen door de Darién, maar het zijn vooral voetpaden. Door de relatieve ontoegankelijkheid herbergt de streek toch vooral lieden die houden van wetteloosheid, zoals drugshandelaren. Maar ook gewoon mensen die daar leven en niet per se een snelweg of andere overlast in hun achtertuin willen hebben.

Meer dan 300 jaar geleden, in 1698, deed nota bene Schotland een gooi naar het kolonialisme precies in de Darién. Een flink aantal Schotten investeerde in het plan om er een kolonie te stichten met de naam Caledonia (Latijn voor Schotland). De keuze voor Darién was vanuit geopolitiek oogpunt zeer strategisch: hier komen Zuid- en Midden-Amerika immers samen en de Atlantische Oceaan (in de vorm van de Caribische Zee) en de Grote Oceaan liggen niet ver van elkaar verwijderd. In potentie was Darién op die manier wat het naburige Panamakanaal anno nu is: een kruispunt van waterwegen en goederenstromen. Maar het liep dus toch anders. De in de regio al aanwezige Spanjaarden blokkeerden de gestichte haven New Edinburgh (tegenwoordig bekend als Puerto Escocés, dat Schotse haven betekent) en joegen de Schotten vervolgens weg. De Schotten namen hun verlies in deze spaarzame poging tot kolonialisme, verzwakten met deze verloren investering hun economie en konden weinig weerstand bieden aan The Act of Union waarin het land op papier fuseerde met Engeland. Over een teleurstellende vakantie gesproken…

In Darién bleef het betrekkelijk rustig na dit Europese akkefietje. Er werd, niet geheel verrassend meer, ten noorden een veel beter kruispunt gevonden voor bovengenoemde mensen, goederen en handelsroutes en dat kruispunt. Darién bleef zo een vochtig en dunbevolkt oord. Maar dun- is niet onbevolkt. De naamgevers van het gebied, de Cueva, werden door de gebruikelijke effecten van (Spaans) kolonialisme uitgeroeid: niet alleen door gevechten, onderdrukking en strijd, maar vooral door contact met Westerse ziekten waar het immuunsysteem geen antwoord op had. Een inheemse bevolkingsgroep die vervolgens naar het nog steeds minder dichtbevolkte Darién trok, was de Cuna. Dit is de Engelse naam voor een groep die zichzelf sinds het jaar 2010 Kuna noemt (ervoor Guna) en als taal Kuna spreekt (voorheen Cuna maar in de taal zelf Guna). Het onderscheid is niet relevant, maar ik had taalkundige wetenswaardigheden beloofd.

De Kuna werden door Spaans imperialisme al gauw teruggedrongen tot een smalle kuststrook aan de Caribische (noord)zijde van Panama en de naburige eilanden. Deze eilandengroep staat tegenwoordig onder steeds meer toeristen (waaronder de auteur) bekend als San Blas, een groep van meer dan 300 relatief eenvoudig te bereiken postcard perfect tropische eilanden, waar vakantiegangers komen om te ontspannen aangezien er geen wifi is. Inmiddels heet San Blas geen San Blas meer maar Guna Yala. Het betekent land van de Guna of Gunaberg en is treffend, aangezien deze regio voornamelijk wordt bevolkt door juist deze eerder genoemde groep: het is een autonome regio. Aha!

Panama was in de negentiende eeuw onafhankelijk geworden van Spanje en had zich aangesloten bij Gran Colombia, waartoe naast het huidige Colombia ook Ecuador, Venezuela en delen van Peru, Brazilië en Guyana behoorden. In 1903 vond Panama het welletjes en scheidde zich af. Door deze afscheiding werd er ook weer weinig rekening gehouden met de Guna, want de grens tussen Panama en Colombia werd dwars door hun regio getrokken. Door deze beslissing werd ook een afspraak in 1870 genegeerd, toen de Guna een deel van het grondgebied van Gran Colombia als autonoom gebied toebedeeld kregen. Na de overheersing van Spanjaarden waren het nu twee nieuwe landen, Colombia en Panama, die grenzen trokken door het gebied van Guna. Na de afscheiding van Panama trokken allerlei gelukszoekers de kuststrook van de Guna Yala in Panama op zoek naar goud, rubber, schildpadden en andere natuurlijke rijkdommen en volgden schermutselingen. De Guna waren niet van plan om wéér te worden overheerst. In 1925 volgde de Gunarevolutie, waarin Guna Panamese politie aanvielen en verjoegen. De Guna riepen onafhankelijkheid uit en stichtten zo De Republiek Tule, die een paar dagen bestond. Het duurde vervolgens meer dan tien jaar voordat de Guna Yala, in 1938, autonomie kregen en pas in 1953 werden grenzen van het gebied officieel vastgelegd. In 2001 oordeelde het Panamese hooggerechtshof dat de regio eigen politieke en administratieve organisaties heeft, anders dan in de rest van Panama. En zo zijn de Guna een autonome bevolkingsgroep in een autonome regio. Daarom word je ook, wanneer je vanaf de hoofdstad Panama het gebied inrijdt, begroet door de vlag van de Guna (met in het midden een swastika) en dien je bij een met de hand bediende slagboom tien dollar als toeristenbelasting te overleggen (terwijl je dus al in een land was). Vervolgens ben je overgeleverd aan een rare situatie: je bevindt je in een regio met zelfbestuur, maar je bent nog steeds in Panama.

Autonome regio's zoals Guna Yala kenmerken zich door onderdeel te zijn van een land, maar enige vorm van zelfbestuur te hebben. 'Een zekere mate van autonomie' wordt dat dan genoemd. En zo is de definitie van een autonome regio dus onduidelijk: autonoom is 'een zekere mate van autonoom'. Deze verwarrende uitleg kan ook niet veel beter. Want bijna geen enkel zogenaamd autonoom gebied heeft helemaal niets te maken met andere gebieden. Zelfs Noord-Sentineleiland in de Baai van Bengalen wordt wel eens bezocht door andere mensen dan Sentinelezenhttps://en.wikipedia.org/wiki/North_Sentinel_Island.

Hoe kan een gebied dat onderdeel is van een ander land dan toch autonoom zijn? De Guna vinden het belangrijk als groep zelf te mogen beslissen. De plek waar zij wonen, de streek die Guna Yala wordt genoemd, is een fysieke manifestatie van autonomie. Een geografisch afgebakende regio hoeft namelijk niet per se een voorwaarde te zijn voor autonomie. Maar het is voor een groep die zelfbeschikking belangrijk vindt, wel een handige manier om die zelfbeschikking te krijgen. Een geografische grens is namelijk gemakkelijk aan anderen uit te leggen: 'Hier gelden onze regels en daar gelden jullie regels.' Simpel. En dan hebben de Guna Yala bijvoorbeeld op het gebied van handelsbetrekkingen, valuta en defensie er misschien wel voor gekozen om daarvoor bij Panama te zijn. Als ze die keuze zelf hebben gemaakt, dan is zo'n autonome regio misschien wel autonomer dan andere landen die meer onder invloed staan van andere regio's.

Zelfregulerende zelfs

Een ander populair gebruik van het woord autonomie is in de context van auto's. Automobielen. Rijdende voertuigen met een (verbrandings)motor. Maar dan wel vooral in de Engelse taal. Want hoewel in Nederland de term autonome auto soms ook wordt gebruikt, is de zelfrijdende auto hier de meest gangbare benaming. In het Engels is autonomous car wat populairder, hoewel daar self-driving car weer nóg iets populairder is.

We wisten al dat auto een Griekse term is voor zelf. Hier begint de etymologie leuk te worden. Autonome auto wordt zelfregulerende zelf. En zelfrijdende auto is dan zelfrijdende zelf. Zo kunnen we nog wel even doorgaan. Want auto is natuurlijk een meer gangbare korte versie van automobiel en dat betekent weer zelfbewegend. Een autonome automobiel is dus een zelfregulerende zelfbewegend. Wat een chaos.

Autonomie in de context van auto's is, net als in de context van regio's, maar verwarrend. We hebben nog maar kortgeleden in dit boek bepaald dat autonomie vooral een manier is om te kiezen uit opties. En die manier kies je zelf (een zelfgekozen manier om te kiezen is trouwens ook verwarrend recursief). Maar een auto heeft helemaal geen zelf. Het is een ding. Een apparaat. Eventueel geprogrammeerd door mensen. Het autonome eraan is dat zelfrijdende auto's zó goed geprogrammeerd zijn dat ze inmiddels door de bank genomen beter kunnen rijden dan mensen én dat ze ook kunnen leren van verkeerssituaties. Sterker nog: waar een persoon netjes uurtjes moet maken in een lesauto en dan nog steeds menselijke fouten kan maken, kan software voor zelfrijdende auto's vele duizenden tests tegelijk duizenden malen zo snel doen en zo dus heel erg goed worden in autorijden. En het resultaat ervan dan delen met alle andere autonome auto's door middel van een softwareupdate. Nog maar een bewijs dat een auto geen zelf heeft of een zelf ís. Het is een geprogrammeerd ding met precies dezelfde software als heel veel andere precies dezelfde geprogrammeerde dingen. En de nieuwe ervaring van de ene, is automatisch ook een nieuwe ervaring van de andere.

Het probleem met de term autonomie is dat een auto geen zelf heeft maar wel letterlijk zo heet. Een auto heeft überhaupt geen behoefte aan autonomie, zoals een mens dat wel lijkt te hebben. Het boeit die auto niets of hij het nu zelf kan of moet doen of dat er een heel erg goede coureur of een brokkenpiloot in de auto zit. Als we autonomie willen begrijpen maar één van de meest gangbare introducties van de term is die van een geprogrammeerd apparaat, dan helpt dat niet.

Later in dit boek kunnen we erachter komen dat autonomie een belangrijke fundamentele waarde is waarbij apparaten juist doorgaans autonomie enorm in de weg staan. De paradox van de zelfrijdende, zogenaamd autonome, auto is dat het weliswaar de autonomie van het individu beperkt (de bestuurder mag of kan niet meer zelf kiezen), maar dat het, waarschijnlijk, de verkeersveiligheid ten goede komt. Totdat iemand met een druk op de knop álle zogenaamde autonome auto's kan besturen en autonomie toch geen autonomie bleek. Het is één van de vele complexiteiten van autonomie. En dit is nog maar het begin.

Pesse

Mijn geboorteplaats is Hoogeveen. Deze plaats in Drenthe lag een aantal eeuwen geleden in een nogal onbegaanbaar veengebied. De naam Hoogeveen is dan ook niet zo moeilijk te verklaren. Even ten noorden van Hoogeveen ligt het even wat eerder gestichte plaatsje Pesse, dat al in de zestiende eeuw een kerk had en zelfs de Paus in Rome liet oordelen over een oplopend kerkelijk conflicthttps://www.canonvannederland.nl/nl/drenthe/hoogeveen/hoogeveen-2. Maar Pesse werd al veel langer bewoond. Na de laatste ijstijd, het Weichselien, was de plek wat nu Pesse is een nogal guur en drassig gebiedje. In dat gebied waren er veel veengebieden, water en dennenbomen. In die tijd liepen er jager-verzamelaars rond. Deze groepen mensen trokken over het land en leefden van jacht en wat de wereld op die plek en op dat tijdstip te bieden had. De ene trok vissen uit een meer, de ander groef knollen op en weer iemand anders plukte rijpe bessen. En nog weer iemand wilde graag naar de overkant van het meer en bouwde, als eerste mens ter wereld, een kano. Dat weten we omdat in 1955 de snelweg A28 werd aangelegd, en die kwam langs Pesse. Tijdens graafwerkzaamheden stuitte men op een diepe veenkom van een meter of vier diep, die voor de stevigheid van het bouwwerk compleet moest worden afgegraven. In het veen werd een boomstam gevonden die door een lokale boer, Hendrik Wanders, opgemerkt werd als bijzonderhttp://www.bootvanpesse.nl/boot-pesse.html. Het was namelijk niet zomaar een boomstam maar, naar wat later bleek, de oudste tot dusver bekende boot die ooit op de wereld is gevonden. Het ding is ongeveer tienduizend jaar oud. Wanneer we ervan uitgaan dat er nergens op de wereld een oudere boot te vinden is, dan is deze jager-verzamelaar uit Pesse (laten we hem voor het gemak Uremōndōgle noemen) de allereerste die op het lumineuze idee kwam om met een vuursteen een dennenboom uit te holen met als doel het te laten drijven op een water.

Het is een teken van autonomie. Waarom? Omdat Uremōndōgle de allereerste was die niet precies deed wat de groep waartoe hij behoorde overeenkwam om de hele tijd te doen: in ieder geval géén kano maken van een dennenboom. En Uremōndōgle deed dus precies dat omdat hij waarschijnlijk dacht dat je van een dennenboom een vehikel kunt maken waar je in kunt zitten terwijl je blijft drijven. Met succes. Wie had dat gedacht? Als er nooit iemand als Uremōndōgle was geweest, was er nooit een schip geweest en zag de wereld er heel anders uit. Waarschijnlijk precies hetzelfde als in het Weichselien.

Uremōndōgle bewees het evolutionaire belang van autonomie: het is soms handig als er mensen zijn met een eigen willetje, die zich op een zeker (en precies juist) moment niet willen conformeren aan een groep. Mensen die een vaartuig zien in iets wat tot dusver enkel en alleen werd gezien als boom. Bedankt Uremōndōgle voor je autonomie.

Binding

Het is dus goed dat er mensen zijn die opeens een kano zien in een boom en dan een vuursteen gebruiken om die kano eruit te schrapen. Was het niet Michelangelo die zei 'Was het niet Uremondogle die zei 'Ik haal gewoon alles wat niet-kano is weg'?'?' toen hem werd gevraagd naar inspiratie over het benaderen van beeldhouwwerken? Maar tegelijkertijd hebben we ook weer niet te veel van dit soort separatie nodig. Als mijn verre voorouder Uremōndōgle én een kano bouwde én een heel andere taal zou spreken én nog weigerde hertenvlees te eten én de hele dag op z'n telefoon zou zitten, dan zou z'n stam al snel klaar met hem zijn. In die tijd zou hij dan binnen no-time dood zijn. Daarmee was er ook een einde gekomen aan zijn autonome gedrag en was dat enorme autonome dna in geen enkele bloedlijn terecht gekomen.

Autonomie moet in balans staan met binding. Dit is ook precies waarom doen wat je leuk vindt nergens op slaat als je er geen grenzen aan stelt. Het is vaak doen wat je leuk vindt, zolang de groep, waarvan je waardering verwacht, het maar accepteert.

Siddhartha

Zo'n zesentwintig eeuwen geleden werd er in wat nu Nepal is een baby geboren die de naam Siddhartha Gautama kreeg. De erudieten onder de lezers zullen direct weten dat ik het over de persoon heb die later de Boeddha (of de verlichte) werd genoemd, maar degenen die dat nu nog niet weten, zullen het straks lezen. Deze Siddhartha werd geboren in rijkdom. Z'n vader had een enorm paleis met hoge muren waardoor Siddhartha niet zag wat er buiten die muren gebeurde. De familie was rijk en Siddhartha kreeg wat hij wilde, zolang het maar binnen die muren afspeelde.

Op een zekere dag ontsnapte Siddhartha de paleismuren, weliswaar met een paard en wagen met chauffeur, en zag wat er zich aan de andere kant afspeelde: hij zag een oud persoon en vroeg de bestuurder van de wagen om uitleg. Die wagenbestuurder legde uit dat iedereen op den duur oud en verrimpeld wordt. Dat had Siddhartha nog nooit gezien en vond het bere-interessant dus ging hij er vaker op uit. En tijdens die stiekeme tripjes naar de andere kant van de paleismuren zag hij nog meer mindere kanten van het leven: een ziek persoon, een ontbindend lijk, Swapfietsen, bierfietsen, VanMooffietsen en mensen die Tiktokfilmpjes aan het opnemen waren. Vreselijk, dacht hij, maar Siddhartha was er niet alleen door geschokt. Zeker niet toen hij een asceet zag en kort daarna besloot een spiritueel pad te volgen, op zoek naar verlichting van het menselijk lijden. Hij verliet het paleis voorgoed op 29-jarige leeftijd, terwijl hij zijn vrouw en zoon achterliet. De komende zes jaar zou ook hij als asceet leven, tot hij erachter kwam dat dat extreme ook weer niet goed is. Hij ging onder een boom zitten en ontdekte dat wat we later in Nederland doen maar gewoon, dan doe je al gek genoeg zouden noemen, the middle way, de manier is om verlichting te bereiken. Sinds dat moment is het niet meer Siddhartha Gautama maar Boeddha.

Ruim veertig jaar zou hij rondtrekken en onderwijzen. Meer dan tweeduizend jaar later zijn er meer dan een half miljard mensen die boeddhist zijn en ongeveer net zoveel mensen die bij de Xenos een Boeddhabeeld hebben gekocht en de religie gebruiken als uitleg voor hun individualisme.

Wat heeft de Boeddha te maken met vrijheid en autonomie? Allereerst kunnen we kijken naar waar de Boeddha, toen nog Siddhartha, werd geboren. Zijn vader was de heerser van de volksstam genaamd Shakya, een soort koninkrijk in Nepal en het noorden van India. Als leider kende deze familie een enorme rijkdom, waardoor het mogelijk was om op te groeien in weelde, afgeschermd van de buitenwereld. Het was voor Siddhartha eerst onmogelijk om die buitenwereld te zien, maar toch zorgde de weelde ervoor dat hij kon krijgen, bezitten en eten wat hij wilde. De mogelijkheden in zijn leven waren groter dan voor de meesten buiten de paleismuren. Hij had daarom dus veel vrijheid. Tegelijkertijd bepaalde zijn vader dat hij niet buiten de paleismuren mocht komen. Zijn vrijheid werd dus ook ingeperkt. Dat kreeg Siddhartha pas door toen hij zich als opgroeiend kind ging afvragen wat er zich buiten de muren afspeelde. Op het gebied van vrijheid was er dus veel mogelijk (Siddhartha was vrij tot veel dingen) maar er werd veel van hem verwacht (hij was niet vrij van veel dingen).

Kon Siddhartha autonoom handelen? Ja. Er waren als zoon van een heerser heel veel opties waaruit hij kon kiezen en dat deed hij ook. Zo'n beetje iedere bestelling kon tijdens het diner worden gedaan. Waarschijnlijk kwamen er ook iedere dag PostNL-busjes nieuwe bestellingen van Zalando en AliExpress brengen. Die keuze had Siddhartha als (zoon van een) rijk man. Maar kon hij wel echt zelf zijn regels maken? Niet helemaal. Want de regels konden alleen gemaakt worden binnen de kaders, die heel fysiek aanwezig waren: de paleismuren. Wat daarbuiten lag, kon alleen worden bereikt door met regels (opgelegd door zijn vader) te breken. En daarom besloot hij, met hulp van een paard, wagen en chauffeur, een kijkje te nemen buiten die muren. Daar kwam hij er op den duur achter dat wat hij zelf wilde: als asceet leven. Zonder bezittingen.

Wat de Boeddha blijkbaar autonoom koos, was flink wat beperkingen. Het gaat hier dus niet om wat er allemaal mogelijk is, maar om de manier waarop de keuze wordt gemaakt.

De grote paradox is natuurlijk dat er in het Boeddhisme niet zoiets is als wat we in het westen een zelf noemen en dat dat extreme gedoe van ascetisme ook niet de manier was om verlichting te bereiken. En bovendien kunnen we ons afvragen of Siddhartha wel zo'n sympathieke baas was door zijn familie, vrouw en zoon te verlaten. Is het in dit geval een voorbeeld van autonomie of juist van individualisme?

De authenticiteitsparadox

Jean-Paul Sartre was een man met een mooie zijscheiding en hij rookte pijp. Op sommige foto's staat hij met een mooi rond brilmontuur en op Wikipedia kun je lezen dat deze man slechts drie centimeter meer dan anderhalve meter lang was. Sartre was niet alleen een mooi kereltje, maar hij vond bijvoorbeeld van alles en nog wat over authenticiteit. Twee van zijn opvattingen over authenticiteit wil ik als beginpunt nemen van dit boek.

Sartre was van mening dat je mensen niet kon leren authentiek te zijn. Want, zo redeneerde hij, juist als je laat zien (of vertelt of beschrijft) hoe je authentiek moet zijn, zullen degenen die deze raadgevingen opvolgen, niet meer authentiek zijn. Het is daarom beter om te tonen wanneer iemand niet authentiek is, zodat de lezer of toehoorder vervolgens zelf kan oordelen over de authenticiteit van zichzelf en anderen. Om vervolgens zelf authentiek te gaan proberen te handelen. Dit geldt ook voor autonomie. Het is onmogelijk om aan anderen voor te doen hoe je autonoom moet denken, handelen of zijn. Het hoogst haalbare is laten zien wanneer iemands individuele autonomie wordt bedreigd of misschien wel afwezig is. Maar binnen déze paradox zit weer een nieuwe paradox verscholen: het hoogst haalbare is namelijk altijd onmogelijk. Deze cognitieve stoornis noemen we trouwens perfectionisme.

Sartre zei nog iets over authenticiteit. Namelijk dat het zoeken (of streven) naar authenticiteit omwille van authenticiteit ervoor zorgt dat je niet meer authentiek bent. En ook deze overtuiging is prima te kopiëren naar autonomie omdat je pas autonoom kunt denken, handelen of zijn wanneer je weet ten opzichte waarvan je autonoom wilt denken, handelen of zijn. Autonomie is dus op zichzelf helemaal geen na te streven status en heeft zonder context ook helemaal geen waarde. Autonomie heeft inbedding nodig.

Wat het bovenstaande betreft heeft autonomie wel wat te maken met gezond eten. Je kunt namelijk pas gezond eten als je je complete voedingspatroon over langere tijd kent en het gedrag er omheen even goed in beschouwing neemt. En andersom ook: je weet pas je complete voedingsgedrag als je ook weet wat je vandaag eet.

De simpele boodschap van dit boek is dus 'denk eens aan autonomie', zodat je dan zelf kunt oordelen wat je er aan kunt hebben. Want:

  • Je kunt autonomie niet voordoen.
  • Autonomie is onvoorspelbaar.
  • Niemand kan volledig autonoom zijn.

Oesters

In de elfde eeuw na Christus probeerde een aantal Noormannen, vanaf de plek waar het huidige Normandië ligt, onder leiding van de Hertog van Normandië, de Britse eilanden te veroveren. De hertog vond namelijk dat hij vanwege zijn stamboom recht had op de Engelse troon. De verovering lukte en de hertog kreeg een nieuwe naam: Willem de Veroveraar. Wel zo passend.

Vlug daarna bouwden de Franse Noormannen een aantal kastelen in het veroverde gebied. Eentje ervan was Castell Ystum Llwynarth en dat ligt in het westen van Groot-Brittannië, in het zuiden van Wales, maar wel aan een oostelijke kust. Deze Welshe naam werd pas tien jaar later gegeven na een verovering door Welshmen op de Franse Noormannen. Ystum kan naar het Engels worden vertaald als stum en heeft drie betekenissen. Als zelfstandig naamwoord betekent het ongefermenteerd druivensap en als werkwoord betekent het zowel druivensap niet meer laten fermenteren als druivensap wél laten fermenteren. Llwynarth betekent landgoedhttps://www.quora.com/What-is-the-origin-of-the-phrase-the-world-is-your-oyster. Wijn werd al vele eeuwen eerder in Engeland was geïntroduceerd en de middeleeuwen waren een relatief warme periode waarin er zelfs wijn werd verbouwd in Engeland zelf, dus is het heel logisch dat Ystum Llwynarth gewoon wijnlandgoed betekent. De Noormannen, afkomstig uit Frankrijk, lusten het wel. De aanwezigheid van wat er uitziet als een stel wijnkelders in het kasteel wijst ook op het feit dat er wijn werd gemaakt in de middeleeuwen in Engelandhttp://www.realclimate.org/index.php/archives/2006/07/medieval-warmth-and-english-wine.

In de Britse taal is het kasteel al eeuwen (en nog steeds) bekend als Oystermouth Castle, waarschijnlijk vanwege de ligging aan de oostkust van het zuiden van het westen van Groot-Brittannië. Maar er is een grote kans dat de wijn die er vandaan kwam Oyster werd genoemd.

Het toneelstuk De vrolijke vrouwtjes van Windsor van William Shakespeare vertelt het verhaal van een ridder John Falstaff, een karakter (waarschijnlijk) gebaseerd op John Fastolfhttps://nl.wikipedia.org/wiki/John_Falstaff, die in de Slag bij Patay in 1429 tussen de Engelsen en Fransen, na grote verliezen van manschappen (door onder andere Jeanne d'Arc) op de vlucht sloeg en daardoor, ondanks veertig jaar veldslagen te hebben uitgevochten, wordt herinnerd als immoreel. Het karakter Falstaff in het toneelstuk van Shakespeare is, misschien net als Fastolf, een geruïneerde ridder, die het heeft voorzien op twee vrouwen in Windsor omdat hij niet zoveel geld meer heeft en deze twee vrouwen nogal welgesteld zijn. In het toneelstuk wordt Falstaff door een lid van zijn entourage, genaamd Pistol, gevraagd of hij hem een penny kan lenen, wat Falstaff weigert. Daarop reageert Pistol met:

Why then the world's mine Oyster,

Which I with sword will open.

Er wordt algemeen aangenomen dat deze eerste referentie aan het gezegde The world is your oyster een metafoor betreft voor de mogelijkheden die de wereld biedt (en dat de wereld niet écht een oester is). Het openen van de oester, met misschien wel een parel erin, is de beeldspraak voor het hebben van mogelijkheden (met als toppunt dus die zeldzame waardevolle parel). Waarom je een oester met een zwaard, en niet gewoon met een handig oestermes zou openen, heeft misschien te maken met de plek waar het tafereel zich afspeelt, Windsor, te maken. De plek ligt op ruime afstand van de zee. Honderden jaren geleden was het vanwege reistijd en -kosten, nog meer dan nu, niet heel verstandig om zeevruchten ver van de kust te eten. Het zwaard zorgt dan misschien voor gepaste afstand voor de rotte oesterlucht.

Maar er is ook een andere verklaring. Aangezien Shakespeare in zijn originele tekst Oyster met een hoofdletter schrijft en het hier geen Duits betreft, moet hij wel een eigennaam bedoelen. Grote kans dus dat de Oyster hier een fles wijn van Oystermouth Castle betreft, aangezien sabreren, het openen van een fles met een zwaard, een (weliswaar overdreven) manier is om een fles te openen. Waar er bij een oester nog wat kracht aan te pas komt, is het bij het sabreren van een fles vooral souplesse.

De moraal van dit verhaal is dat het, of het nu om wijn of zeevruchten gaat, niet gaat om die Oyster, maar juist om het zwaard! Het zwaard is een metafoor voor autonomie. Het is de manier waarop je kiest. Hoe je iets doet met de mogelijkheden. Het is daarom de hoogste tijd om dit gezegde eens te verbeteren.

Bepaalde klodders

Robert Nozick schreef in zijn boek Anarchy, State and UtopiaRobert Nozick — Anarchy, State and Utopia over The Experience Machine, oftewel de Ervaringsmachine. Het is een niet-bestaand ding, maar je kunt wel net doen alsof het er is en uitspraken doen over dit hypothetische apparaat. Vandaar dat het een gedachtenexperiment is. Stel je een apparaat voor waar je in kunt gaan zitten en waarmee je, geheel pijnloos, je favoriete aangename ervaringen kunt ervaren. Zelf gekozen en precies op het niveau van aangenaamheid dat jij wenselijk vindt. Je kunt er zo lang als je wil in zitten en alles is mogelijk. Zou je dat dan doen?

Aangesloten zijn op de Ervaringsmachine geeft je een beter gevoel dan er niet op aangesloten zijn. Als je uit bent op het nastreven van plezier, dan is er geen reden om niet aangesloten te zijn op de machine. En toch zijn er weinig mensen die zeggen dat ze voor altijd in die machine zouden willen zitten. Maar waarom niet? Nozick geeft zelf drie oorzaken.

Allereerst gaat het mensen niet om het gevoel van de dingen die we doen, maar het doen van de dingen die dat gevoel geven. De voldoening zit blijkbaar in de activiteit zelf en niet het effect ervan.

Ook zegt Nozick dat er een drang is om iets wezenlijks te zijn. Als je alleen maar, net als iedereen, in een Ervaringsmachine zit, dan heb je daar weliswaar zelf voor gekozen, maar was het wel je laatste keuze. En nu ben je, net als iedereen, dus die onbepaalde klodder.

En blijkbaar is er ook een behoefte om te leven in een echte wereld. Het maakt dan niet uit als iets aangenamer is. Als het niets echt is, is het niets waardhttps://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Nozick.

Maar andersom dan? Stel dat je morgen wakker wordt in een grote fabriek, net losgekoppeld van een Mehmachine, een tegenovergestelde Ervaringsmachine. Iemand in een wit pak met een klembord onder z'n arm loopt op je af en stelt je de volgende vraag:

Je hele leven werd bepaald door deze Mehmachine. Je leven was vrij gemiddeld. Je maakte wel plezierige dingen mee, maar toch ook zeker minder plezierige. Onrecht, oneerlijke behandelingen, ruzies, oorlogen, pijn, verdriet, aandachttrekkers op Instagram en te vroeg instappende mensen in het openbaar vervoer. En het was dus allemaal nep. Maar je hebt nu de keuze. Wil je nu naar de echte wereld waar je constant een plezierig gevoel hebt? Of zullen we je voor de rest van je leven weer vastmaken aan de Mehmachine zodat je door kunt gaan met je leven, dat overigens helemaal nep is?

Wat is daarop je antwoord?

Hoofdstuk 2

U

De meeste stemmen gelden niet echt

Democratie is een gevaar voor de rechten van minderheden.

John Stuart MillJohn Stuart Mill — On Liberty

Twijfel er nooit aan dat een kleine groep bedachtzame burgers de wereld kan veranderen.

Niet Margaret Meadhttps://quoteinvestigator.com/2017/11/12/change-world/#google_vignette

Je kunt een vrij persoon precies definiëren als iemand wiens lot niet centraal of direct afhankelijk is van de beoordeling van anderen.

Nassim TalebNassim Nicholas Taleb — Skin in the Game: The Hidden Asymmetries in Daily Life

In de laatste ijstijd hebben de ijskappen zich net teruggetrokken, maar dat ging zo langzaam (en net betekent een paar honderd jaar geleden) dat Uremōndōgle dat zelf niet doorhad. Überhaupt wist hij niet wat een ijstijd was én al had hij wel een besef van zo'n glaciaal, dan had dat geen enkele waarde in zijn leven. De leefomgeving van Uremōndōgle bleef grofweg gelijk gedurende zijn hele leven (dat overigens maar 34 jaar was omdat hij stierf aan een infectie na een ongelukkige val over een glibberige zwerfkei). Voor Uremōndōgle was het gewoon een drassige gure bedoening daar in het proto-Nederland, maar 'drassige gure bedoening' was een benaming die mensen afkomstig uit niet-drassige gure bedoeningen duizenden jaren later aan de desbetreffende wel-drassige bedoening gaven. Het gebied wat later Nederland zou worden, was een ruig landschap, waarin Uremōndōgle en z'n stam migrerende dieren achternazaten en tussendoor wat blaadjes, stengeltjes, paddestoelen, knollen, eieren en bessen verzamelden. De bewegingen van elanden en andere grote hoefdieren waren bepalend voor waar de bestemming van de stam. De seizoenen waren op hun beurt weer verantwoordelijk voor de dierbewegingen en de maanstand en getijden zorgden ervoor wanneer er het beste gejaagd en verzameld kon worden. De plek waar Uremōndōgle en z'n stam rondtrokken was een wijds gebied en omdat de zeespiegel in die tijd nog zo'n veertig meter lager lag dan nu, kon je in theorie van Nederland naar Engeland lopen. Dat hebben ongetwijfeld mensen in die tijd gedaan, maar omdat er nog geen landen bestonden en niemand het op Instagram zette, is daar geen direct bewijs voor.

Uremōndōgle leefde in een groep met zo'n honderd familieleden en aangetrouwde lieden. Dat was de ideale groepsgrootte om zo'n beetje iedereen persoonlijk te kennen en een eventuele band mee op te bouwen. Die honderd personen waren ook een prima sociaal vangnet in het geval van zwakte of ziekte. Als je een keer teveel had gezopen en wilde uitslapen, dan konden de overige 99% ervoor zorgen dat er toch wildzwijnbout met een reductie van bosbessen op tafel kwam. Een kleine reprimande van de stamoudste zorgde er vervolgens voor dat dit niet te vaak gebeurde. Het verantwoordelijkheidsgevoel was groot. Het was trouwens niet zo dat er een groepje wetenschappers in die tijd na lang onderzoek had geconcludeerd dat, gezien de omstandigheden, een groepsgrootte van 100 personen perfect was, maar het bleek in de praktijk zo ongeveer de optimale groepsgrootte.

Voor het functioneren in een groep was binding erg belangrijk. Omdat iedereen in de groep ergens goed in was en verantwoordelijk voor was, werkte de groep goed samen. Het was een hecht collectief. Het idee dat Uremōndōgle deel uitmaakte van een groter geheel gaf zijn bestaan zin en betekenis. Zijn leven maakte deel uit van het leven van de hele groep, inclusief de generaties voor en na hem. De band met de natuur was vanzelfsprekend. De planten en dieren waren niet iets wat hij gebruikte, maar iets waar hij gewoon een onderdeel van was. Er was geen sprake van eigendom. Geen eigendom van spullen en geen eigendom van land. Er was wel een soort van gebruik, maar dat gebruik was wederkerig. De planten en dieren werden met respect behandeld. Uremōndōgle en zijn stam namen alleen van de natuur wat ze nodig hadden en nooit meer dan dat. Niet omdat ze zich dan goed voelden over hun acties, maar waarom zou je op dat moment in vredesnaam meer nemen dan nodig? Zin, betekenis, eigendom en respect waren woorden die nog helemaal niet bestonden.

Als je je niet conform de regels van een groep gedroeg en je je genoeg onbetrouwbaar, onmogelijk en ongewenst maakte en werd verstoten, was je op jezelf aangewezen en dat was niet best in die tijd op die plek. Er liepen ook wolven, lynxen en beren rond. Bovendien moest je in je eentje steeds zelf je hutje bouwen, je vuur maken, je was doen en dan zelf verantwoordelijk zijn voor alle kennis over migratieroutes, eetbare en niet-eetbare producten en de juiste manier om goden goed gezind te zijn zodat het ruwe leventje enigszins voor de wind ging. Lastig, want met 100 personen was iedereen ergens verantwoordelijk voor en kon men kennis en ervaringen delen. Die schaalvergroting zorgde ervoor dat iedereen niet nét iets beter, maar veel beter, kon overleven. Kortom: als je groep je verstootte, was je ten dode opgeschreven. Daarom was het ook niet zo'n goed idee om te lopen kloten en misschien is daarom binding (of: relatie) nu een psychologische basisbehoefte.

Maar separatie was ook belangrijk. Separatie is allereerst een evolutionaire constante: leden van een diersoort variëren altijd. De best (aan nieuwe levensomstandigheden) aangepaste leden van de groep hebben een grotere kans om te overleven dan leden die altijd maar hetzelfde blijven en doen terwijl de omgeving verandert. Gedurende het verstrijken van de tijd veranderen de omstandigheden en individuen dus ook. Survival of the fittest is het overleven van degene die zich het best kan aanpassen (die de beste fit heeft), niet degene die in in 5-HAVO de Coopertest het beste deed. Dit recht op ontwikkeling is zelfs expliciet geformuleerd en aanvaard in een VN-verdrag https://www.amnesty.nl/encyclopedie/ontwikkeling-als-mensenrecht.

De automatische variatie van soorten is er niet alleen in fysieke kenmerken zoals lengte, haargroei, huidskleur, spieropbouw en spijsvertering maar ook in gedrag. Zo kon het dus voorkomen dat Uremōndōgle besloot met vuurstenen een boomstamkano uit een dennenboom te beitelen. Hij was waarschijnlijk niet de eerste die dit probeerde, maar wel de eerste bij wie het lukte. Hij was de eerste die een waardig drijvend vehikel wist te fabriceren. Er was echter een zeer grote kans dat zijn voorouders uit een bloedlijn kwamen met leden die heel erg bedreven waren met vuurstenen, mensen die al snapten dat een stuk hout kon drijven, andere dingen hadden gemaakt van hout én een drang hadden om de overkant van het water te bereiken en het misschien ook al jaren hadden geprobeerd met inferieure technieken en materialen. De kano die Uremōndōgle maakte was eigenlijk een logisch gevolg van wat er allemaal eerder was gebeurd. En het maken van die kano was voor Uremōndōgle niet de prestatie, maar wel dat hij door dit feit ook zijn hele groep kon uitleggen hoe door het uithollen van een dennenboom naar de overkant van het water kon komen. Vanaf dat moment snapte langzamerhand, door taal en andere vormen van communicatie, zo'n beetje iedere stam hoe je een boot kon maken. De stam van Uremōndōgle had zich, door deze kennis en toepassing ervan, beter aangepast aan de omgeving. Het is maar goed ook. Als sinds Uremōndōgle iedere groep altijd maar ja maar wij normaal gesproken maken wij dus helemaal geen kano's uit dennenbomen, dus kap nou een keer met die vuursteen en kom even helpen oefenen met deze choreografie opdat wij de natuurgoden het meest correcte offer te brengen zou zeggen en iedereen zich daar aan zou houden, dan had er later nooit iemand met een veerpont naar Amsterdam-Noord kunnen varen en moesten die mensen dus boodschappen doen in Zaandam.

Het is precies op dit moment wanneer autonomie belangrijk wordt. Waar het in een groep belangrijk is om je te gedragen volgens de wetten van een groep, is er die natuurlijke drang (en misschien wel plicht?) om iets zelf te doen: autonomie. Er is echter een belangrijk onderscheid te maken in de toepassing van de term autonomie. Het gaat er niet om dat het belangrijk is om iets alleen of zelf te doen ten behoeve van het zelf, het gaat om het bedenken van eigen regels om iets te doen ten behoeve van de groep. Autonomie moet, denk ik althans, dan in dienst staan van een groter iets. En dat is niet het nastreven van eigen geluk, plezier of genot, hoewel je van een basisbehoefte wel zou kunnens tellen dat het het zelf dient. Het is evolutionair en sociologisch licht bezien een beetje gek om dingen zelf te doen omwille van het zelf. Het is veel logischer (en beter) om iets te doen op een eigen manier om beter een groep te kunnen dienen.

De Griekse filosoof Plato stelde dat de samenleving vooraf gaat aan het individuBron toevoegen waarmee hij beweerde dat een mens pas mens wordt door interactie met andere mensen (en we zouden ook kunnen beweren dat iemand niet zelf kan bepalen wat haar of zijn identiteit is omdat dat altijd in interactie met anderen gebeurt). In alle andere gevallen ben je meer of minder dan een mens: een God of een (wild) beest. In je eentje bestaat er niets. Je leeft voor, met en dankzij anderen.

Liefde en angst

Volgens Elisabeth Kübler-Ross zijn er maar twee emoties: liefde en angstElisabeth Kübler-Ross & David Kessler — Life Lessons: Two Experts on Death and Dying Teach Us About the Mysteries of Life and Living. Alle positieve emoties komen volgens haar voort uit liefde. Alle negatieve emoties komen voort uit angst. Je kunt ze niet tegelijk voelen, maar het is me onduidelijk of het tegenovergestelde emoties zijn. Onverschilligheid lijkt ook een goed antoniem van liefde. Vertrouwen lijkt een prima antoniem voor angst. Maar misschien doet deze semantische kwestie er niet toe. Hoe een individu zich gedraagt ten opzichte van een groep, lijkt hoe dan ook voort te komen uit twee emoties. Enerzijds is het een bewuste en onbewuste zoektocht naar liefde (van anderen) en anderzijds de angst om verstoten, genegeerd of geweigerd te worden (door anderen).

Waar Uremōndōgle tot een zeer overzichtelijke groep van 100 mensen behoorde, die op een zeker moment in de week allemaal in zicht waren, waarmee hij direct kon communiceren en waar niet zoveel aan veranderde, is het anno nu wat moeilijker om precies te duiden tot welke groep een individu behoort. Er zijn meer groepen, er zijn meer interacties en er zijn meer individuen. Je kunt dus tot meerdere stammen behorenhttps://twitter.com/nntaleb/status/1073197627745992704 waarmee je allerlei afzonderlijke doelen nastreeft. Zo kun je je als boer verbonden voelen met een boer in Oekraïne (en allemaal andere bloemkoolboeren van over de hele wereld), je als zeldzame vlinderkweker verbonden voelen met iemand met dezelfde hobby in Costa Rica (en nog 58 leden van dezelfde Facebookgroep) en ben je ook maten met alle andere VVD'ers, maar ga je vissen met hengelsportfanaten die toevallig een andere politieke partij aanhangen maar wel tot Hengelsportvereniging 't Vette Baarsje behoren. Als je het zo bekijkt, kun je best kritiek hebben op nationalisme: het is wel heel toevallig dat, anno nu, iedereen die toevallig in hetzelfde afgebakende stuk land woont, precies hetzelfde is met dezelfde (zeer belangrijke) waarden en de mensen buiten die grens niet. Een landsgrens is een vreemde afbakening voor een set van gemeenschappelijke waarden, die ook toevallig de belangrijkste waarden in iemands leven zijn. Tegelijkertijd zijn nou juist landen en grenzen een perfect voorbeeld van een gezamenlijke identiteit en is het argument weer tegengesproken.

Binding en separatie zijn twee belangrijke concepten voor een individu binnen een groep. Aan de ene kant wil het individu ergens bij horen en aan de andere kant wil het individu zich afzetten, om een andere manier te vinden om de groep te dienen, maar ook om een eigen identiteit te creëren en zo, misschien wel volgens Nozick, ergens toe doen (en niet die onbepaalde klodder te zijn). Voor het optimaal functioneren is een balans tussen deze twee bewegingen nodig, maar het is tegelijk een paradox. De alto op de middelbare school zette zich af tegen de rest, maar was net zo'n alto als de andere alto's. Die zaten dan tijdens de pauze samen boos op de trap precies even veel boterhammen demonstratief niet op te eten.

Er zijn ook mensen die tot geen enkele minderheid horen. Maar dat zijn er maar weinig.

Herman Finkers

Samenwerkende groepen willen twee dingen: werken en dat samen doen. Ze willen met een grote groep mensen iets bewerkstelligen. Doordat iedereen zijn eigen kwaliteiten heeft en het werk kan worden verdeeld, is het simpelweg schaalvergroting en worden schaalvoordelen behaald. Dat zagen we al bij Uremōndōgle. Ook hier is het weer zaak om een balans te vinden tussen het bereiken van een doel en het feit dat dat samen kan. Wanneer een groep te veel neigt naar het samen in samenwerken, dan kan het fenomeen groepsdenken ontstaan. Bij groepsdenken gaat het voornamelijk om het behouden van overeenstemming, in plaats van het behalen van een doel. De bedenker van deze term, Irving Janishttps://nl.wikipedia.org/wiki/Groepsdenken, gaf een aantal oorzaken, waaronder het feit dat de groep hecht, geïsoleerd en homogeen is en onder stress staat van externe bedreigingen. In oorlogssituaties tussen landen komt het voor dat het even belangrijk is dat er geluisterd wordt naar de generaal. Misschien zijn daarom rangen en standen in het leger zo belangrijk, maar het is natuurlijk niet overal oorlog en niet alles is een leger.

De oorzaken van groepsdenken kunnen in allerlei groepen op de wereld voorkomen. Niet alleen tienduizend jaar geleden op een Drentse toendra, maar ook anno nu, in de echte wereld of online. En zodra dit soort processen plaatsvinden, kunnen ze zichzelf versterken. Uitkomsten van groepsdenken zijn overschatting van de groep als geheel (wij hebben gelijk), kortzichtigheid (collectieve rationalisatie van beslissingen en karakituriseren van de buitenwereld) en druk voor uniformiteit (zelfcensuur, druk op leden die het oneens zijn en het blijven hameren op consensus).

Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan om groepsdenken te doorbreken. Het is nou eenmaal fijn om een geborgen gevoel binnen een groep te hebben en daartegenin gaan lijkt tegennatuurlijk (en is het vaak ook), maar er is geen vooruitgang zonder separatie.

De redelijke mens past zich aan de wereld aan: de onredelijke blijft proberen de wereld aan zichzelf aan te passen. Daarom komt alle vooruitgang door de onredelijke mens.

George Bernhard ShawGeorge Bernard Shaw — Maxims for Revolutionists

En zo zijn we weer terug bij Uremōndōgle die uit een dennenboom een kano ging maken. Als de hele groep samen van mening is dat je vooral niet een kano uit een boomstam moet maken, misschien moet er dan iemand opstaat die precies die kano wil maken. Het is alleen jammer dat die rol (wanneer het geforceerd wordt) de niet per se positieve naam advocaat van de duivel krijgt.

Dat hameren op groepsprocessen komt voort uit een wens om de goede lieve vrede te bewaren. Stabiliteit is voor een groep een fijne inbedding. Dan gebeurt er waarschijnlijk niets groepsontwrichtend en is iedereen gelijk. Maar gelijkheid is helemaal niet het beste voor groepen. Het is veel fijner en beter om variatie te hebben. Zodat er een keer iemand iets nieuws probeert en een samenleving of groep beter wordt. En bovendien, beter bestand is tegen chaos en verstoringenNassim Taleb geeft hier in zijn boek Antifragile flink wat argumenten voor..

Waar hebben we het eigenlijk over als we het over gelijkheid hebben? Zijn gelijke mensen dezelfde mensen? Betekent het dat iedereen dezelfde kansen moet kunnen krijgen? Is dat mogelijk? Of gaat het juist om uitkomstengelijkheid? Of bedoelen we met gelijkheid gewoon gelijkwaardigheid, waarmee we suggereren dat ieder individu in een samenleving dezelfde stem heeft. Dat lijkt er wat meer op: een democratisch perspectief. Maar dat is misschien dan weer een bedreiging voor minderheden...

Moet iedereen dan dezelfde stem krijgen in iedere situatie? Moeten we de argumenten van een Instagrammer naast die van een generaal leggen wanneer het land wordt binnengevallen door een naburig land? Hebben oudere mensen dezelfde stem als jongere mensen? Moeten we meer naar ouderen luisteren omdat zij er langer zijn en de wereld hebben geschapen waar wij nu in leven? Of moeten we vooral naar jongeren luisteren omdat ze waarschijnlijk nog meer leven voor zich hebben? Vanaf wanneer heeft iemand een stem? Moet iedereen produceren naar vermogen en consumeren naar behoeven (zoals met communisme en gourmetten)? Volgens mij is het niet de vraag hoe de wereld gelijker of gelijkwaardiger wordt, maar hoe we er een rechtvaardige wereld van kunnen maken.

Er is (in de wereld) een gebrek aan rechtvaardigheid. Filosofie komt voor uit de teleurstelling hierover.

Simon Critchley

Net als met groepsdenken is het streven naar gelijkwaardigheid een gevaar voor minderheden. Zolang de meeste mensen maar blijven volharden in bepaald gedrag of specifieke opvattingen, zal er niets veranderen. De meeste mensen vinden namelijk x, en volgens een democratisch principe zullen de mensen die y vinden aan het kortste eind trekken. Zo verandert er niets. Gelukkig zijn mensen empathisch en denken ze ook aan de minderbedeelden of andersdenkenden.

Stel je eens een groep jonge twintigers in een hostel in je favoriete Zuidoost-Aziatische stad voor. Het zijn er zes. Een paar jonge mannen en een paar jonge vrouwen. Het zijn twee Portugezen, een Braziliaan, een Duitse, iemand uit Mozambique en een Nederlandse. Welke taal spreken ze met elkaar? Waarschijnlijk Engels, hoewel er vier van de zes Portugees kunnen spreken. Maar de Duitse en Nederlandse spreken het niet. En aangezien de rest Engels spreekt, is dat de voertaal van het gesprek. De meeste stemmen gelden dus niet. Het is minimalisme en tolerantie. In plaats van eerst met vier personen Portugees te gaan spreken en daarna de cliff notes te vertalen in het Engels, betrekken de vier de andere twee direct bij de groep door Engels te spreken. En misschien wilde één van de Brazilianen ook wel graag z'n Engels oefenen. De meeste stemmen gelden hier dus helemaal niet. En hoewel de leden van het gezelschap allemaal uit een democratie komen, vindt iedereen het, zelfs zonder aarzeling, prima om Engels te spreken en zo democratie even te vergeten.

Een stapje verder: het groepje besluit uit eten te gaan en heeft keuze uit twee restaurants: Vegan Vietnam en Ho Chi Minced Meat. De Duitse is vegetariër. Wat wordt er besteld? Misschien met wat chagrijn, maar grote kans dat de groep met z'n zessen bij Vegan Vietnam gaat eten omdat er maar één van de groep vegetariër is.

De minst tolerante persoon winthttps://medium.com/incerto/the-most-intolerant-wins-the-dictatorship-of-the-small-minority-3f1f83ce4e15. Een voorname reden waarom mensen veganisten regelmatig vervelend vinden, is niet omdat ze veganistisch eten (dat moet iedereen zelf weten, want stiekem vindt iedereen autonomie heus wel belangrijk), maar omdat veganisten niet tolerant zijn. Ze eten onder geen enkel beding vlees, terwijl niet-veganisten heus wel eens een maaltijd zonder vlees eten. Zo lijkt het een wedstrijd die niet-veganisten iedere keer weer moeten verliezen. De frustratie komt er uit voort dat de niet-veganist vindt dat er geen evenredigheid in tolerantie is. De veganist heeft een extra regel voor zichzelf bedacht die juist alleen voor een botsing zorgt als er een niet-veganist mee gaat eten.

Maar er ís helemaal geen botsing van regels. Beide personen kunnen prima met elkaar eten want een veganistische maaltijd past precies binnen de regels van beide personen. Vergelijk het eens met een gehandicaptentoilet: de gehandicapte kan alleen dit toilet gebruiken, de niet-gehandicapte kan alle toiletten gebruiken. Er is hier geen probleem omdat de belangen niet botsen.

Een consensus is dus in veel gevallen niet nodig. Het is niet van belang dat we elkaar in het midden ontmoeten. We hoeven niet aan iedereen te vragen wat hij en zij ervan vinden. We kunnen gewoon kijken naar tolerantieniveaus van mensen en daar naar handelen. En verder kun je natuurlijk ook nog gewoon zelf kiezen om (voor even) de regels van anderen te volgen. Zolang je er zelf voor kiest, is het nog steeds een autonome keuze. Je kunt dit fenomeen ook omdraaien om iets te bewerktstelligen (met de principes van James Clears' Atomic Habits): als je iets wilt veranderen in de wereld, dan moet je jezelf en anderen er stellig van overtuigen dat je een bepaalde identiteit hebt.

Door veganist te worden, is het effect dus niet dat je zelf veganist bent, maar ook dat je omgeving iets veganistischer wordt. Het is daarmee een autonome keuze met een stiekem effect op je omgeving. Zo eindigen we met een mooie paradox, waar de ene autonome keuze (veganisme) de rest beïnvloedt.

We hebben niet de meeste mensen nodig om iets af te schaffen of in te voeren, maar genoeg intolerante mensen.

Laten we aannemen dat de vorming van morele waarden in de samenleving niet voortkomt uit de evolutie van de consensus. Nee, het is de meest onverdraagzame persoon die juist vanwege die onverdraagzaamheid anderen deugdzaamheid oplegt. Hetzelfde kan gelden voor burgerrechten.

Nassim Taleb

Kan democratie - per definitie de meerderheid - vijanden tolereren? De vraag is als volgt: 'Bent u het ermee eens om de vrijheid van meningsuiting te ontzeggen aan elke politieke partij die in haar handvest de vrijheid van meningsuiting heeft verboden?' Laten we nog een stap verder gaan: 'Moet een samenleving die ervoor heeft gekozen tolerant te zijn, onverdraagzaam zijn ten aanzien van onverdraagzaamheid?'

Nassim Taleb

De normaaldoencurve

Proberen om te ontsnappen aan specifieke invloeden resulteert in onbewuste overgave aan de ergste soort van algemene invloed: de huidige gangbare smaak.

Michael Foley

In de Stille Zuidzee ligt in de driehoek Tuvalu - Micronesië - Marshalleilanden het land Nauru. De 21 vierkante kilometer grote eilandstaat werd in 1968 onafhankelijk van Australië onder leiding van een president met de prachtige naam Hammer DeRoburtInclusief titels is zijn volledige naam The Honourable Sir. Hammer DeRoburt OBE (Most Excellent Order of the British Empire) CMG (Order of St Michael and St George). Het land telt tegenwoordig maar een kleine tienduizend inwoners waardoor alleen Vaticaanstad en Tuvalu nog minder inwoners hebben. De Nauruanen hebben samen de twijfelachtige eer om de hoogste gemiddelde body mass index (BMI) ter wereld te hebben. Deze BMI is een waarde, berekend door het gewicht en de lengte van een persoon in een som te gooien en wordt doorgaans uitgedrukt in kilogrammen per vierkante meter. De BMI is een indicator voor overgewicht, maar vooral voor populaties en iets minder goed voor individuen. Er zijn namelijk voldoende voorbeelden te vinden van gezonde personen met een te hoge BMI, zoals bijvoorbeeld topsporters met flink wat spiermassa, en er zijn ook genoeg voorbeelden van mensen met een normaal gewicht voor wie het soms verstandig is om gewicht te verliezen of aan te komen. Voor groepen daarentegen kan de BMI een aanwijzing voor overgewichtprobleem zijn. De simpele verklaring hiervoor is dat er geen extreme uitschieters in gewicht kunnen zijn én de indicator voor groepen uitzonderingen teniet kan door een gemiddelde te nemen. In hele uitzonderlijke gevallen kan iemand met extreem overgewicht misschien nog net tien keer zo zwaar zijn als iemand met een groeistoornis, maar er zijn geen gevallen bekend van iemand die tien keer zo zwaar als gemiddeld is.

Anders dan natuurlijke fenomenen als gewicht en lengte (en daardoor dus ook BMI) zijn er in de banksaldi van individuen wel extreme verschillen te zien. Het bruto binnenlands product van een land kan bijvoorbeeld over jaren flink stijgen, maar dat zegt niet zoveel over het inkomen van individuen. Er is namelijk ook een kans dat er één of een paar personen of bedrijven steeds beter worden in het steeds meer oppotten van geld. Dan stijgt de totale waarde van het aantal goederen en diensten dat binnen de landsgrenzen wordt geproduceerd, en ook het gemiddelde per persoon in dat land, maar dat komt alleen omdat er iemand is die meerdere miljarden verdient en daarna bezit. Er is een veel grotere kans dat je een willekeurig persoon toevallig ook persoonlijk kunt feliciteren met een dalende BMI per hoofd van de bevolking dan met een stijgend BBP. Het is dan ook een slecht argument om CEO's van grote bedrijven te waarderen om hun bijdrage aan het GDP. Daar heeft een individu niets aan. Als eenzelfde CEO de gemiddelde BMI van een land omlaag weet te krijgen, verdient dat veel meer lof.

Nassim Taleb noemt het eerste toneel, waar natuurlijke fenomenen voorkomen, Mediocristan. Het tweede, waarin bijvoorbeeld geld een rol speelt, is Extremistan. Als je in Mediocristan alle mensen netjes op een rij zet, dan staan er een paar hele kleine mensen, iets meer iets grotere mensen, heel veel gemiddeld grote mensen, wat minder heel grote mensen en maar een heel klein aantal extreem grote mensen. Er zijn geen mensen tien keer zo groot als gemiddeld en veruit de grootste groep mensen verschilt wat betreft lichaamslengte weinig van elkaar. Wanneer we dezelfde mensen op een rij zouden zetten op basis van vermogen, dan zijn we in Extremistan. Daar staan ze op lengte door elkaar, maar staan er aan één zijkant een paar met misschien wel een miljoen keer zoveel vermogen als gemiddeld. Het is belangrijk om dit onderscheid te kennen en ons ook, misschien wat paradoxaal, te realiseren dat we ons Extremistan niet zo goed kunnen voorstellen.

De onderdelen in Mediocristan kunnen netjes op een Bell CurveHet woord klokkromme is eigenlijk mooier. worden geplaatst. Het gemiddelde is herkenbaar voor veel mensen en soms is het zelfs (in de buurt van) de mediaan (de middelste waarde in de rij) en ook (in de buurt van) de modus (de meestvoorkomende waarde). Maar onthou dat het bijna alleen natuurlijke fenomenen betreft. Niet het aantal foto's op iemands telefoon, niet het aantal Bitcoin in iemand portemonnee en niet het aantal volgers op Instagram. Wel de lengte van gras, het aantal magen in zoogdieren en het aantal broodjes bapao dat iemand op kan.

Waar onze voorouder Uremōndōgle leefde in Mediocristan (zelfs die IJskappen die tot Noord-Nederland kwamen, waren geen extreme variatie in landijsoppervlakte), leven we nu soms (of vaak—het ligt eraan wie je vraagt) in Extremistan. En dat maakt begrip van de wereld waarin we leven problematisch. Want als je als soort duizenden jaren gewend bent om in een wereld zonder extreme variatie te leven, dan is het inderdaad pas te bevatten hoeveel meer 1 miljard euro is dan 1 miljoen euro. Wanneer je een euro gelijkstelt aan een seconde (tijd is misschien een natuurlijk fenomeen) dan stelt een miljard euro bijna 32 jaar voor en is een miljoen euro slechts 11 dagen en een paar uur. Een biljoen (duizend miljard) seconden is, niet heel verrassend, maar beter begrijpbaar, meer dan 31 millennia.

Dus: in een normale wereld zijn er niet zoveel afwijkingen en zijn de afwijkingen niet echt extreem. Maar we leven niet (altijd meer) in een normale wereld. Het is dan ook niet zinvol om mensen erop aan te spreken dat ze normaal moeten doen als normaal niet mogelijk is, of niet kan worden gedefinieerd, wanneer de mediaan enorm afwijkt van gemiddeld en/of wanneer de modus dat ook doet. Extreme verschillen zijn in Extremistan niet tegen te gaan (wel te verkleinen). Extreme verschillen bestaan niet in Mediocristan.

Dat we door massacommunicatie, transport, internet, globalisering en vrijheid van meningsuiting tot meerdere groepen kunnen behoren (en meer dividu dan individu zijn geworden), betekent ook dat er meerdere stansKomt van het Perzische stān, dat land betekent. zijn waarin we tegelijk kunnen leven. Het is niet meer alleen de fysisch-geografische wereld (Mediocristan) om ons heen. Het zijn subculturen met onbegrijpelijke niet-echte dingen als giraal geld, rente, volgers, digitale bestanden, zoekresultaten en studentenreisproducten. Ja, de wereld is complex. Maar het wordt wel minder complex wanneer je bedenkt wanneer er ergens extreme extremen kunnen voorkomen, en waar niet.

In Mediocristan, de natuurlijke wereld, kan bijna alles op de normaaldoencurve worden gezet. In de wetenschappelijke wereld is deze verdeling naar Carl Friedriech Gauss (die de formule en deze curve trouwens op 17-jarige leeftijd bedacht) vernoemd en spreken we over een gaussverdeling of een normaalverdeling. Deze continue kansverdeling heeft twee parameters: een verwachtingswaarde van een toevalsvariable en een normaalverdeling. De verwachtingswaarde van een toevalsvariable van een dobbelsteen is de waarde die een dobbelsteen gemiddeld genomen heeft bij een gooi. Er zijn zes even grote kansen op zowel 1, 2, 3, 4, 5 als 6 (er zijn zes gelijke kansen van 1/6 op de afzonderlijke waarden). De verwachting van de uitkomst van de worp is dus 3,5, terwijl die waarde niet op een dobbelsteen staat en dus nooit exact geworpen kan worden (tenzij je met een Friese dobbelsteen speelt natuurlijk). Hoe vaker je achter elkaar gooit met een dobbelsteen, hoe groter de kans dat het gemiddelde van alle gooien steeds dichterbij die 3,5 komt.

De BMI van de inwoners van Nauru is normaal verdeeld. De mensen hebben weliswaar gemiddeld gezien overgewicht maar de afwijkingen zijn naar beide zijden ongeveer gelijk. En wanneer er iemand naar Nauru emigreert, zal deze nieuwe inwoner nauwelijks invloed hebben op de gemiddelde BMI van de inwoners in Nauru. Het is anders wanneer Warren Buffet besluit zich te naturaliseren tot Nauruaan. Niet dat hij extreem veel of weinig overgewicht heeft, maar met zijn vermogen van meerdere miljarden zal hij er met zo'n kleine populatie voor zorgen dat het gemiddelde vermogen van Naruanen flink omhoog gaat. En dat is de kern van de normaaldoencurve: de curve gaat niet op (en neer) voor alles. Voor steeds minder zelfs.

Globalisering wordt beschouwd als 'een voortdurend proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie, met als centraal kenmerk een wereldwijde arbeidsdeling, waarbij productielijnen over de wereld worden gespreid die gedreven worden door de informatie- en communicatietechnologie en door internationale handel', aldus Wikipediahttps://nl.wikipedia.org/wiki/Mondialisering, een platform dat is en wordt geschapen door een voortdurend proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie, met als centraal kenmerk een wereldwijde arbeidsdeling, waarbij productielijnen over de wereld worden gespreid die gedreven worden door de informatie- en communicatietechnologie en door internationale handel. Integratie, ja, maar het tegenovergestelde, segregatie, is ook waar. Door dit proces worden verschillen juist meer benadrukt, kunnen groepsgrenzen duidelijker worden gemaakt en iedere nieuwe connectie heeft een exponentieel effect op het aantal relaties tussen dividuën.

Een probleem dat wordt veroorzaakt door die exponentiële groei in mogelijkheden is precies die exponentiële groei in mogelijkheden. Wanneer alles mogelijk lijkt, waar moet je dan uit kiezen? Als je niet meer alleen lid bent van je stam of je kerk of je dorp, maar je ook Instagrammer, fotograaf, personal trainer, biologische boer, racist, RKC-supporter en Nissan Micrabezitter bent en je naar ieder willekeurige plek op de wereld op reis kan, ieder gerecht kunt eten wanneer je maar wil en alle videos en muziek kunt consumeren wanneer je er om vraagt, dan is het bijna knap dat je überhaupt nog een keuze kunt maken. De versplintering van lidmaatschappen zorgt voor ruis en voor een wazige identiteit. Het lijkt daarom nogal een populaire vrijetijdsbesteding te zijn om tot steeds minder groepen te willen behoren. De populariteit van boeken met daarin de notie dat je als (in)dividu steeds minder f*cks moet geven, lijkt daar zowel aan bij te dragen als een spiegel te zijn van een maatschappij met veel dividuen. Maar hoe werkt dat fucks geven dan?

Volgens de voorman van deze beweging, Mark Manson, gaat het (niet) geven van f*cks niet om schijt hebben aan de wereld, maar een manier van kiezen voor wat belangrijk is. Als alles mogelijk is, dan is het steeds meer van belang om beter te worden in kiezen. Manson zegt dat je als mens maar een beperkte hoeveelheid f*cks kan geven en dat je ze daarom maar spaarzaam kunt besteden. De premisse van zijn boek The Subtle Art of not Giving a F*ck is dan ook niet dat je schijt moet hebben aan iedereen maar dat je vrijheid ervaart door keuzes te maken. Het scheppen van vrijheid door ergens voor te gaan vind ik slecht geformuleerd (aan vrijheid an sich heb je niets), maar ik moet Manson wel gelijk geven dat zelf kiezen een ideale oplossing is voor een wereld waarin er vrijheden, opties en groepen in overvloed zijnOver deze keuzeparadox heeft auteur Barry Schwarz prachtige stukken geschreven: Barry Schwartz — The Paradox of Choice.

Bokkenlul

Afgunst wordt niet veroorzaakt door een onevenredig verschil tussen onszelf en anderen maar juist door een zekere overeenkomst.

David HumeDavid Hume — A Treatise On Human Nature

Een bijkomend nadeel van onbegrensde mogelijkheden is dat je je kunt spiegelen aan zo'n beetje iedereen aan de wereld. Als je, net als de minister-president, op Twitter zit, dan denk je dat het fatsoenlijk is om hem uit te maken voor bokkenlul of iets minder vriendelijks. Maar als communicatiestromen wat platter zijn geworden, betekent het niet dat je plat moet gaan communiceren. En het betekent ook niet dat je direct recht hebt op hetzelfde als iemand die in dezelfde wereld leeft. Als iemand op Instagram duizenden volgers heeft, waarom heb jij, met ook een Instagramaccount, dat dan niet? Als iemand uit hetzelfde dorp als jij miljonair is geworden door het ontwikkelen van hele specifieke software voor een hele specifieke bedrijfssector, waarom jij dan niet?

Dat een minister-president op Twitter zit is enerzijds vooruitgang, omdat je in theorie niet-hiërarchisch in contact kunt treden met een persoon die normaal gesproken veel hoger in aanzien staat (door andere en meer verantwoordelijkheden), maar je moet nog steeds onthouden dat het de minster-president is. Twee piepkleine onderdelen van de dividuen minister-president en jij zijn hetzelfde, maar het totaal niet en het gemiddelde ook niet.

De oplossing voor de ongebreidelde groei aan mogelijkheden om te kunnen acteren op allerlei vlakken en in allerlei groepen is er zelf voor kiezen welke groepen je belangrijk vindt, wie wanneer je gelijken zijn (en vooral wie dat niet zijn) en accepteren dat er in de wereld geen gelijkheid is in het algemeen, maar alleen in details. En dan is het nog steeds geen gelijkheid, maar gelijkwaardigheid. Door vrij en bewust een publiek te kiezen en te investeren in gelijkwaardige relaties met dat publiek, overwin je je statusangst die ervoor zorgde dat je je minderwaardig voelde dan iemand die toevallig heel even in dezelfde wereld opereert als jij. Om met de woorden van Alain de Botton te spreken: 'Statusangst is de prijs die je betaalde voor de instemming met een algemeen aanvaard verschil tussen een succesvol leven en een mislukt levenAlain de Botton — Statusangst'. Je kunt pas rijkdom ervaren als je minder begeert. Dus kies je groep en kies je invloeden.

Autonomie is niet puur separatie van een groep, maar juist überhaupt niet tot alle (of veel) groepen willen behoren. Zo ontstaan vanzelf je identiteit, authenticiteit en integriteit. Maar daar komen we later wel op.

Concluderend zouden we kunnen stellen dat globalisme dus niet alleen zorgt voor meer connecties, maar daardoor ook Extremistans ontstaan. Door te leven in zoveel verschillende werelden is zo'n beetje iedereen een dividu aan het worden: we zijn allemaal onderdelen van heel veel verschillende werelden en tegelijk zijn die werelden allemaal onderdeel van ons. Het is daardoor moeilijk om te begrijpen in welke wereld we leven, maar de oplossing voor dit steeds groter wordende probleem is het doelbewust kiezen van de juiste werelden, groepen, invloeden en publiek. Zo weten we ook wie onze gelijken zijn en wanneer beloningen en straffen van gelijkwaardigen waardevol zijn en wanneer erkenning wederzijds is.

Conformisme

In een essay waarin hij pleit voor het beschermen van de andersdenkenden, schetst één van de oprichters van het investeringsfonds voor startups Y Combinator, Paul Graham, een matrix met vier typen mensenhttp://paulgraham.com/conformism.html. Deze typen zijn het resultaat van twee keer twee karaktereigenschappen: passief tegenover agressief en conventioneel tegenover onafhankelijk. De typen passen op een matrix en samen zijn ze volgens Graham de kwadranten van verschillende vormen van conformisme, oftewel de mate waarin een individu haar of zijn gedrag aanpast aan de opvattingen van een groep. Deze kwadranten zou je ook kunnen bepalen op basis van de persoonlijkheidstypen extravert en introvert ten opzichte van meer of minder risicomijdend gedrag.

In de linkerbovenhoek van het model van Graham staat het type mensen dat agressief conventioneel is. Het zijn de mensen die anderen wijzen op de regels en dat die moeten worden nageleefd. Deze groep mensen zou, volgens Graham, goed als strijdkreet hebben dat ze andersdenkenden willen elimineren, met woorden of daden. Het is een conservatieve groep.

In de zelfde kolom van conventionele mensen is er een groep met een passieve inslag. Graham definieert ze als schapen. Ze maken zich vooral druk om wat de buren van ze denken. Dezelfde regels zijn belangrijk, maar in plaats van anderen erop te wijzen, maken ze zich vooral druk dat ze zelf de regels opvolgen. Deze groep vindt het belangrijk om in de pas te lopen met heersende opvattingen in een groep.

Aan de andere kant van het model zijn er ook passieve en agressieve mensen, maar met een onafhankelijkere kijk op de wereld. Agressief onafhankelijke personen hebben als gemeenschappelijke eigenschap dat ze zo'n beetje iedere regel betwisten en vooral het tegenovergestelde doen van wat ze wordt opgedragen of wat er van ze wordt verwacht in een groep. Als kind zijn ze vaak ondeugend zodat ze erachter komen wat de grenzen van regels zijn stellen ze nieuwe regels voor. Graham noemt als mogelijke strijdkreet voor deze groep de opmerking die Galileo Galilei maakte toen hij van de kerk zijn bewering dat de aarde om de zon draait moest terugnemen: Eppur si muove wat en toch beweegt het betekent. Een klassiek 'en toch heb ik gelijk (wat jullie er ook van vinden)'.

Er zijn ook passief onafhankelijke mensen en dat zijn dromers. Ze weten soms niet eens wat de regels zijn, omdat de groepsregels ze niet zoveel boeien. Ze vinden het niet belangrijk om zich eraan te houden noch om anderen erop te wijzen, maar ze voelen zich ook niet geroepen om actief tegen de stroom in te zwemmen. Ze worden liever met rust gelaten zodat ze hun eigen regels kunnen bedenken, zonder daar confrontaties mee aan te gaan. Een lijfspreuk zou 'kijk maar even' kunnen zijn, omdat ze het belangrijk vinden dat iedereen maar moet doen wat hij of zij wil.

Niet ieder individu op de wereld heeft een vast plekje in één van de vier bovenstaande kwadranten. Bovendien zijn karaktereigenschappen soms situatie- en (sociale)contextafhankelijk. De ene persoon kan zich zeer conventioneel opstellen in de ene situatie (of wereld) en onafhankelijk opereren in de andere. Maar Graham zegt dat, omdat iemands kwadrant persoonsgebonden is, het niet uitmaakt in wat voor soort groep iemand opereert. Hij haalt een voorbeeld van Robert George, een professor aan de Universiteit van Princeton aan, die schreef:

Ik vraag studenten soms wat hun standpunt over slavernij zou zijn geweest als ze wit waren geweest en vóór de afschaffing in het Zuiden (van de Verenigde Staten) woonden. Raad eens? Ze zouden allemaal abolitionisten zijn geweest! Ze zouden allemaal dapper hebben geprotesteerd tegen de slavernij en er onvermoeibaar tegen hebben gewerkt.

Natuurlijk zouden ze niet allemaal abolitionisten zijn geweest (hoewel het een hypothetische vraag blijft). Er is een grote kans dat de conventionelen van nu ook toen conventionelen waren geweest en passief of agressief waren geweest in het vasthouden aan geldende regels en gebruiken in een groep. Het is precies hierom een verstandig idee om de onafhankelijken te beschermen, ook al gaan ze nu in tegen wat zo normaal lijkt. Het is namelijk ook vrij arrogant om te bedenken dat we precies nu op het eindpunt zijn van onze ontwikkeling als groep(en). Voornamelijk de agressieve onafhankelijken zullen de status quo blijven betwisten, tot er weer een nieuwe status quo is, die in de toekomst weer door een andere, nieuwe, groep (agressieve) onafhankelijken betwist en bevochten zal worden.

Veruit de meeste mensen in de meeste groepen zijn conventionelen. Het is immers fijn als een samenleving of groep werkt volgens bepaalde regels die worden nageleefd. Dat geeft rust en het zorgt ervoor dat vreemden met elkaar kunnen samenwerken en het is vredig. Maar geen enkele status quo is een eindpunt. Er zal nooit een situatie zijn waarin je met een opgeruimd hoofd zonder enige zorgen een latte kunt kopen en die met een intense glimlach kan opdrinken zonder dat er iets mankeert aan deze activiteit. En dan is dit nog het meest banale voorbeeld. Geen enkele samenleving is (nog) perfect en zal dat ook nooit zijn.

We hebben mensen in alle vier de kwadranten nodig. We hebben mensen nodig die zich aan de regels houden die we met z'n allen hebben afgesproken. We hebben mensen nodig die anderen erop wijzen dat er regels zijn. We hebben zelfs mensen nodig die (soms) anderen erbij naaien als ze de boel verkloten. Maar we hebben óók mensen nodig die er vól tegenin gaan. In het openbaar, agressief, of met zichzelf, passief. Protesten moeten worden geoorloofd. Al was het alleen maar om daarmee te bewijzen dat alles betwist mág worden. De onafhankelijken zijn degenen die de nieuwe wereld vormgeven, zowel in slechte als in goede zin. Het zijn niet de schapen die ervoor zorgen dat de wereld hetzelfde blijft. Die doen alleen massaal het verkeerde als er geen onafhankelijk persoon een voorbeeld schetst waar ze achteraan kunnen lopen (of wanneer een onafhankelijk persoon het verkeerde voorbeeld schetst).

Er is een verschil tussen hoe de wereld is en hoe die hoort te zijn. En omdat we van tevoren niet weten wat het goede is, moeten we álle onafhankelijken beschermen.

Het goede

Iedere groep bepaalt, geschreven of ongeschreven, wat normaal en wat afwijkend is. Je bent onderdeel van een groep wanneer je aan groepsregels houdt. Sterker nog: in veel gevallen word je automatisch onderdeel van een groep zodra je gaat houden aan specifieke regels. Neem een hengel en ga langs het water zitten en je bent een visser. Verdrink niet in dat water en je bent een zwemmer. Heb een Algerijns paspoort en je bent Algerijn. Juich bij een goal van een voetbalclub en je bent supporter.

Maar wanneer weet je of het goed is om conventioneel te zijn en wanneer moet je onafhankelijk zijn? Wanneer ben je irritant onafhankelijk en wanneer juist constructief?

We moeten even terug naar zo'n 300 jaar voor Christus. In de Griekse plaats Stagira werd, net boven de Ammos Beach bar, Aristoteles geboren. Op 17-jarige leeftijd converteerde hij van een e-mailnieuwsbrief naar een betaald lidmaatschap van de Akademie van Plato en bleef 20 jaar een betalende gebruiker. Aristoteles wordt gezien als de allereerste homo universalis, iemand die zich breed ontwikkelt op allerlei vlakken, door bijvoorbeeld zowel in gymnastiek als wetenschappen bedreven te zijnhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Aristoteles. Eén van de vlakken waarop Young Aristoteles zich ontwikkelde was de filosofie. Later werd hij de privéleraar van Alexander de Grote. 'Ik heb Aristote-les' zei Alexander dan altijd als hij naar school moest. Maar Alexander werd pas een grote toen hij een enorm rijk bij elkaar veroverde na een veldtocht van meer dan tien jaar. Gelukkig had Aristoteles voordat Alexander op reis ging een checklist gemaakt. Niet met duikbrillen en boekingsbevestigingen in insteekhoezen maar voor deugden. Want, zo redeneerde Aristoteles, een deugd is een karaktertrek die ervoor zorgt dat je kiest voor het goedehttps://nl.wikipedia.org/wiki/Deugdethiek. Deze deugden liggen in het midden van twee uitersten maar niet precies ertussenin, want ze zijn per situatie en per persoon verschillend. Zo ligt nieuwsgierigheid (juiste mate) bijvoorbeeld tussen bemoeizucht (te veel) en achteloosheid (te weinig) in. Dit is trouwens niet een voorbeeld van één van de deugden van Aristoteles. Hieronder staan ze welFilosofie Magazine, maart 2019, pagina 54 (aangepast):

Te veel Juiste mate Te weinig
Onbeschaamdheid Eerbied Verlegenheid
Genotzucht Zelfbeheersing Ongevoeligheid voor genot
Hebzucht Financiële degelijkheid Financiële onbezonnenheid
Financiële spilzucht Vrijgevigheid Gierigheid
Opschepperij Waarachtigheid over jezelf Valse bescheidenheid
Vleierij Vriendelijkheid Vijandigheid
Kruiperigheid Zelfrespect Arrogantie
Teerheid Robuustheid Onkwetsbaarheid
Eigendunk Grootmoedigheid Kleingeestigheid
Extravagantie Waardigheid Schraalte
Sluwheid Wijsheid Goedgelovigheid

De deugdenchecklist was niet alleen voor Alexander de Grote een fijn hulpmiddel. Het is nog steeds voor veel mensen, filosoof en niet-filosoof, een aardige bron om erachter te komen wat het goede is. Volgens Aristoteles zijn deugden manieren om de menselijke rede te verenigen met natuurlijke verlangens.

Maar waarom is die menselijke rede eigenlijk belangrijk? Waarom is het niet gewoon het beste om te doen waar je zin in hebt? Omdat, volgens de auteur van The Age of Absurdity, Michael Foley, natuurlijke verlangens zich op twee manieren uiten: enerzijds als impuls, waardoor vaak het verkeerde wordt gedaan en anderzijds als intuïtie, waardoor vaak het goede wordt gedaan. En vaak kennen we het verschil niet. Rationaliteit leidt niet tot waarheid, maar tot betekenis. En daarom heb je zowel natuurlijke verlangens, een onderbuikgevoel, maar ook rationaliteit nodig om het goede te doen. In lekentaal: luister naar jezelf, maar niet als je iets doms zegt.

Als beschaving in z'n diepste kern een pact tussen volwassenen is om een betere plek voor te maken waar hun kinderen opgroeien, dan is Aristoteles' deugdenchecklist een mooie lijst met principes op basis waarvan je beslissingen kunt nemen. Het is dan niet meer het puur egoïstische kruispunt van 'kan ik hier winst mee behalen?' en 'is dit legaal?' zoals Vinay Gupta treffend betoogt in zijn essay over nieuwe mensenrechtenhttps://medium.com/@vinay_12336/a-simple-plan-for-repairing-our-society-we-need-new-human-rights-and-this-is-how-we-get-them-cee5d6ededa9 en waar marketeers vooral prat op gaan.

Maar wacht eens even! Waarom zouden we moeten luisteren naar iemand die meer dan tweeduizend jaar geleden leefde? Waarom weet hij zo goed hoe we moeten leven? Er zijn in die vele eeuwen na hem toch nog veel meer mensen geweest die hebben onderzocht hoe we zouden moeten leven? En wat te denken van al die quotes van Instagrammers? Een heel goed punt, lieve lezer. Daarom wijs ik ook graag op de auteurs Christopher Peterson en Martin Seligmanhttps://en.wikipedia.org/wiki/Character_Strengths_and_Virtues die onderzoek deden naar universele deugden. Zij kwamen tot de volgende lijst:

  • Wijsheid en kennis
  • Moed
  • Menselijkheid
  • Rechtvaardigheid
  • Matigheid
  • Transcendentie

Aristoteles zou nog steeds een ruime voldoende hebben gehaald. Zeker omdat zijn vier favoriete, kardinale, deugden min of meer in dit lijstje staan: moed, gematigdheid, verstandigheid, en rechtvaardigheidhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Deugdethiek. In het boek Age of Absurdity komt Michael Foley tot deze lijst:

  • persoonlijke verantwoordelijkheid
  • Autonomie
  • Onthechting
  • Begrip
  • Opmerkzaamheid
  • Transcendentie
  • Aanvaarding van moeilijkheden
  • Onophoudelijk streven (je best doen)
  • Constant bewustzijn van sterfelijkheid

Het komt er in alle gevallen op neer dat het handig is om een lijstje te hebben dat antwoord geeft op de vraag wanneer iets goed is en wat het dan is.

Er is trouwens ook een meer pragmatische manier om erachter te komen of iemand deugdzaam handelt. En voorbeeld is de winkelwagentheoriehttps://scoop.upworthy.com/viral-shopping-cart-theory-determines-moral-character. Het terugbrengen van een lege winkelwagen (nadat je bijvoorbeeld je boodschappen in je auto hebt geladen) is niet verplicht en niemand zal je beboeten of anderszins bestraffen wanneer je dat doet (hoewel ik me voor kan stellen dat er nu populaire filmpjes op social media staan waarin mensen worden geshamed. Bovendien is er geen winst te behalen wanneer je het wel doet. De twee hedendaagse populaire egoïstische vragen, kan ik hier winst mee behalen? en is dit legaal? kunnen eenvoudig worden beantwoord. Maar de meeste mensen doen het wel en dit is het simpelste bewijs dat meeste mensen deugen.

Instrumenten

Als we iets doen omwille van zichzelf, dan moet dat het hoogste goed zijn.

Aristoteles

Is het mogelijk om gelukkig te zijn voordat er iets gebeurt?

Sam Harris

Het had allemaal nauwelijks zin, maar ik was van de straat en deed anderen er geen kwaad mee.

Boudewijn Büch

Wanneer deugden de basis vormen van handelen, oftewel het antwoord op de vraag waarom je iets doet of waarom je op een bepaalde manier handelt (of wat het goede is om te doen), dan is het nog de vraag hoe je moet handelen. Ook daar heeft Aristoteles een onderscheid in gemaakt, en wel op basis van doelen. Volgens hem is al het menselijk handelen op basis van een doel, maar zijn er verschillen tussen dingen die je doet om iets anders te bereiken en dingen die je doet omwille van datgene zelf. Daarvoor werden in het oudgrieks twee woorden gebruikt. Poetie, waar ook het woord poëzie is afgeleid, betekent creëren: met een handeling iets anders bereiken. Het woord praxis, waar het Nederlandse woord praktijk is van afgeleid, betekent activiteit en is gericht op actie zelf. Wat mij betreft had die bouwmarkt een andere naam moeten hebben.

In het boek Standpunten van Svend Brinkmann wordt het onderscheid tussen deze twee soorten doelen uitvoerig besproken. Want er wordt volgens Brinkmann tegenwoordig te veel de nadruk gelegd op de eerste vorm: het ene doen om het andere te bereiken. Brinkmann noemt het instrumentalisme. Daarom geeft hij in zijn boek meer dan een handvol voorbeelden van dingen die een doel op zichzelf zijn, zoals waardigheid, verantwoordelijkheid, liefde en de dood. Merk op dat bijvoorbeeld verantwoordelijkheid zowel een deugd als een doel op zichzelf kan zijn. Het loopt in het boek van Brinkmann ook een beetje door elkaar heen. Volgens hem is het goede dan ook één van de standpunten die een doel op zichzelf zijn.

Het is een hoger goed omdat het leven zelf een doel op zich moet zijn, en niet gevuld moet worden met instrumenten voor iets anders. Als je bal stopt met rollen, is het voetbalplezier meestal wel afgelopen. Maar ga je mediteren om rustig te worden of ga je mediteren om te mediteren? Ga je naar het bos om een frisse neus te halen en een probleem wil oplossen (en het hoofd weer leeg is zodra je het bos verlaat) of omdat je in een bos wil zijn? Spreek je af met vriendinnen omdat dat het goede is (het samenzijn met naasten) of omdat het toch wel handig is om elkaar regelmatig te spreken en je toch ook nog die staafmixer wilde lenen?

De hengelsportliefhebber gaat vissen om het vissen zelf. Hij staat vroeg op om aan de waterkant te gaan zitten en wacht tot er een vis bijt. Dat doet hij niet per se voor die vis. Want dan had hij wel een bestelling geplaatst op bij de contemporaire online supermarkt en zichzelf een snoek thuis laten bezorgen tussen half twee en half vijf. Nee, de activiteit zelf is het doel. Lekker vissen. Na het vissen is het plezier van het vissen over. In principe is iedere vorm van spel een doel op zichzelf. Of zoals Derek Sivers in zijn boek Anything You Want zegt: Als je je aanmeldt om een marathon te lopen, wil je niet dat een taxi je naar de finish brengtDerek Sivers — Anything You Want.

Instrumenten worden vaak gebruikt om geld te verdienen. Mensen doen een activiteit in ruil voor een vergoeding. Zelfs activiteiten zonder specifiek doel (zoals hobby's) worden steeds vaker ingezet als instrument voor een ander doel. Mensen maken geen wandeling meer om gewoon te genieten van de wandeling, maar omdat ze zich daarna beter voelen en dus productiever kunnen zijn op hun werk. Ze beginnen hun dag met meditatie niet omdat ze er intrinsiek van genieten, maar omdat het hun productiviteit verhoogt. Boeken worden niet meer gelezen puur omdat lezen plezierig is of omdat kennis opdoen een waardevolle ervaring is, maar omdat ze bijdragen aan kennis en begrip van zakelijke onderwerpen, zodat ze betere werknemers kunnen worden, meer weten, kunnen meepraten, of het kunnen delen op sociale media. Werkgevers bieden geen massages en yogalessen aan omdat dat fijn of goed is. Ze doen het om verzuim te verminderen en kosten te besparen. Ze zouden ook hun werknemers gewoon minder kunnen belasten, maar mindfulness wordt ingezet als lapmiddelRosanne Hertzberger - Het Grote Niets. Iedere vorm van meditatie of mindfulness ten behoeve van productiviteit of iets vergelijkbaars is een contradictio in terminis.

Geld is één van de belangrijkste instrumenten in deze wereld omdat het het beste kwalitatieve verschillen op kan heffenSvend Brinkmann - Standpunten. Op vrijwel alles is tegenwoordig een waarde te plakken en zo is dus ook vrijwel elke activiteit tot een instrument te maken. Ga maar na: je kunt bij de vraag voor hoeveel geld zou jij x doen? de x door bijna alles vervangen. Bijna alles, ja. Want er zijn ook dingen die geen instrumenten kunnen zijn. Morgan Freeman geeft er, in de rol van God, in film Bruce Almighty een heel goed voorbeeld van: je kunt vrije wil niet (af)kopen. Dat is daarmee de grootste uitdaging van de hoofdpersoon in deze film, die nou juist het liefste wil dat z'n vrouw hem liefheeft. Het is voor de kijker een mooie introductie in instrumentalisme. Maar er zijn er nog wel meer dingen die geen instrument hoeven te zijn of simpelweg niet kunnen zijn. Svend Brinkmann noemt er in zijn boek Standpunten een paar: het goede, waardigheid, het zelf, verantwoordelijkheid, de liefde, de vrijheid en de dood. En dat zijn dus in zijn ogen standpunten. Hier volgen een paar voorbeelden.

Immanuel Kant stelt dat alles ofwel een prijs heeft ofwel een intrinsieke waardigheid. Mensen hebben de verantwoordelijkheid om de waardigheid van anderen te respecteren en te beschermen. Dit betekent dat je de waardigheid van anderen niet mag exploiteren voor eigen gewin. Deze concepten zijn nauw verbonden met autonomie: autonomie betekent niet simpelweg doen waar je zelf zin in hebt (want dan zou je slaaf zijn van je eigen verlangens), maar het betekent jezelf wetten en regels opleggen op basis van je karakter, ethiek en rede, waarmee je kunt bepalen wat juist en wat fout is. Iemand die autonomie hoog in het vaandel heeft, erkent ook de autonomie van anderen. Zo respecteert een autonoom persoon de integriteit van anderen.

Waarden

Waarden kunnen geen prijs hebben. Ze kunnen niet worden berekend, verklaard of verkocht. Dit besef is ook belangrijk in discussies: een persoon die zo puur mogelijk rationeel handelen belangrijk vindt, mag erop gewezen worden dat de wetenschap weliswaar gaat over feiten, maar niet over waarden. En dus is het wetenschappelijk verklaren van fenomenen nooit het hoogste goed. Zeker niet voor mensen die op zoek zijn naar betekenis, in plaats van waarheid of geluk bijvoorbeeld.

Het zelf

Het vermogen om niet altijd je verlangens na te jagen onderscheidt mensen van dieren. Mensen kunnen reflecteren, plannen en relaties aangaan met zichzelf en anderen. Brinkmann legt dit uit aan de hand van de filosofie van Kierkegaard: het zelf is geen object, maar een proces - iets wat gebeurt in plaats van iets wat vastligt. Het vermogen van mensen om zichzelf te begrijpen is fundamenteel voor hun mens-zijn. Maar waarom is dit zo belangrijk? Omdat het zelf tegenwoordig wordt gezien als iets wat geoptimaliseerd kan worden door middel van zelfontwikkeling, wat eigenlijk onmogelijk is. Het zelf is niet te kwantificeren; zelf-optimalisatie heeft geen meetbare voortgang. Daarom blijven we eindeloos streven naar verbetering en komen er daardoor steeds meer zelfhulpboeken bij, totdat we accepteren dat het zelf geen object is. De weg vooruit is het accepteren van het zelf, onvoorwaardelijk.

Verantwoordelijkheid

Voor het standpunt verantwoordelijkheid haalt Brinkmann de filosoof Løgstrup aan, die stelt dat een mens nooit iets met een ander mens te maken heeft zonder dat hij iets van diens leven in zijn hand houdt. Simpel gezegd komt het erop neer dat je in een samenleving waar je afhankelijk bent van anderen, verantwoordelijkheid moet nemen voor degene waarover je macht hebt (en dat heb je vrij regelmatig in meer of mindere mate, aangezien je steeds in contact staat met anderen). En die verantwoordelijkheid is dus: je macht inzetten in het belang van de ander, niet in je eigen belang. Dit is dus niet wie goed doet, goed ontmoet want dat is ook een instrument. In tijden van crises bijvoorbeeld is dit de werkgever die gaat staan vóór z'n werknemers, in plaats van ze te laten vallen.

Liefde

Liefde en vriendschap kunnen nooit transactioneel zijn. Je kunt nooit als argument voor liefde geven dat een partner of vriend je beter maakt of dat 1 en 1 samen 3 is. Liefde is niet een instrument voor iets anders. En een ander persoon is ook niet een manier om zelf beter te worden. In Standpunten wordt liefde besproken als iets anders laten zijn op eigen voorwaarden, zonder het te willen overnemen, verslinden, ontkennen of onwerkelijk maken. En, voetnoot, van jezelf houden is volgens Brinkmann onmogelijk om dezelfde reden dat je geen geld van jezelf kunt lenen: liefhebben is iets buiten jezelf accepteren.

De dood

Het besef van sterfelijkheid kan je nihilistisch maken. Als je toch al weet dat je uiteindelijk doodgaat, dan is alles tot die tijd afleiding, zo wordt nog wel eens geredeneerd. Andersom kun je ook stellen, zegt Brinkmann, dat juist het besef van sterfelijkheid ervoor kan zorgen dat je weet wat belangrijk is (of kan zijn) en er zo waarden ontstaan: Wat is er belangrijk tot ik niets meer belangrijk kán vinden? Hier kan John Vervaeke ook bij helpen, die ons laat afvragen wat we belangrijk vinden, ook als we er niet meer zijn. Het instrumentaliseren van de dood (Als je meer nadenkt over de dood, jaag je je dromen na en/of word je gelukkig) staat dus in contrast met erover nadenken of je dromen het waard zijn. Dus in plaats van je afvragen wat het nut of de zin van alles is in het licht van de onvermijdelijke dood, kun je je ook afvragen wat het leven waard maakt. Je kunt je afvragen wanneer je het goede doet en wanneer je een deugdzaam leven leidt. De antwoorden op deze drie vragen zijn misschien wat positiever. Het is de kunst om ons eraan te herinneren dat iets soms een doelen in zichzelf kan zijn.

Om toch

'Ik eet al vier weken geen chocola'
'Waarom niet?'
'Geen idee... soms eet ik ook vier weken geen soep'
'Ik heb dat met wortels'https://mobile.twitter.com/julesdekeiser/status/1229490560001552386

Een simpele vergelijking tussen iets doen omwille van datgene zelf en dingen doen om iets anders te bereiken, kun je vinden in de verschillen tussen hobby en werk. Het eerste doet iemand vanwege de hobby zelf (maar soms ook om tegenwicht te bieden aan zielloos werk) en het andere om er geld mee te verdienen (maar soms ook om de hobby ermee te kunnen bekostigen). Van je hobby je beroep maken lijkt dan de ultieme droom voor dagelijkse activiteiten, maar het gaat van poëzie naar praktijk. De onvoorwaardelijkheid van de activiteit sterft. Uiteraard zijn er ook mensen die werken om meer redenen dan een maandelijks salaris, maar het verschil zit in het feit dat hobby's nog steeds zullen bestaan als degene die ze uitvoert er niets voor krijgt, terwijl de meeste banen niet worden ingevuld zonder salaris.

Hobby's zijn ook mooie voorbeelden voor dingen die onafhankelijk van een groep kunnen worden gedaan. Het zijn activiteiten die vanuit het zelf kunnen komen. Er zijn weliswaar vaak mensen met precies dezelfde hobby's (en er zijn industrieën om veel hobby's heen gebouwd), maar veel hobbyisten hebben de groep niet nodig om een hobby uit te voeren. Je hoeft niet waardering en erkenning van een groep te hebben om lekker te willen tuinieren in een tuin vol met bijzondere en en zeldzame rozen. Het probleem is echter dat er vaak alsnog wordt gezocht naar een reden buiten de activiteit zelf. Dan wordt vissen een manier om te vluchten uit een andere wereld, mediteren om tot rust te komen en zijn spelende kinderen bezig hun grove en fijne motoriek te ontwikkelen. Het kost wat moeite om te accepteren dat gevolgen van activiteiten fijne bijkomstigheden kunnen zijn, maar niet het doel op zich.

Op de Nederlandse Wikipediapagina over de streektaal Groningshttps://nl.wikipedia.org/wiki/Gronings#Uitdrukkingen, staat een aantal voorbeelden van Groningismen: woorden, uitdrukkinge en grammaticale eigenaardigheden die vaak in het Nederlands van de Groningstaligen worden overgenomen. Eén van die voorbeelden is de uitdrukking om toch!, die ik overigens heb geleerd van een kennis uit het Drentse Klazienaveen, dat niet zo ver van Groningen ligt en tot hetzelfde Nedersaksische taalgebied behoort. Als definitie van deze uitdrukking wordt nietszeggend antwoord op vraag met 'waarom?', vergelijkbaar met 'omdat ik het zeg!' gegeven, terwijl om toch! net als daarom! en gewoon wat mij betreft toch echt een prima antwoord is om iets te doen. Omdat ik het zeg! is trouwens een beroep op status en heel wat anders.

Waarden en deugden

Waar deugden vooral karaktereigenschappen zijn om het goede te doen, zijn waarden wat ruimere patronen of ideeën die in bepaalde groepen belangrijk zijn. Het woord zegt het natuurlijk al: iets heeft waarde en is waar, iets is echt. Vaak zijn er specifieke voorschriften om waarden te verdedigen. Dat worden normen genoemd. Een norm kan een geschreven of ongeschreven regel zijn. Deze drie concepten, deugden, normen en waarden, zijn op een complexe manier met elkaar verweven. Als er binnen een bepaalde groep consensus is over waarden, dan hoeven er niet per se overeenkomstige normen te zijn. Het maakt discussies daarom ook vaak lastig. Zeker als individuen tot meerdere groepen behoren, een liberaal leven willen leiden en tegelijkertijd willen samenleven. En wat gebeurt er als niet alleen normen om dezelfde waarden vorm te geven verschillen, maar er ook nuances zijn in de waarden van leden van een groep?

Neem iets als midden in de nacht op een kruising voor een rood stoplicht wachten, terwijl er geen overig verkeer is. De waarde is verkeersveiligheid. De norm, nota bene een wettelijke verkeersregel (met geldboetes bij overtreding), is dat je wacht voor een rood licht. Maar er zijn genoeg individuen die de waarde verantwoordelijkheid óók belangrijk vinden en pragmatisme (met andere woorden: kijk maar even) als norm gebruiken: als er niemand op de kruising aanwezig is, dan is het rode licht maar een suggestie, een waarschuwingsteken. Een individu kan dan heus wel doorrijden, omdat er geen andere verkeersdeelnemers zijn om rekening mee te houden. Voetgangers en fietsers in Amsterdam lijken bijvoorbeeld wel weer gezamenlijk de waarde verantwoordelijkheid belangrijker te vinden dan de norm stoppen voor een rood stoplicht, omdat iedereen, wanneer het kan, een rood licht negeert, maar er tegelijkertijd ook niemand wat van zegt of van opkijkt.

Hetzelfde geldt voor stil zijn in een stiltecoupé in de trein. Als hier de waarde respect is, dan is de norm stil zijn in de trein. Het zijn gedragsregels die de vervoerder hanteert. Ze kunnen niet beboet worden, maar gelden als richtlijn. Vaak wordt die richtlijn geaccepteerd, omdat de vervoerder een reiziger te gast heeft. Als gast behoor je je fatsoenlijk en volgens de huisregels te gedragen. Dan is de waarde het volgen van normen. Als er verder niemand in de trein zit, dan is de waarde respect niet meer geldig (er zijn geen anderen) en de norm ook niet meer. Er zijn natuurlijk ook mensen die in een volle stiltecoupé geluid blijven maken, omdat zij de waarde respect in die situatie minder belangrijk vinden dan zelfexpressie. De norm je mond houden staat lager op de rangorde van belangrijkheid dan zelfexpressie. Op zo'n moment kunnen karaktereigenschappen, de deugden, een scheidsrechter zijn. Dan zijn matigheid, vriendelijkheid, zelfbeheersing en eerbied belangrijke deugden.

Om erachter te komen wat je waarden zijn, kun je een lijst maken van heuristieken. Welke regels vind je belangrijk? En waarom? Welke regels zijn stom? En waarom? Welke personen bewonder je? Waarom? Welke personen met afwijkende opvattingen bewonder je alsnog? Waarom? Wat vinden zij belangrijk, wat jij ook belangrijk vind? Het is goed om verschillende waarden te kunnen evalueren zonder ze direct eigen te maken. Juist door ze te evalueren kun je je leven op een goede manier inrichten en transformeren. Pas als we iets niet doen, als we iets afwijzen, kunnen we ergens voor staanMark Manson — The Subtle art of not giving a f*ck.

Samenvattend:

  • Waarden = dingen die waar en goed zijn.
  • Normen = regels om waarden tot uiting te laten komen
  • Deugden = karaktereigenschappen om het goede te doen

Er is altijd wel een argument te verzinnen om iets te doen of om bepaald gedrag te vertonen, maar dat argument hoeft niet altijd omdat het fijn is, yolo, omdat het geld oplevert of omdat het kan te zijn. Er zijn trouwens ook altijd redenen te verzinnen om iets niet te doen, maar ook juist dan is het goed om na te denken over waarden.

De enigvoordeelbenadering

In zijn boek Deep Work spreekt Cal Newport over de any benefit approach. Het is een benadering die veel mensen lijken toe te passen (en waarop zo'n beetje iedere soort van marketing berust) en werkt als volgt: als er maar één voordeel te vinden is om iets te doen of te kopen (of te zeggen of te laten), dan doen veel mensen het. Maar het probleem met deze benadering is dat er voor zo'n beetje alles wel een goede reden gevonden kan worden.

Voor alles is gek genoeg ook een tegenargument te verzinnen. Een reden om iets niet te doen. Ja, het is fijn om naar het strand te gaan, dus waarom niet? Maar het is ook vervelend als er allemaal zand in je zweet komt. Voor degene die het beredeneert is er altijd een goede reden te vinden om iets wel of niet te doen. Maar als er enig voordeel is, betekent dit dan ook dat dat voordeel zwaarder weegt dan alle nadelen? En hoe weeg je het eigenlijk?

Het is niet gek dat mensen die het paleodieet aanhangen, online gaan vragen wat ze van dat dieet wel of niet mogen eten. Ze willen weten wat de regels, de normen, zijn die de waarde (eten als een holbewoner omdat het het meest menselijk is) vorm kunnen geven. Als je weet dat dát je belangrijkste waarde is in je eetgedrag, dan kun je heel gemakkelijk nee zeggen tegen alle advertenties van McDonald's. Het is heel simpel: het enige voordeel, bijvoorbeeld dat de Big Mac nú in de aanbieding is, is voor jou niet relevant. Je norm, alleen eten als een troglodiet, past niet bij die redenering.

Een minimalist heeft het ook makkelijk. Haar norm, zo weinig mogelijk spullen kopen of pas spullen kopen wanneer het iets anders vervangt past bij de waarde excessief bezit brengt geen geluk of alleen bezit met waarde is belangrijk. Een minimalist zal minder gevoelig zijn voor argumenten die maar enig voordeel bieden, omdat het normen- en waardensysteem daar niet gevoelig voor is. Zodra iets waar en goed is geworden, is het gemakkelijker beslissingen nemen.

James Clear legt hetzelfde principe uit in zijn boek Atomic Habits aan de hand van identiteit. Wanneer je gestopt bent met roken en iemand biedt je een sigaret aan, dan moet je daarop reageren met 'ik ben geen roker' en niet met 'ik probeer te stoppen'. Je waarde is misschien gezondheid en de daarbijbehorende norm betekent dat je niet rookt. Wanneer je ervan maakt dat je 'probeert te stoppen met roken' geef je daarmee alleen maar aan dat je nog niet hebt besloten wat nu precies je waarde is. Clear noemt het daarom belangrijk om je identiteit vast te stellen. Ik zou er graag aan toe willen voegen dat je, wanneer je hebt nagedacht over welke waarden belangrijk voor je zijn (en welke normen daar bij horen), je dáárom het beste antwoord kunt geven op de vraag of je misschien een sigaret wilt.

Deze enigvoordeelbenadering is, in combinatie met talloze vrijheden en opties, gewenning aan consumentisme, gehamer op vrijheid van meningsuiting en marketing een mooi recept voor overvolle agenda's, garages, woonkamers en Twitter. Het zijn de snelle voordelen die we zien, maar de langzame nadelen die we ervaren.

Betekenis

Sisyphus was één van de grootste nakkers in de Griekse mythologie. Hij stichtte weliswaar Ephyra, de voorloper van het huidige Korinthië en zette zich in voor handelsbelangen en navigatie, maar hij staat ook bekend om wat minder deugdzame eigenschappen. Omdat hij ruzie had met zijn broer Salmoneus vroeg hij het orakel van Delphi naar de juiste manier om hem van kant te maken. Het advies van het orakel was om kinderen te verwekken bij Tyro, de dochter van z'n broer. Die kinderen zouden er dan voor zorgen dat Salmoneus vermoord zou worden. Tyro stemde er mee in, maar kwam later achter de voorspelling van het orakel en vermoordde haar zoon. Dat gevaar was toen voor even geweken.

Maar Sisyphus was niet alleen onaardig tegen zijn familie. Hij was als koning ook nogal gierig en wraakzuchtig en hij had er een handje van om gasten en reizigers die in zijn paleis verbleven te vermoorden. Dat viel niet echt in goede aarde bij oppergod Zeus, die huisbaas van het paleis was en bang was voor slechte recensies. Zeus was al eerder in verlegenheid gebracht door Sisyphus toen de zoon van Poseidon, Asopus, god van de rivieren, z'n dochter kwijt was geraakt. Sisyphus zei dat hij wel wist wie die dochter, Aegina, had ontvoerd, maar dat hij het pas zou vertellen zodra Asopus een rivier in het koninkrijk van Sisyphus zou toveren. Een slimme deal. Dat gebeurde en Sisyphus verklaarde dat Zeus de dochter van Asopus had ontvoerd. Dit was trouwens niet eens onwaar—Zeus had haar echt ontvoerd—maar omdat Zeus de opperbaas was en hij het niet accepteerde dat Sisyphus meende zich op dezelfde hoogte als de goden te kunnen scharen, was hij nu helemaal klaar met Sisyphus en besloot hij hem tot de dood te veroordelen.

De verpersoonlijking van de dood, Thanatos, begeleidde Sisyphus naar de onderwereld. Daar verzon Sisyphus een list: hij vroeg hoe die handboeien nou precies werkten en zei tegen Thanatos 'ik snap het niet helemaal, doe eens voor' en Thanatos, die ze blijkbaar niet alle 24 in een kratje had, deed de boeien bij zichzelf om en zo werd ook hij gebamboozled door Sisyphus, die ervandoor ging. Zo ontstond er een nogal groot probleem: omdat De Dood zélf in de boeien was geslagen en dus onschadelijk was gemaakt, kon er niemand op aarde sterven. Dat irriteerde Ares, de god van de oorlog, nogal. Er was nu geen plezier meer te behalen in oorlogvoeren, en ook ernstig verminkte mensen konden niet meer worden verlost door de dood en liepen als zombies over aarde te smeken om verlossing.

Ares ging op onderzoek uit en kwam er al snel achter wat er was gebeurd. Hij bevrijdde Thanatos uit zijn eigen boeien, zodat er gelukkig weer allemaal mensen dood konden gaan, spoorde Sisiphys op en leverde hem andermaal uit aan een nu weer functionerende Thanatos. Maar nog voordat Sisyphus eindelijk echt zou sterven en de onderwereld zou betreden, vroeg hij z'n vrouw om vooral niet de noodzakelijke rituelen te ondergaan met zijn lichaam, zoals bijvoorbeeld een munt onder z'n tong leggen, die als strippenkaart dienst zou doen in de reis naar de onderwereld, uitgevoerd door Charon.

Toen Sisyphus in de onderwereld arriveerde zonder die munt en zonder gebruikelijke offers voor de goden, deed Sisyphus net alsof hij helemaal niet het recht had om toe te treden tot de onderwereld. Hij was zonder die gebruiken immers niet officieel dood, zo betoogde hij aan de heerser van onderwereld, Persephone. Deze dochter van Zeus kon zich wel schikken in de argumentatie. Sisyphus vroeg haar daarom of hij een lang weekend weer terug mocht naar de wereld van de levenden om zijn eigen begrafenis nu écht goed te regelen en bovendien een hartig woordje met zijn vrouw te spreken omdat zij zogenaamd geen respect had getoond voor de goden van de onderwereld door geen fatsoenlijke begrafenis te regelen. Ook Persephone trapte in een babbeltruc van Sisyphus en liet hem zo weer teruggaan uit de onderwereld. Natuurlijk kwam hij niet na drie dagen terug. Er was wéér iemand in de praatjes van Sisyphus getrapt. Je zou er bijna een podcast van maken.

Hermes, de broer van Persephone en zoon van Zeus, die overigens toen hij een halve dag oud was een lied componeerde om z'n eigen geboorte te vierenhttps://www.greekmythology.com/Olympians/Hermes/hermes.html, was uiteindelijk degene die Sisyphus voorgoed naar de onderwereld bracht. Zeus greep nu definitief in en veroordeelde Sisyphus tot het vreselijke lot om een steen een heuvel op te rollen. En omdat Zeus het ook zat was dat Sisyphus dacht dat hij slimmer was dan Zeus, betoverde Zeus de steen, zodat deze steeds vlak voor de top van de berg weer naar beneden rolde en Sisyphus weer van voor af aan moest beginnenhttps://en.wikipedia.org/wiki/Sisyphus. Deze activiteit moest Sisyphus tot in de eeuwigheid uitvoeren.

Voor zo'n ondeugdelijk persoon als Sisyphus lijkt zo'n eeuwigdurend zinloos karwei natuurlijk de perfecte straf. Als je erover moet nadenken om zo'n steen de berg op te moeten rollen, word je daar misschien al moedeloos van, maar als dat ding ook nog eens vlak voor de top plotseling weer naar beneden rolt is dat nog nét even wat vervelender. En het wordt krankzinnig wanneer je dit voor eeuwig moet doen. Dat is misschien niet eens te bevatten.

De franse filosoof Albert Camus geeft er echter op een wat bijzondere manier een positieve draai aan. Zijn standpunt is dat deze mythe, waarin Sisyphus wordt veroordeeld tot een krankzinnig lot, eigenlijk slechts een manier is om met de absurditeit van het leven om te gaan. In zijn ogen is het leven zélf juist zinloos (en absurd) en geeft zo'n taak er juist betekenis aan. Sisyphus accepteert dit lot. Misschien is het wel de ultieme overwinning op Zeus: zelfmoord plegen zou betekenen dat Sisyphus erkent dat het leven het niet waard is. Door zijn lot te omarmen, geeft hij aan dat het hem juist wel waard is. Sterker nog: Camus zegt dat we ons moeten voorstellen dat Sisyphus gelukkig is met deze taak: 'Met de vreugdevolle acceptatie van de strijd tegen de nederlaag, (krijgt) het individu definitie en identiteit (…)https://www.britannica.com/topic/The-Myth-of-Sisyphus. De mythe van Sisyphus kan zo worden gebruikt om de zinloosheid van activiteiten en het leven (en de betekenis van activiteiten) uit te leggen. Je kunt die steen zien als een eeuwigdurende repeterende zinloze taak in het leven óf de steen zien als iets wat betekenis geeft in een absurde wereld. Kies maar.

Voor de zekerheid

In de boekenreeks Incerto legt auteur Nassim Taleb uit wat voor effect onzekerheden hebben op het gedrag van individuen en groepen. Taleb probeert erin onder andere uit te leggen dat je wel een kansverdeling kunt maken van hoe vaak iets gebeurt, maar dat dat geen informatie verschaft als je niet weet wat het effect van de gebeurtenissen is. Sterker nog: het maakt zelfs dat mensen onverstandige beslissingen nemen. Hij noemt dit asymmetrie: de ene kleine kans op iets kan een veel groter effect hebben dan dezelfde kleine kans op iets anders. Of, nog extremer, en dit lijkt één van zijn favoriete voorbeelden: als een piloot een kans heeft van 1% om een vliegtuig te laten crashen zul je nooit in dat vliegtuig plaatsnemen. Dat komt omdat het effect van die ene procent supergroot is, ten opzichte van het effect van die overige 99%. Maar een grensrechter die in 1% van de gevallen de verkeerde beslissing maakt en in 99% van de gevallen de juiste, kan misschien wel langs de zijlijn staan in een WK-finale. Er sterven meestal geen mensen als het tóch buitenspel bleek te zijn. Er zijn dus, bijvoorbeeld in het geval van vliegtuigen en de bekwaamheid van piloten, gevallen te bedenken waarin het effect van een fout enorm groot kan zijn. Maar als je tijdens het koken van een soep niet meer weet hoeveel zout erin moet, kun je dan beter voor de zekerheid heel weinig of heel veel zout toevoegen?

Voor de gedragingen binnen een groep is het ook goed om na te denken over het effect ervan. Uremōndōgle maakte tienduizend jaar geleden een kano uit een boom en het potentiële voordeel voor de groep was enorm (ze hadden opeens een drijvend vervoersmiddel en de overkant van het water werd bereikbaar—over potentie gesproken). Het potentiële nadeel was eigenlijk heel klein: als het niet lukte en de boot zou zinken, dan zou niet direct iedereen in die groep verzuipen. We gaan er even vanuit dat die hele groep niet met z'n honderden tegelijk zonder zwemdiploma's op Point NemoPoint Nemo of de pool van ontoegankelijkheid is het middelpunt van de grootste cirkel die kan worden gemaakt op wateroppervlak op aarde zonder land te bevatten. Deze pool ligt op 48° 52′ 32″S 123° 23′ 33″W in de Grote Oceaan. de kano ging uitproberen. Nee, als het deze keer niet lukte, dan misschien de volgende keer. En dan was er tenminste genoeg brandhout. En tandenstokers.

Als we filosoferen over de effecten van binding en separatie is het goed om na te denken over deze asymmetrie. Want je kunt dan niet simpelweg zeggen dat je in 50% van de gevallen doet wat de groep handig vindt en in 50% van de gevallen wat je zelf wil. Je moet zo ongeveer weten wat het effect is van de acties. Je kunt in de meeste relaties niet 1% van de weekenden vreemdgaan, maar wel in 1% van de weekenden gaan vissen (op snoekbaars).

Je kunt jezelf afvragen wanneer het handig is om te doen waarover consensus bestaat in een groep en wanneer het handig om te doen wat volgens jou wel verstandig is, maar volgens de groep niet. Als je constant iedere actie van anderen accepteert, dan ben je aan de positieve kant open-minded of vertrouwend, maar aan de negatieve kant goedgelovig of juist naïef. Je kunt er niet áltijd zeker van zijn dat de ander het juiste doet, dus in je acceptatie van andermans gedrag moet je soms sceptisch zijn. Scepsis is kritische observatie. Niet zomaar iets geloven, maar ook weer niet nooit iets geloven wat je wantrouwend maakt. Ook hier kun je op basis van het effect van andermans acties een oordeel vellen. Als je stamgenoot bent van Uremōndōgle en hij wil een boomkano maken, dan kun je wel denken dat het waarschijnlijk nooit gaat lukken, maar als je ook weet wat het effect gaat zijn van een mislukking (misschien een natte onderbroek voor Uremōndōgle zelf maar sowieso een mooie stapel brandhout), dan hoef je niet wantrouwend te zijn. Je kunt wel kritisch observeren, maar verder hoef je niets te doen. Je kunt er zelfs op vertrouwen dat het wel goed komt, omdat je openstaat voor de autonomie van Uremōndōgle. Kortom: het is verstandig om je regelmatig af te vragen wat je voor de zekerheid het beste kunt doen. Dus: wat is de kans dat iets gebeurt maal wat kan het effect van deze gebeurtenis zijn?

Het tegenovergestelde helpt bij het bepalen wie helden zijn, en wie niet. In het boek Skin in the gameNassim Taleb — Skin in the game van de eerder genoemde Nassim Taleb leren we dat degenen die een grote kans lopen zelf persoonlijke schade te ondervinden zodat er een kleine kans is dat een grote groep er een groot voordeel uit haalt, helden genoemd kunnen worden. Dit is de extreemste versie van skin in the game, namelijk soul in the game. Het is degene die bereid is te sterven om verdrinkende kinderen uit de zee te redden, hulpdiensten die als eerste ter plaatse zijn in gevaarlijke situaties en artsen in oorlogsgebieden. Het zijn de mensen die weinig praten en vooral doen. Dit zijn toevallig ook de mensen die heel goed weten wat hun waarden zijn.

Vriendschap

Een roman die je leuk vindt, lijkt op een vriend. Je leest het en herleest het om het beter te leren kennen. Net als een vriend accepteer je het zoals het is; je beoordeelt het niet. Montaigne werd gevraagd waarom hij en de schrijver Etienne de la Boétie vrienden waren - het soort vraag dat mensen je stellen op een cocktailparty alsof je het antwoord weet, of alsof er een antwoord was om te weten. Het was typerend voor Montaigne om te antwoorden, 'Parce que c'était lui, Parce que c'était moi' (omdat hij het was en omdat ik het was).

Nassim Taleb

De zon stoot energie uit en vraagt er niets voor terug.

Onbekend

Volgens Aristoteles is een vriend een persoon met wie je tijd doorbrengt, tot genoegen van beide partners, maar die je ook het beste toewenst omwille van die vriend en niet alleen omdat je er zelf misschien iets aan overhoudt als het goed gaat met de ander. een vriendschap is dus een relatie die eigenwaarde heeft: een vriend si iemand die je helpt omwille van die vriend.

Svend Brinkmann

Vermoedelijk heeft geen ander dier dan de mens vrienden op deze manier omdat de relaties van dieren gebaseerd zijn op het principe 'voor wat hoort wat'.

Svend Brinkmann

Vrienden, echte vrienden [...] willen eerder bevestigen dan oordelen; ze vertroetelen niet, maar blijven ook niet stilstaan bij onze tekortkomingen. Vrienden steunen elkaar in moeilijke tijden, helpen elkaar bij de smerige en gewone taken van het leven. Ze leggen elkaar geen onmogelijke normen op, ze vragen niet om perfectie en ze helpen elkaar in plaats van elkaar met eisen te vermorzelen.

Robert A. Johnson

Volgens onze vriend Aristoteles zijn er drie redenen om vrienden te zijn. Allereerst de meest voorname en misschien tegenwoordig wel bekendste (of in sommige gevallen, enige): als instrument (daar hebben we in een vorig hoofdstuk Svend Brinkmann uitvoerig over horen spreken). Jij en ik zijn vrienden omdat dat voor ons beiden goed is. We hebben er wat aan dat we vrienden van elkaar zijn. Misschien is het goed voor onze status, voor onze portemonnee of voor ons zelfbeeld. Het is in ieder geval niet goed voor de vriendschap zelf. Er is een reden die buiten de vriendschap zelf ligt. Het is een logische reden om een vriendschap te sluiten. Mensen zijn immers samenwerkende zoogdieren. Maar het is ook direct een paradox. Want hoe kun je nou vrienden zijn als de reden buiten die vriendschap ligt?

Aristoteles geeft nog een reden om vrienden te zijn en dat is dat beide vrienden het beste met de ander voor hebben. Je bent vrienden omdat je hoopt dat het goed gaat met de ander. Of: je bent vrienden dus je hoopt dat het goed gaat met de ander. Of: omdat je hoopt dat het goed gaat met de ander (en vice versa) ben je vriendenp dus q maar ook q dus p. De vriendschap uit zich dan ook vaak door het samen fijn hebben, zonder daar voorwaarden aan te ontlenen.

De derde reden voor vriendschap is daarom of, zoals we dus in Drenthe (en Groningen) zeggen: om toch. Vriendschap is dan waar en waardevol op zichzelf. Je hoeft niet uit te leggen waaróm je vrienden bent en je hoeft ook niet eens te melden dat je hoopt dat het goed gaat met de ander. Het is gewoon prima zo. We redeneren als Montaigne: omdat hij het was en omdat ik het was.

De eerste vorm van vriendschap past heel goed in het streven naar de beste versie van jezelf. Dan ga je op zoek naar hoe je de wereld kunt vormen naar jou, aan welke vriendschappen je wat hebt en hoe die vriendschappen jou beter maken. De tweede reden, hopen dat het goed gaat met de ander, draait dit eigenlijk om: die reden vraagt zich af hoe je de ander kunt dienen om gelukkig, blij, tevreden, een mens te laten zijn. De derde reden, gewoon, denkt helemaal niet na welke transacties er mogelijk moeten zijn in de vriendschap. Die accepteert de vriendschap als waar, zonder voorwaardenZonder voor-waarden dus. Zonder iets dat er moet gebeuren voordat het waar is..

Met wie kun je dan vrienden worden? Dat ligt eraan hoe je het bekijkt. Instrumentele vriendschappen kunnen alleen bestaan tussen mensen die wat aan elkaar hebben. En dat is pervers, omdat het oppervlakkig is. Bovendien forceert dit instrumentalisme bijna automatisch een machtsrelatie omdat er wel een score bijgehouden moet worden. Bij mensen bij wie je hoopt dat het goed gaat, is het handig om dezelfde waarden te hebben. Want als je je waarden weet, en ze zijn gelijk aan die van je vrienden, dan ben je gemakkelijker bereid te strijden voor die waarden. Maar pas als je onvoorwaardelijke vriendschap accepteert, dan kun je met iedereen vrienden worden. Het accepteren van imperfecties is een voorwaarde voor menselijkheid en mensheid.

Liefde

Liefde is het extreem moeilijke besef dat iets buiten het zelf werkelijk is.

Iris Murdoch

Liefde is het enige woord in onze westerse traditie dat toereikend is om [de] synthese van ego en schaduw te beschrijven.

Robert A. Johnson

Liefde is de kracht in ons die een ander mens bevestigt en waardeert zoals hij of zij is.

Robert A. Johnson

Het zijn de vrouwelijke kwaliteiten die het leven zin geven: verbondenheid met andere mensen, het vermogen om kracht te verzachten met liefde, bewustzijn van onze innerlijke gevoelens en waarden, respect voor onze aardse omgeving, een genot in de schoonheid van de aarde en de introspectieve zoektocht naar innerlijke wijsheid.

Robert A. JohnsonRobert A. Johnson, We: Understanding the Psychology of Romantic Love

Het woord incel is een portmanteau van involuntarily celibate en wordt daarom gebruikt voor mensen die onvrijwillig celibaat zijn. Een incel is weliswaar op zoek naar een romantische partner, maar kan er geen vinden. De term is wat problematisch omdat je liefde niet kunt opeisen. Sterker nog: incels worden geassocieerd met misogyne opvattingen, terwijl de afkeer van vrouwen toch ook per definitie geen basis is voor een gelijkwaardige relatie. Dat is ook de kern van het probleem: als een incel een relatie eist en zich tegelijkertijd verheven voelt boven de groep uit wie die potentiële partner zou moeten komen, dan zal deze wens nooit worden beantwoord. Het is een patstelling.

Liefde is niet iets wat je doet, maar iets wat je bent. Het is een staat van zijn, een zekere verbondenheid met een ander, die onafhankelijk van mijn intenties en inspanningen in en door iemand heen vloeitRobert A. Johnson, We: Understanding the Psychology of Romantic Love. Svend Brinkmann, die in zijn boek Standpunten ook Iris Murdoch aanhaalt, definieert liefde zo:

Iets anders laten zijn op zijn eigen voorwaarden zonder te willen overnemen, verslinden, ontkennen of onwerkelijk maken. Liefde is alleen mogelijk als je de realiteit accepteert van een wereld buiten een zelf, en dat vereist oprechtheid en nederigheid.

Svend Brinkmann

Deze definitie van Brinkmann geeft ook een voorzet in de ontkenning of, tenminste moeilijkheid, van zelfliefde: als je alleen van iets buiten jezelf kunt houden, kun je niet van jezelf houden. Dan kun je jezelf hooguit (onvoorwaardelijk) accepteren.

Dit maakt ook het verschil tussen liefde en verliefdheid wat meer duidelijk: liefde is gericht op iets wat je hebt bestudeerd en daarna accepteert als echt: het bekende. Verliefdheid is gericht op het onbekende en zo wordt het verlangen. Totaal iets anders.

Daden van verzoening spreken tot de verbeelding (van liefde) omdat het ogenschijnlijk onverzoenbare mensen met uiteenlopende standpunten en waarden samenbrengt. Alleen het onvergeeflijke is te vergeven. Dat twee mensen van dezelfde politieke partij elkaar een mooie baas vinden is niet bijzonder. Het is meer bijzonder als een linkse politicus en een rechtse in hun vrije tijd vriendschappelijk Yahtzeeën.

Verliefdheid en romantische liefde in het klassieke Romeo en Juliaverhaal is een puur idee van verlangen: op slag verliefd worden zonder enige kennis te nemen van de ander. Het verliezen van controle en het opschudden van waarden. De verliefde persoon zal een antwoord kunnen geven op de vraag waarom zij verliefd is op de ander. Degene die liefde heeft voor de ander kan, wil en hoeft daar niet op te antwoorden. Het verschil zit hem ook in het feit dat verliefdheid transactioneel is: het gebruiken van de ander ten behoeve van eigen geluk of welzijn. Liefde daarentegen zorgt ervoor dat je jezelf de vraag stelt hoe je de ander kunt dienen. Het verhaal van Romeo en Julia is geen verering van romantische liefde. Integendeel, het is een waarschuwing voor wat voor vreselijke dingen er kunnen gebeuren wanneer je je leven laat leiden door romantiekMark Manson, Romantic Love

Plato, leraar van Aristoteles en op zijn beurt weer leerling van Socrates, had het vierentwintig eeuwen geleden natuurlijk al lang uitgevonden. Echte liefde, stelde hij, had helemaal niets te maken met romantiek. Seksuele handelingen en begeerte komen in de vorm van liefde, die later niet helemaal correct platonisch zou worden genoemd, helemaal niet voor. De redenering hiervoor was dat dit slechts een beestachtige en/maar noodzakelijke voorwaarde van al het leven was, maar absoluut niet de hoogste vorm van liefde. De reden waarom dieren een lagere plaats innamen dan mensen was volgens Plato vanwege het feit dat een mens een ziel heeft en de hoogste vorm van liefde alleen kan bestaan tussen twee zielen. Plato vond overigens wel dat deze liefde alleen kan bestaan tussen gelijken en dat waren mannen en vrouwen volgens hem niet (bovendien hadden vrouwen volgens hem geen ziel)https://nl.wikipedia.org/wiki/Platonische_liefde.

Plato, God hebbe zijn ziel dus blijkbaar, had in de basis, wat mij betreft, zeker gelijk. Liefde bestaat tussen gelijken, maar alleen als we met gelijken bedoelen dat beide mensen tussen wie de liefde bestaan evengoed elkaar accepteren en geen voorwaarden stellen aan de liefde. Pas dan hoeft deze liefde ook niet uitgesproken of tastbaar te zijn. Het is hier dan wel jammer dat we platonische liefde tegenwoordig alleen kennen als seksloze liefde en daarmee een lagere vorm lijkt. Dat is niet waar, maar komt misschien enerzijds door het feit dat romantische liefde tegenwoordig een veel hoger aanzien heeft gekregen en anderzijds dat mensen gewoon een beetje lui zijn in het bestuderen van Plato's ideeënMezelf incluis, ik heb dit van Wikipedia..

Over Plato gesproken, misschien is het wel even goed om zes verschillende vormen van liefde in het Oudgrieks te behandelen. C.S. Lewis, de auteur van onder andere De Kronieken van Narnia, vond er vier belangrijk: storge, eros, philia en agápe. De Oude Grieken voegden daar nog xenia aan toe. C.S. Lewis schreef er een aardig boekje overC.S. Lewis — The four loves.

Storge woord wordt gebruikt voor een type compassie, bijvoorbeeld van een ouder ten opzichte van een kind, maar ook voor je favoriete voetbalteam of je land.

Philia is de liefde tussen vrienden, gebaseerd op gedeelde waarden, interesses of activiteiten. Het is een passieloze deugdelijke liefde, zoals we eerder al met Plato hebben kunnen lezen. Lewis noemt dit de minst natuurlijke vorm van liefde. Je hebt immers als mens geen philia nodig om te overleven.

Éros is initieme liefde. Plato noemt het de liefde die eerst lijkt te bestaan voor een persoon, maar later juist gericht is op de schoonheid binnenin die persoon. Ook volgens Lewis heeft dit niets met seksualiteit te maken. Dat noemde hij Venus.

Agape wordt gezien als liefde die bestaat ongeacht de omstandigheden. De liefde van God voor de mens en de mens voor God. Maar ook hier wordt als voorbeeld gegeven dat agápe de vorm van liefde is die bestaat van ouder naar kind of tussen twee partners.

Xenia Dit is gastvrijheid, die ook wederkerig is. Dus het verwelkomen van mensen die ver van huis zijn, maar ook het respecteren van het welkom (met bijvoorbeeld geschenken) door de gast.

In deze vijf vormen zit dus nauwelijks iets wat we tegenwoordig herkennen als romantische liefde en verliefdheid. Robert A. Johnson noemt verliefdheid zelfs een belediging van de ander, omdat het beeld van (een) god wordt geprojecteerd. Het is alsof je de ander vraagt om je goddelijke inspiratie te geven, de enige bron van creativiteit, de kracht om je leven te veranderenRobert A. Johnson — Owning your own shadow. Op deze manier, zegt Johnson, vragen we wat spirituele disciplines in het verleden hebben gedaan:

Maak me nieuw, verlos me, red mijn ziel.

Robert A. Johnson

Het lijkt niet verstandig om dat liefde te noemen.

Zelfliefde

De moeilijkst te begrijpen en te ervaren (en te bespreken) vorm van liefde is agápe. Die vorm van liefde kun je niet uitleggen als het opvolgen van een voorwaarde. Storge (liefde als een ouder voor een kind), éros (het één willen worden met iets of iemand) en philia (vriendschap op basis van gemeenschappelijke waarden of interesses) zijn daarom gemakkelijker te begrijpen of te voorzien van voorbeelden. Xenia (gastvrijheid) laat zich uitleggen als respect voor mensen ver van huis en ook andersom: het tonen van respect als reiziger ver van huis voor bij wie je te gast bent.

Er is echter nog een andere vorm die de oude grieken onderscheiden en dat is philautia of zelfliefde (philia = liefde en het bekende auto = zelf). Een goede toevoeging, immers, want hoe kan men leven zonder van zichzelf te houden?

Best goed eigenlijk, zullen we gaan zien.

Als we Iris Murdochs definitie van liefde (ik neem aan dat ze agápe bedoelt) gebruiken, dan weten we dat liefde het extreem moeilijke besef is dat iets buiten het zelf werkelijk is. Zodra we dan over zelfliefde spreken, dan is dit een contradictio in terminis, iets in tegenspraak met zichzelf. Maar we hoeven natuurlijk ook niet altijd naar Iris Murdoch te luisteren. Bovendien: als zelfliefde philautia is, dan dienen we te kijken naar philia en dat kan worden uitgelegd als vriendschap op basis van gemeenschappelijke waarden. Maar dan wordt het al helemaal problematisch: want natúúrlijk heb je dezelfde waarden als jezelf. Het is een non-issue. Met deze uitleg kunnen alleen mensen met schizofrenie geen zelfliefde tonenOf juist wel?.

Er zijn nog wel meer argumenten om tegen zelfliefde te zijn.

Grofweg zou je zelfliefde kunnen uitleggen op twee uiterste manieren: als het voortrekken van jezelf (ten koste van anderen) voor eigen gewin of juist het optimaliseren van individuele voorwaarden voor het leven van een deugdvol leven. We hoeven nog geen conclusie te trekken welke richting de beste is van de twee, maar de tweede is de beste. Bij de eerste extreme variant is zelfliefde uit te leggen als egoïsme of ijdelheid. Het tweede is liefde voor het goede wanneer dat het in het individu tot uiting komt.

Jean-Jacques Rousseau spreekt over twee verschillende vormen van zelfliefde: amour-propre—denk aan property (bezit) of properties (eigenschappen) —dat vooral gaat over liefde en amour-de-soi, dat vergelijkbaar is met de drang van dieren om te overleven. Zonder amour-propre kunnen we best. Amour-propre gaat altijd ten koste van anderen. Amour-de-soi niet per se. Zonder amour-de-soi kunnen we niet, tenzij we het over altruïsme hebben.

Altruïsme

Iedereen die denkt dat hij verlicht is, is dat zeker niet.

Hindoeïstisch spreekwoord

Deugden zijn per definitie bedoeld om ongezien te blijven.

Hannah Arendt

Deugpronken is misschien wel onze meest voorkomende ondeugd.

Jordan Peterson

In het boek Against Empathy van Paul BloomPaul Bloom — Against Empathy worden er argumenten tegen empathie opgegooid, om vervolgens te concluderen dat het meer afstandelijke morele compassie beter is dan empathie. Als empathie namelijk inlevingsvermogen is, dan kan een psychiater even goed een patiënt begrijpen en helpen als andersom: een patiënt komt bij de psychiater en de psychiater voelt zich net als de patiënt, vanwege de empathie. Probleem helemaal niet opgelost, maar probleem verdubbeld.

Het voornaamste argument van Bloom is dat empathie kan zorgen voor wreedheid. De pestkop op school heeft júíst veel empathie. Hij kan zich inleven in een ander. Door die empathie weet hij precies hoe hij zijn slachtoffers vervelende ervaringen kan bezorgen. Hetzelfde geldt voor pathologische leugenaars en oplichters. Juist omdat ze zoveel empathie hebben, zich kunnen inleven, kunnen ze succesvol zijn in hun ondeugd. Empathie maakt ons zowel object als subject van morele zorg, maar verraadt ons wanneer we het als morele gids gebruiken, aldus Bloom. En dat klinkt ook logisch als je kunt begrijpen dat empathie kan worden gebruikt om kwaad te doen. Dan is empathie juist helemaal geen gids om correct en wenselijk gedrag te vertonen in een maatschappelijke context.

Het is twintig jaar na de uitzending van de laatste aflevering van de sitcom Friends steeds minder bon-ton om naar de serie te kijken, laat staan eruit te citeren. Maar we doen het toch, want er wordt een filosofisch probleem in besprokenFriends S05E04. De karakters Joey en Phoebe hebben een meningsverschil. Joey is van mening dat er geen onbaatzuchtige goede daden zijn omdat iedere goede daad óók een daad is die een goed gevoel geeft aan de dader. Zijn redenering is dat er heus wel goede daden zijn, maar alleen als degene die de daad doet zich daar ook goed over voelt, bijvoorbeeld door de verwachting van lof in zijn omgeving. Phoebe probeert in de aflevering voorbeelden te vinden (en te ondergaan) om het ongelijk van Joey te bewijzen. Ze laat zich bijvoorbeeld steken door een bij en doneert een groot bedrag dat ze eigenlijk niet kan missen. Joey pareert haar acties door te stellen dat ze dit alleen maar deed om haar gelijk te halen en daarmee (ook) aan zichzelf denkt.

Het voorbeeld in deze inmiddels best oude en ook vaak platte comedy betreft ook empathie. Juist door dat inlevingsvermogen, het ene karakter kan zich inleven in het andere, worden er zogenaamd altruïstische daden (in de serie selfless good deeds) verricht. Maar ze zijn juist niet selfless omdat ze empathisch zijn. Joey heeft dus gelijk, maar tot op zekere hoogte. Want als Phoebe daden had verricht op basis van deugden, dan waren ze niet egoïstisch geweest.

Aristoteles zei dat je deugden je karakter zijn en je karakter is wat je doet. Je kunt niet underpromise, overdeliver als methode hanteren. Je kunt niet geen fuck geven. Je kunt alleen maar proberen een goed mens te zijn en dan volgt de rest vanzelf. Altruïsme is niet het goede doen, maar alvast het goede zijn. Het is het resultaat van deugdzaam leven en niet met deugden pronken. Een altruïstische handeling is pas altruïstisch als het niet bewust is.

De NFL-coach Bill Walsh schreef een boek met de titel The score takes care of itselfBill Walsh — The score takes care of itself waarin hij uitlegt dat je niet moet streven om te winnen, maar juist je best moet doen om alle voorwaarden zo goed mogelijk te hebben zodat die score vanzelf gunstig uitpakt. Champions act like champions before they're championsBron?. En andersom is het ook waar, zoals James Foley het opschrijft: The pursuit of happiness makes unhappyJames Foley — Age of Absurdity.

Als altruïsme bestond, had iedereen maar één nier en waren zowel de bankrekening als de koelkast precies zo vol als nodig was. Bovendien was er dan net zoveel zorg voor alle andere kinderen op de wereld als voor je eigen. Iedereen zou netjes alle rijkdom verdelen en er waren geen daklozenPaul Bloom — Against Empathy, p 162. Je kunt niet een puur altruïst zijn én je familie op de eerste plek hebben, hoewel beide overtuigingen kunnen worden uitgelegd als een deugd. Daarom is er dus wel plek voor morele compassie en niet (echt) voor empathie. Om een goed mens te zijn zul je onderscheid moeten maken tussen jezelf, je omgeving en de rest van de wereld. En op die manier heeft MansonMark Manson — The subtle art of not giving a f*ck wél weer gelijk: als je in totaal 100 f*cks zou kunnen geven, dan zullen de meesten voor jou en je omgeving zijn en de minderheid voor de rest van de wereld.

Hoofdstuk 3

Tijd lozen

Tuin

In 1980 reageerde de Britse Lucy Irvine op een contactadvertentie. Het was niet zomaar een oproep om nader kennis te maken en daarna maar even te zien waar het spreekwoordelijke schip zou stranden, maar een vrij specifiek verzoek met een letterlijk strandend schip. Dat specifieke verzoek kwam namelijk van de schrijver Gerald Kingsland die een vrouw zocht om mee te trouwen en er daarna dan samen mee op een eiland in de Torres Strait, tussen Australië en Papoea-Nieuw Guinea, te gaan wonen. Op dit verzoek reageerde die Lucy, samen met een aantal anderen. Gerald koos haar en andersom. Ze trouwden, vlogen naar Australië en namen de boot naar het eiland.

Dat eiland waarop ze samen zouden gaan leven is het huidige Barney Islandhttps://goo.gl/maps/BwhVfRBNAGENA51v6, maar werd destijds Tuin genoemd door de lokale bevolking. Het was een klein eiland. Zo'n twee kilometer lang en nergens breder dan 500 meter. Een desolate plek. Er was niet zo veel. Wat kokospalmen, twee verdwaalde mangobomen, wat lokale fazanten, een paar hagedissen, heel diep in de grond wat zoet water en verder een eindeloze zee die het eiland omringde.

Er was ook niet echt een doel van Gerald (en Lucy). Ze zouden er een jaar gaan wonen. Kingsland was schrijver en wilde de ervaring optekenen in een boek. Uiteindelijk is het boek dat Irvine zou schrijven, CastawayLucy Irvine — Castaway, populair geworden. Het boek vertelt over haar leven op het eiland, haar relatie met Kingsland en de liefde die ze wel voelde voor de afgelegen plek maar nauwelijks voor Kingsland).

De twee hadden wat moderne gemakken meegenomen. Zo was er de typemachine voor Gerald en kon een enorme voorraad thee ook niet ontbreken in het proviand van Irvine. Verder namen ze een tent, een paar gereedschappen, wat rijst en andere voedingsmiddelen mee. Het eiland bood wat betreft natuurlijke hulpbronnen niet veel, maar de zee zat vol met vis en schelpen. Om die te vangen waren er hengels meegebracht.

De oorverdovende saaiheid gepaard met verveling werd in het begin vooral door Irvine opgemerkt. Kingsland, die ook door ziekte wat verzwakt was, had als oorlogsveteraan al een avontuurlijk leven achter zich, en kon zich niet bekommeren door de drang om iets te doen. Irvine wel, en ze doet zichzelf in haar boek voorkomen als energiek ondernemend persoon, in tegenstelling tot haar eilandgenoot en wederhelft.

Geleidelijk ontdekte ook Irvine dat er op zo'n afgelegen plek maar een paar dingen belangrijk zijn, waarbij de prioriteit ligt bij in leven blijven. Als er genoeg voedsel voorradig is—en dat was er niet altijd—dan kan pas iets anders belangrijk worden. Maar wat dan? Er was niets. Er was in de nabije toekomst ook niets. Alleen het nu en het eiland. Langzaam werd een modern leven met plannen en doelen ingeruild door het ritme van het eiland. Ze schrijft:

Geleidelijk aan, binnen en buiten de banaliteiten van de routine, vestigde het ritme van Tuin zich. Zon, maan en getij zwaaiden met een onverbiddelijk stokje, voerden al onze bewegingen uit en dicteerden ons wanneer het tijd was om te vissen, tijd om te werken en tijd om te rusten. En toch, binnen de metronomische beperkingen van hitte en dag en nacht, waren we vrij om te bloeien. Om te overleven moet men zich conformeren. Als het conformiteitspatroon is vastgesteld, kunt u zien waar uw vrijheden liggen.

Lucy Irvine

De klok bepaalde niet of het tijd was om te eten, maar het getij bepaalde of het gemakkelijk vissen was, waardoor de maaltijd pas op 'tafel' kwam als de vis gevangen was. Als de vis gevangen was, want dat was geen zekerheid. Irvine beschrijft bovendien in haar boek het wachten op het regenseizoen, waarna pas de meegebrachte groentezaden kunnen worden geplant en vruchten van fruitbomen kunnen worden geplukt. Het leven volgde geen planning, maar andersom. Het ritme van dag en nacht, van getijden, van nieuwe en volle maan, van wel of geen neerslag, bepaalt wat er gebeurt.

Het boek van Irvine deed me denken aan een verre voorouder van me. Ik heb het niet over Uremōndōgle, maar een voorouder aan de andere kant van mijn familiestamboom. N'Gabe heette die voorouder, die een paar duizend jaar geleden leefde. N'Gabe en zijn stam gebruikten vooral handgebaren om met elkaar te communiceren, maar N'Gabe had bedacht dat dat nogal primitief was en begon oerklanken toe te wijzen aan concepten. In de bètaversie van zijn mensenvocabulaire gebruikte hij voor die tijd zeer belangrijke woorden. Daar, eten, vis, vogel, slang, licht, donker, mens, niet-mens, water, groot, rond, ik, jij. Dat soort concepten en tegenstellingen. En de woorden ervoor waren simpel, met een enkele lettergreep. Er werd door N'Gabe echter ook een ander onderscheid gemaakt. Voor het eerst sprak hij over het verschil in tijd. Hij introduceerde de woorden toen en nu. Zo maakte hij plotseling een verschil tussen iets wat voorheen was gebeurd, toen-tijd en dingen die nieuw waren en nu gebeuren, in de nu-tijd. Etymologisch zijn de woorden nu en nieuw trouwens ook verwantIk vind het ook mooi om de eilandnaam Tuin toe te schrijven aan dezelfde etymologische herkomst, maar dat slaat feitelijk nergens op., want ze stammen allebei af van het idee van N'Gabe voor niet-toen.

Dat onderscheid tussen toen en nu was zeer bijzonder voor de stam en de nazaten van N'Gabe. Voorheen was het leven namelijk net als wat Lucy Irvine in Castaway zou beschrijven: er was een dag en een nacht, er was een seizoen waarin voedsel talrijk was en er was een seizoen waarin het moeilijker te vinden was en er andere dingen werden gegeten en er was maanlicht waarbij het gemakkelijker 's nachts jagen was. En, als N'Gabe et al het strand bezochten, hadden ze ook te maken met eb en vloed. De tijd verliep circulair (maar het is de vraag of de mensen van toen circels als concept snapten). Van het ene in het andere en zo maar door. Ik zou hier de hele tijd willen schrijven maar dat is misschien een beetje verwarrend.

Tot N'Gabe de woorden toen en nu uitvond dus. Er was opeens een verschil. De toen-tijd werd de tijd van de voorouders, die werden vereerd. De nu-tijd was alles wat erna kwam. Het was niet zo dat die concepten nieuw waren. Mensen konden heus wel snappen dat er dingen waren gebeurd en ook op dit moment gebeuren, net als sommige dieren, maar het was wel nieuw dat er woorden voor waren.

En vanaf die woorden van N'Gabe was er stront aan de knikker. Hij had tijd bedacht.

De moord op tijd

Onze innerlijke kracht reageert, wanneer het de natuur gehoorzaamt, op gebeurtenissen door zich aan te passen aan datgene waarmee het wordt geconfronteerd - aan wat mogelijk is. Het heeft geen specifiek materiaal nodig. Het streeft zijn eigen doelen na, voor zover de omstandigheden het toelaten; het verandert obstakels in brandstof. Zoals een vuur overweldigt wat een lamp zou hebben gedoofd. Wat bovenop de vuurzee wordt gegooid, wordt erdoor opgenomen, geconsumeerd - en zorgt ervoor dat het nog hoger brandt.

Marcus Aurelius

Er is een realiteit en (…) het bestaat uit andere mensen, maar ook van een grotere natuurlijke orde waarnaar we zouden moeten luisteren, in plaats van altijd te praten en tijd en ruimte te vullen met onze subjectieve verlangens en waarnemingen.

Svend BrinkmannSvend Brinkmann — The Joy of Missing Out: The Art of Self-Restraint in an Age of Excess

Een paar duizend jaar geleden gebruikten de oude maar ook de jonge Grieken twee woorden voor tijd: chronos, voor tijd op de klok en kairos, wat een wat moeilijker uit te leggen term is voor het juiste moment. Chronos en Kairos zijn trouwens twee goden uit de Griekse mythologie. Chronos en Kairos waren ook verwant. De ene bron noemt ze broers, de andere vader en zoon en weer een andere bron zegt dat ze jaarclubgenoten van Vindicat waren. Het grote verschil tussen Chronos en Kairos is dat waar Chronos voor staat in de westerse wereld het meest bekend is: kloktijd. En kloktijd heeft een wisselkoers met geld. Als je iets kunt meten in tijd, kun je het ook meten in geld. En dat gebeurt ook. Een uur slaap is even lang als een uur je administratie doen. Je kunt alles prima omrekenen naar een uurtarief en dus naar geld. Kairos daarentegen staat voor het juiste moment. Of, om met de woorden van Johan Cruijff te spreken, er is maar één moment dat je op tijd kunt komen. Kairos is daarmee ook meer de tijd van N'Gabe. Je kunt wel oesters gaan zoeken bij vloed, maar bij eb liggen ze voor het oprapen. Je kunt proberen toevallig een vogel te raken als je een pijl met een boog afschiet in de lucht, maar er is maar één moment waarop je de vogel precies op de juiste plek raakt. Je kunt als boer wel zaden gaan zaaien in het najaar, maar dan mislukt je oogst (behalve bij boerenkool). Je plukt geen vruchten op een datum, maar wanneer ze rijp zijn. Kairos is het juiste moment. Dat heeft niets met kloktijd te maken, maar wel met tijd.

Joke Hermsen gaat er in haar boek KairosJoke Hermsen — Kairos: een nieuwe bevlogenheid nog dieper op in. Waar Chronos staat voor continuïteit, betekent Kairos juist een tijdelijke onderbreking ervan, schrijft ze. Het boek is een pleidooi voor Kairos, omdat we als moderne mens volgens haar te veel Chronos vereren. Volgens Hermsen is Chronos de praktische tijd waarmee we de wereld inrichten, afspraken maken en agenda's bijhouden. Ze haalt ook de Duitse filosoof Paul Tillich aanHermsen noemt Tillichs boek in Philosophie und Schicksal, die meent dat tijd geen recht kan doen aan het veranderlijke karakter van de wereld noch aan onze subjectieve ervaring van tijd. Een uur kan al naar gelang onze stemming, leeftijd of bezigheid voortkruipen of voortrazen, versnellen of vertragen, maar op de klok zal elk uur altijd gelijk elk ander uur zijn. De kloktijd Chronos is de economische tijd en vraagt om een meer subjectieve benadering, aldus Hermsen.

Het probleem van Chronos en Kairos in de moderne tijd is dat ze elkaar lijken uit te sluiten. In een wereld waar alleen kloktijd gebruikt lijkt te worden, kan (en moet) alles gepland worden. Het geschikte moment is dan altijd op een agenda in te tekenen, te berekenen, te analyseren, vooruit te redeneren. Maar wie is er niet plotseling overvallen door plotselinge motivatie om iets te doen, een toevallige ontmoeting waaruit iets moois voortkwam, een ongepland dutje of een moment van bezinning dat niet in de agenda als moment van bezinning stond? Kairos leeft nog, maar we proberen hem te vermoorden met onze agenda's.

Waar in de tijd van N'Gabe sommige momenten het beste moment waren voor spelen, kunst, rituelen en dans, is er nu gewoon op dinsdagmiddag dansles. Het is steeds minder inshallah maar steeds meer iedere eerste vrijdag van de maand. Chronos en de planbare tijd hebben niet alleen de toevalligheid naar de achtergrond verdrongen, maar hebben ook meer en meer voedingsbodem gegeven voor individualisme. Geen eb en vloed, dag en nacht of droog en regen, maar agendapunten, afspraken en geplande brainstormsessies. Niet kijken naar wat de aarde ons nu biedt maar verwachten en voorspellen wat we in de toekomst kunnen nemen. Het is niet meer een aap eten als er toevallig een aap is tijdens een jachtpartij, maar sperziebonen buiten het seizoen kopen omdat er een aansprekend recept met sperziebonen op je scherm verscheen. Chronos is jezelf als eigenaar van het lot zien. Kairos is de toevalligheid accepteren.

Er was een periode dat Chronos en Kairos enigszins te verenigen waren. Er was wel een klok, maar die was gebaseerd op de zon. Tot iets meer dan honderd jaar geleden hadden steden die niet zo ver van elkaar lagen nog verschillende tijdzones.

Zo kende de staat Illinois zevenentwintig verschillende tijdzones en Wisconsin had er zelfs achtendertig. Op het station van Pittsburgh hingen zes klokken, die allemaal een andere tijd aanwezen. Als het op een klok in Washington D.C. twaalf uur 's middags was, was het acht over twaalf in Philadelphia, twaalf over twaalf in New York en zes voor halféén in Boston.

Matthew GoodmanMatthew Goodman — 80 Dagen: een race om de wereld

De spoorwegmaatschappijen besloten vanwege steeds sneller rijdende treinen vier tijdzones te gebruiken in de Verenigde Staten, zonder daarvoor de president om toestemming te vragen. Dit maakte reizen, plannen en spoorboekjes gemakkelijker. Treinen konden zo ook elkaar niet meer tegemoet rijden op hetzelfde spoor. Waar je voorheen op tijd was als je op de afgesproken dag arriveerde, was je sinds 1883 alleen nog maar op tijd als je arriveerde op de minuut nauwkeurig.

Kloktijd luidde het einde van toevalligheid in. Het was ook direct het begin van termen als ontspanning, vrije tijd en niets doen. Drie termen ten opzichte van iets anders. Als we leren over de tijdsindeling van mensen in de tijd van N'Gabe, dan kunnen we alleen nog maar een chronosparadigma gebruiken. Mensen uit de prehistorie werkten maar drie uur per dag wordt er dan gezegd, terwijl N'Gabe niet eens wist wat werken betekende en bovendien geen horloge droeg en niet wist wat uren waren. Als N'Gabe niets aan het doen was, was hij zich er niet van bewust dat het niets was en ook niet dat hij iets (niet) aan het doen was.

De spoorwegen hadden de tijd gelijk getrokken tussen plekken die niet direct met elkaar verbonden waren. Er waren klokken met exacte tijdstippen en het was dan precies dezelfde tijd op twee plekken enkele honderden kilometers van elkaar vandaan. De dag begon niet meer als de zon opkwam, de dag begon als de klok het zei dat de dag begon. Toch deed de trein er uren over om van de ene naar de andere plek te gaan, waardoor er nog een zeker idee van tijdloosheid kon zijn. De knock-out voor Kairos kwam toen telegraafkabels werden aangelegd. Nu konden er berichten tussen India en Groot-Brittanië worden verstuurd die binnen een paar minuten aan kwamen. Chronos had de wereld veroverd.

Ze hebben de tijdloze dingen gewekt;
ze hebben hun Vader Tijd vermoordRudyard Kipling - The Deep-Sea Cables

Rudyard Kipling

Haast

Als hun magen knorren, kijken ze naar hun horloge om te zien of het tijd is om te eten.

Alan LightmanAlan Lightman — In Praise of Wasting Time

We zijn verslaafd aan tijd. Het juiste moment bestaat vaak alleen ten opzichte van andere momenten die zijn vastgelegd. De duur van het moment is een proxy voor het moment zelf. En we weten dat het een surrogaat is. Als we spreken over een mooie tijd dan hebben we het niet over de tijd maar over het mooieRobert M. Pirsig — Zen and the Art of Motorcycle Maintenance: An Inquiry Into Values. Ondanks dat niemand zich de duur van iets herinnert, leggen we toch altijd voornamelijk de duur vast. Strak gepland.

We zijn niet alleen verslaafd aan tijd maar ook aan snelheid. Dat is wat verslaving is. Zoveel mogelijk tijd verzamelen ten koste van iets anders. Alles proberen zo snel mogelijk te doen zodat we tijd over hebben om nog meer dingen zo snel mogelijk te doen. Er is geen einde aan. Hoe vaak is er niet voorspeld dat automatisering ervoor zou zorgen dat we minder zijn gaan doen? We zijn alleen maar meer gaan doen. Als er iemand een efficiënte oplossing voor een probleem heeft bedacht, is er wel weer een nieuwe idioot die de vrijgekomen tijd gaat besteden om iets nieuws efficiënt te maken. Waarom levert technologische vooruitgang geen tijdswinst opSvend Brinkmann — Standvastig? Het enige wat we doen is geilen op snelheid.

Oude Romeinen (die kwamen na oude Grieken) hadden twee soorten tijd: negotium, voor de tijd die werd besteed aan werk en verplichtingen, en otium, vertaald naar hedendaagse vrije tijd (terwijl leisure eigenlijk mooier is), voor lezen, schrijven, denken, filosoferen en zelfreflectieAlan Lightman — In Praise of Wasting Time. Tegenwoordig heet het niet meer otium maar kan een online coach je wel tegen betaling in een gepland seminar uitleggen hoe je je gelukshormonen kunt activeren.

Tot aan zo'n tweehonderd jaar geleden waren deze twee soorten tijd mooi in balans. Ze werden niet in spreadsheets bijgehouden, maar er waren ook nog geen 40-urige werkweken zoals nu of 80-urige zoals aan het begin van de industriële revolutie. De klok was niet de tijd, zoals de kaart niet het terrein is. Natuurlijke fenomenen als tijd en ruimte kunnen niet in een kunstmatig technologisch intellectueel concept worden gepropt. Objectief gezien is er geen te weinig tijdPaul Smeets, maar wel als we de klok gelijk stellen aan tijd. Het maakt dat de zintuigen worden losgekoppeld en we de klok zijn gaan vererenNicholas Carr — The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains. Althans, we plannen toiletbezoeken nog niet.

Vrij van haast, onzorgvuldig over nauwkeurigheid, niet bezorgd over productiviteit.

Jacques Le Goff

Als iedere activiteit in te delen is op een kalender, wordt iedere activiteit een project. Omdat we hebben afgesproken dat tijd af te bakenen is, kun je afspraken maken met anderen. Een afspraak is niets minder en niets meer dan het vaststellen van een status en een periode of tijdstip. Maar als er geen einde is aan efficiëntie, dan is er ook altijd haast. Als je iets (een activiteit of een plek) op een bepaald tijdstip op de klok moet bereiken, dan heb je per definitie haast, ook al duurt het 48 jaar. In een projectmaatschappij zijn alle mogelijke activiteiten en praktijkvormen tot projecten omgevormd, die vaak vluchtig, kortdurend en reconstrueerbaar zijn. We overboeken onszelf met afspraken en projecten, in een poging om de capaciteit volledig te benutten. En omdat onze verplichtingen alleen projecten zijn geworden, zijn ze tijdelijk en kunnen ze aangepast worden als er iets interessanter op de radar verschijnt aldus Anders Fogh Jensen die door Svend Brinkmann in zijn boek Standvastig wordt geciteerdSvend Brinkmann — Standvastig.

Snelheid is een doel op zich geworden. Als het tijd, of negotium, opleverde of de balans tussen otium en negotium bleef bestaan, dan is het goed, maar dat doet het niet. Als we onszelf er steeds aan blijven herinneren dat we tijd gebruiken, besteden, verspillen en verliezen, dan zien we de klok steeds meer als sleutel tot persoonlijke prestaties en productiviteitNicholas Carr — The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains. Als tijd lijkt te vliegen, moet er afstand tussen het zelf en de tijd zijnJulian Baggini — How the World Thinks: A Global History of Philosophy. Dat is ook zo. Die afstand heet de klok.

Heet-koud

De reden waarom zoveel weloverwogen ideeën achteraf belachelijk lijken, is dat mensen er onwillekeurig van uitgaan dat wat we nu geloven en waar we nu prioriteit aan geven, ook later zal worden geloofd en geprioriteerd, ook al gebeurt dat bijna nooit.Chuck Klosterman — But What If We're Wrong?: Thinking About the Present As If It Were the Past

Chuck Klosterman

Er zijn songs waarnaar ik nooit meer zal luisteren, maar dat zijn niet degene die me aan slechte tijden doen denken. Het zijn bepaalde songs van lang geleden toen alles nog van goud was, of ik dat nu besefte of niet. Die kan ik niet uitstaan. Die doen pijn. En wat heeft het voor zin om jezelf dat aan te doen?Anthony Bourdain - Vlijmscherp

Anthony Bourdain

Planning is de verpersoonlijking van wensdenken.Cal Newport — Deep Work: Rules for Focused Success in a Distracted World

Cal Newport

In de fitnessindustrie zijn er twee periodes waarin mensen zich massaal inschrijven voor sportscholen en er een piek is in het aantal verkochte dieetboeken. In deze periodes worden ook de meeste supplementen en eiwitpoeders verkocht, zijn de genoemde sportscholen het drukstbezocht en doen verkopers van sportkleding en thuisfitnessattributen goede zaken. Deze piekperiodes zijn de maanden januari en september.

In januari begint voor zo'n beetje ieder mens een nieuwe periode in de kalender. Het is ook precies de periode na een week van schranspartijen en gesprekken met naasten die soms gedurende de rest van het jaar niet de dagelijkse omgeving vormen. Het zorgt ervoor dat mensen gaan reflecteren op gewoontes en de resultaten van die gewoontes en dat combineren met onzekerheid over hun voorkomen ten opzichte van hun naasten, vergeleken met het jaar ervoor. Vaak is de conclusie dit kan zo niet langer en zijn mensen gemotiveerd om wat te doen aan hun fysieke gesteldheid, vaak onder de noemer fitter worden. Zo'n periode van bezinning zorgt er vaak voor dat er kan worden gevoeld. Haast neemt af, bezinning neemt toe.

In september begint er vaak ook een nieuwe periode. Ook deze maand volgt op een zeldzame onderbreking van routines. Het is de periode na een zomervakantie, waarin omgeving en structuren anders waren dan normaal. September, net als januari, volgt op een moment van bezinning, een periode van zelfreflectie. Het zijn de momenten waarop kan worden nagedacht en stil kan worden gestaan. September volgt op een ontspannen vakantieperiode, waarin vaak wordt gedacht als ik straks weer aan het werk ben en mijn vaste structuur heb, ga ik ook weer naar de gym. Ook in september speelt onzekerheid een rol in deze beslissing om fit te worden. Een afkeurende blik in de spiegel over de fysieke gesteldheid van het lijf in de zomerperiode zorgt voor een extra zetje richting de gym.

De eerste maandag in januari en september is iedere gym druk. Iedereen met goede voornemens staat daar zichzelf in het zweet te werken. Gemotiveerd ook. Een prachtige start. De eerste maandag van de nieuwe periode is direct al anders. Maar dan vervaagt al snel die motivatie en discipline, tot er een maand later bijna niemand meer doet wat er is beloofd aan zichzelf. En dat is logisch.

De reden voor dit verval is een cognitieve bias die een heet-koude empathiekloof wordt genoemd. Deze vertekende gedachtengang zorgt ervoor dat mensen zich vaak niet een andere toestand kunnen voorstellen dan de toestand waarin ze zich nu bevinden. Het is vergelijkbaar met de niet-kalme persoon tegen wie wordt gezegd dat hij moet kalmeren. Hoewel we ons, wanneer we kalm zijn, kunnen voorstellen dat kalm zijn fijner is dan niet-kalm zijn, kunnen we ons het op het niet-kalme moment niet voorstellen. Tegen onrustige mensen zeggen dat ze rustig moeten doen, is bovendien een vorm van de heet-koude empathiekloof omdat we ons ook niet voor kunnen stellen dat onrustige mensen er niet aan kunnen denken om rustig te worden.

Hetzelfde geldt dus voor motivatie om te werken aan fysieke gezondheid. In periodes waarin men gemotiveerd is, is het moeilijk zich voor te stellen dat er periodes gaan zijn zonder motivatie. Andersom ook. Op een moment van bezinning neem je andere besluiten dan in tijden van stress. Dit verschil in toestand is de koud-hete empathiekloof. Deze kloof is er niet alleen op het gebied van gymmotivatie, maar ook op andere vlakken. Ieder mens heeft moeite om zich in een bepaalde toestand voor te stellen hoe het is om beslissingen te nemen of activiteiten te ondernemen in een toestand met een andere temperatuur. Niet alleen tussen persoonlijke lichamelijke toestanden (heet of koud), maar ook in tijd en tussen mensen. Kortom, homo economicus bestaat niet. Althans, een in de toekomst levende homo economicus niet.

De heet-koude empathiekloof is een reden waarom voorspellingen zinloos zijn. Maar het is niet genoeg. Het is zeer arrogant en niet-integer om te denken dat je kunt voorspellen wat er in de nabije of verre toekomst gaat gebeuren als je er geen invloed op hebt en bovendien nauwelijks in staat bent om te weten hoe je eigen toekomst eruit gaat zien. Trendwatchers en opiniemakers zijn de domste beroepen op aarde. We doen net alsof alles in Chronos moet bestaan. Het lijkt alsof we in een wereld leven waarin alles voorspelbaar moet zijn, zodat er controle op kan worden uitgeoefend, zodat er geld aan kan worden verdiend, zodat het gemanaget kan worden.

Uitstelgedrag bestaat omdat alles Chronos is terwijl Kairos nodig is. Het juiste moment is niet te plannen. Uitstelgedrag bestaat omdat we de klok hebben bedacht. Zonder klok kun je niet uitstellen. Uitstelgedrag is geen teken van zwakte, maar een verkeerde interpretatie van tijd.

Doelloos

Perfectionisme is een cognitieve vervorming - het idee dat dingen ooit perfect kunnen zijn, wat ze niet kunnen. Het vasthouden aan deze mentaliteit leidt niet tot productiviteit of trots. In plaats daarvan is er een correlatie met depressie.https://www.kinfolk.com/against-perfectionism

Tamar Chansky

Doelen zijn voor de ongemotiveerden.Joshua Fields Millburn en Colin Wright — A Day in the Life of a Minimalist

Joshua Fields Millburn

Mensen die vinden dat je doelen moet stellen en planningen moet maken zijn onderdeel van het overlevingsvooroordeel (beter: survivorship bias) dat beschrijft hoe er wordt gefocust op de overlevers van een selectieprocedure door aan te nemen dat de manier van overleven de juiste is, zonder te kijken naar de afvallers. Deze mensen zijn allemaal onderdeel van de succesparadoxDit heet niet letterlijk zo, maar Bas Haring beschrijft het fenomeen in het zijn boek Voor een succesvol leven.. De paradox waarin ook alleen succesvolle mensen op podia staan te verkondigen dat je succesvol moet zijn, terwijl mensen die het daarmee oneens zijn, nooit een podium zouden beklimmen om dat te vertellen. Het boeit ze niet. Combineer het overlevingsvooroordeel met de succesparadox en we gaan denken dat het belangrijk is om doelen te stellen om succesvol te zijn.

Wanneer het niet lukt om je aan planningen te houden en doelen te halen, zijn degenen die roepen dat dat wel moet er als de kippen bij om je een boek of cursus te verkopen waarin uitvoering staat beschreven hoe en waarom het wel moet, zodat je weer opnieuw kunt falen en weer nieuwe troep kunt kopen in je eeuwige drang naar zelfverbetering. Het is een fout om te denken dat er een recept of blauwdruk is voor succes. En wat is succes eigenlijk?

Succes is letterlijk enkel iets dat voortduurt. Succes zit niet in het behalen van een doel door het eren van een planning, maar juist in het voortduren van acties. Daarom hamert iedere fatsoenlijke (misschien wel succesvolle) coach ook zo op systemen en gewoonten in plaats van resultaten. Als we ons vooral kunnen focussen op wat er nu, op dit moment, gebeurt, dan kunnen we alleen onze waarden, normen en deugden aanspreken om nu de juiste keuze te maken. En omdát we niet in de toekomst kunnen kijken moeten we juist nu iets doen. De kosten van je goede gewoonten liggen in het nu, de kosten van je slechte gewoonten liggen in de toekomstJames Clear - Atomic Habits. Door nu iets te doen, maak je zelf een keuze, leg je iets vast en handel je autonoom. Door te hopen dat er in de toekomst iets gebeurt, zijn alle opties tot dat moment open. Waarom zou je nu een uitkomst vaststellen voor iets ver in de toekomst? En als je op magische wijze je doel hebt behaald, wat dan? Ben je dan gelukkig? Kun je dan met een opgeruimd hoofd een latte kopen? Wat komt erna?

Het zoeken naar en stellen van doelen is neurobiologie vermengd met een verslaving aan tijd. Mensen zijn probleemoplossers. Het zit in ze om orde te willen scheppen in de chaos. We zijn niet op zoek naar een neutrale staat, maar naar een betere staat. We hebben geen plezier in het bestaan, tenzij we ergens naar streven riep Schopenhauer. Maar dat streven is niet voorwaardelijk. Het is niet een instrument. Het is iets subsistent (werkelijk bestaand) consistent (regelmatig, constant) persistent (doorstaan, volhardend) doen. Op dit moment. Het is verstandiger om je best te doen wat nu binnen je controle ligt dan te hopen en wensen op iets wat eventueel straks buiten je controle ligt. Het verklaart ook het succes van de sport crossfit: de uitdagingen zijn vermakelijk en het fysiologische en esthetische resultaat komen vanzelf. Het lijkt wel alsof het idee van systemen de systemen zelf zijn, niet de uitkomst. Alsof systemen geen instrument moeten zijn maar dagelijkse vermakelijke acties.

Als er een weg naar geluk bestaat, dan is het oplossen van dagelijkse problemen daar een onderdeel van, niet het proberen te behalen van een doel in de toekomst. Onsuccesvol zijn is alleen pijnlijk als je succes nastreeft, maar het enige succes dat telt is dagelijks je best doen. Het goede kent geen tijd. We kunnen weer terug naar de deugdenlijst van Aristoteles.

J

Alles met mate, inclusief matiging.

Oscar Wilde

Ik kan alles weerstaan, behalve verleiding.

Oscar Wilde

Er is een manier om een verslaving aan tijd op te lossen. Deze optie, via negativa, is latijn voor de negatieve weg en betekent in dit geval verbetering door het weglaten. Minimalisme zou je het ook kunnen noemen. Less is more, als je van cliché's houdt. Door minder van het één te doen, is er meer van het ander. De verhouding negotium en otium wordt beter. Minder Chronos, meer Kairos. Maar hoe dan?

We zijn verslaafd aan tijd omdat iedereen verslaafd is aan tijd. Het is lastig om te weten wat normaal is in een land vol gekken. Je kunt het vergelijken met verslavingen aan geld, status en macht. Je kunt er alleen verslaafd aan raken als er meer mensen verslaafd aan zijn. En wat te denken van internet en sociale media? In het boek In Praise of Wasting Time heeft auteur Alan Lightman het over verbondenheid met the grid en dat er een gevoel van onbehagen ontstaat als die verbondenheid er niet is. Door altijd verbonden te zijn (met anderen, maar ook met het gezichtsloze netwerk an sich), is er altijd een gevoel van alertheid. Impulsen kunnen niet worden bedwongen omdat de mogelijkheid tot reageren en delen te gemakkelijk is. Internet schakelt contemplatie en daarna reflectie uit. Daar komt volgens de Lightman nog eens bij dat tijd geld is en dat tijdsbesparingen geen tijd opleveren, maar geld. Een tijdsbesparing brengt eigenlijk alleen meer druk met zich mee om nog meer geld te verdienen. En dus stress en angst. Daar is volgens Lightman downtime, in tegenstelling tot bij een technologisch grid, juist een remedie tegenAlan Lightman — In Praise of Wasting Time.

Over een specifiek onderdeel van deze remedie downtime schreef Svend Brinkmann een boek. In dat boek stelt Brinkmann dat het bombardement van uitnodigingen (afspraken in tijd en tijdsduur), in de breedste zin van het woord, van advertenties op straat tot aan sociale media, problematisch zijn. Daarom is het belangrijk om naar deugden te kijken, en in het bijzonder de gemeenschappelijke eigenschap van alle deugden: matiging. Het boek van Brinkmann is een antwoord op een sociaal-psychologisch probleem dat we kennen als FOMO, een afkorting voor fear of missing out. Deze term werd in 1996 door Dan Herman voor het eerst gebruikt om te beschrijven hoe mensen de ambitie hebben om alle beschikbare mogelijkheden uit te proberenhttps://link.springer.com/article/10.1057/bm.2000.23. Logisch dat FOMO meer en meer een probleem wordt naarmate er meer opties komen. Het is de keuzeparadox beschreven door Barry SchwartzBarry Schwartz — The Paradox of Choice - Why More Is Less gecombineerd met wat Søren Kierkegaard beschrijft als duizeligheid van vrijheidSøren Kierkegaard — The Concept of Anxiety en het menselijke verlangen tot een groep te willen behoren (en misschien verzameldrift). Zygmunt Bauman noemt het vloeibaar modernisme, een samenleving waarin mensen constant worden aangespoord om hun nieuwe dromen na te jagen met hun creditcardZygmunt Bauman — Liquid Modernity.

Het boek van Brinkmann stelt dat we van de nood een (letterlijke) deugd moeten maken en we voor het tegenovergestelde JOMO moeten gaan: joy of missing out. Dit is ook de letterlijke titel van zijn boek. Als argument gebruikt Brinkmann onder andere de hedonistische tredmolen, een door hem als tragisch beschreven psychologisch fenomeen waarbij mensen snel gewend raken aan een prestatie, activiteit, object, relatie, eigenschap of ervaring en vervolgens op zoek gaan naar iets nieuwer en beter, tot de dood ons verlost van deze tragiek. Verder stelt hij dat de snelheid waarmee veranderingen in de maatschappij zich opvolgen en een steeds grotere ongelijkheid bijdragen aan een steeds sneller bewegende hedonistische tredmolen. Mensen zien steeds meer, willen steeds meer en willen het ook steeds sneller. Deze constante vergelijkingen maken bovendien een maatschappij hyperindividualistisch, als iedereen nog maar aan zichzelf denkt ten opzichte van vele anderen. Een uiting van deze problemen op een hoger niveau is dat economie en politiek er altijd op waren gericht om in behoeften te voorzien maar juist nu constant proberen nieuwe behoeften te creëren waardoor die tredmolen nog een versnelling hoger staat.Svend Brinkmann — The Joy of Missing Out: The Art of Self-Restraint in an Age of Excess

Zonder de term te gebruiken wijst Brinkmann autonomie aan als oplossing voor dit problemenIk voel me zo vrij om deze interpretatie te doen., met behulp van de eerder genoemde twee sporen van de vrijheidstrein: de positieve en negatieve vrijheid. In zijn uitleg is negatieve vrijheid omgevormd tot een platte how-to-happinessGeen letterlijke quote van Brinkmann die we minimalisme zijn gaan noemen, waar de focus nog steeds ligt op consumptie (van minimalisme) zonder sociale dimensie of diepgaande afweging van onderliggende waardenWel een letterlijke quote van Brinkmann. Positieve vrijheid daarentegen is waar we volgens hem naar zouden moeten zoeken. De mogelijkheid om te lezen, schrijven, berekenen, beargumenteren en deelnemen aan democratie en de verantwoordelijkheid nemen voor onze eigen levens maar ook voor die van het collectief. Deze vrijheid veronderstelt een volwassen geest en de ontwikkeling van inzichten en mogelijkheden, of het individu ze nu wil of niet, aldus Brinkmann.

Het is natuurlijk wel de vraag of we het verminderen van de ene vrijheid moeten oplossen met het toevoegen van de andere vrijheid.

Om het verhaal rond te maken nodigt Brinkmann in zijn boek Kierkegaard uit, die vertelt dat je alleen maar één ding kunt willen en dat is het goede, omdat het goede ondeelbaar en compleet is. Aristoteles kopt Kierkegaards voorzet met terugwerkende kracht in de kruising, door te stellen dat de deugden in het midden van twee ondeugden liggen. Karakter betekent dat je zowel ja als nee kunt zeggen, dat we controle hebben op onze impulsen. Zonder dit vermogen missen we integriteit en een betrouwbare moraalSvend Brinkmann — The Joy of Missing Out: The Art of Self-Restraint in an Age of Excess.

Hoewel je JOMO kunt zien als een oplossing voor FOMO of een manier om FOMO te kaderen en te begrijpen, zit in beide acroniemen stiekem instrumentalisme verborgen: het zijn blijdschap (of geluk) en angst ten opzichte van iets anders. We kunnen concluderen dat snelheid, tijd, individualisme en constante verbinding samen zorgen voor sociale problemen waartegen oplossingen bestaan, maar de belangrijkste vraag blijft staan:

Is het mogelijk om gelukkig te zijn voordat er iets gebeurt?

Sam Harris

Wandelrust

Landschap, zegt Wang Wei, verzacht de scherpe randjes van isolatie.
Doe niet zomaar iets, zit.
En dat heb ik gedaan, dat heb ik gedaan,
de seizoenen cirkelen om me heen als rook,
Naar het einde van de aarde en terug gegaan zonder een geluid.Charles Wright — A Short History of the Shadow

Charles Wright

Je bent een verspilling van leeftijd.Deze quote is niet echt van Keaton Patti, maar komt uit een waarschijnlijk door een robot geschreven filmscript.

Keaton Patti

Door te weigeren de trein te moeten halen, heb ik de ware waarde van elegantie en esthetiek in gedrag gevoeld, het gevoel controle te hebben over mijn tijd, mijn schema en mijn leven. Een trein missen is alleen pijnlijk als je er achteraan rent!

Nassim Taleb

En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

Genesis 2:7

Er is naast via negativa een andere manier om een verslaving aan tijd op te lossen en dat is via nihil. Deze Latijnse term heb ik met behulp van Google Translate zelf bedacht en er de betekenis geen weg of de weg zonder wegMisschien is dit ook wel The Pathless Path maar ik heb dat boek niet gelezen. aan gegeven. Het is niets doen.

Wanneer je veel dingen te doen hebt, gaat de tijd snel. Als je weinig dingen te doen hebt, gaat de tijd langzaam. Als je geen dingen te doen hebt, kun je jezelf van tijd verwijderen. Volgens Frédéric Gros maakt dagenlang wandelen je leven langer. Haast en snelheid accelereren volgens hem de tijd, waardoor de tijd verkortFrédéric Gros — The Philosophy of Walking. Volgens econoom Paul Smeets van de Universiteit van Maastricht worden mensen het meest gelukkig van zelfgekozen activiteiten. Je hoeft je niet als Odysseus te laten vastbinden aan de mast om de lokroep van de Sirenen te kunnen weerstaan, maar je mag de metafoor best gebruiken.

Laten we ervan uitgaan dat de basis van het leven verveling is. Als we het besef van onze eigen sterfelijkheid (zie Albert Camus), eenzaamheid (zie Erich Fromm) en nietigheid (zie Carl Sagan) niet onder ogen willen zien, dan zijn we steeds op zoek naar iets anders, iets zodat we niet na hoeven te denken over deze drie ondraaglijkheden. Om verveling op te lossen zijn er legio mogelijkheden in de wereld. Vrijwel alle mogelijkheden zijn afleidingen. Het zijn opties. Het zijn vrijheden. Zonder een keuze te maken zorgt het onder ogen komen van deze afleidingen enkel voor angst. Aan de andere kant van verveling ligt focus, dat leidt tot geluk. Camus zou zeggen dat, als er geen betekenis is in het leven, je maar iets moet kiezen (we moeten volgens hem begrijpen dat Sisyphus, die zijn hele leven een steen de berg op rolt, gelukkig is met dit lot). Fromm en Sagan zouden je vertellen dat focus leidt tot liefde. Kierkegaard zou het hier mee eens zijn, door te stellen dat je maar één ding kunt willen en dat ene ding is het goede. Misschien dat Aristoteles z'n handtekening er ook wel onder zet. En zo'n beetje alle gelovigen ook, dus wat doe ik hier nog?

Focus is diepte. Afleiding is oppervlakte. Het heet niet voor niets surfen. Onder een steen leven zou een compliment moeten zijn. Een bevestiging van een sterk karakter, van integriteit. Vergeleken met het ideaal van werk als activiteit, impliceert vrije tijd (hier: leisure) (in de eerste plaats) een houding van inactiviteit, van innerlijke rust, van stilte; het betekent niet druk zijn, maar de dingen laten gebeuren, aldus Josef PieperJosef Pieper — Leisure: The Basis of Culture.

Maar hoe komen we dan tot die focus? Wanneer weten we wat de essentie is ons leven? Door niets te doen. Hoe meer je vermoed dat je geen tijd hebt om niets te doen, hoe meer je niets zou moeten doen. Om erachter te komen wat werkelijk essentieel is, hebben we tijd nodig om na te denken, tijd om te kijken en te luisteren, toestemming om te spelen, wijsheid om te slapen en de discipline zeer selectieve criteria toe te passen op de keuzes die we maken schrijft Greg McKeownGreg McKeown — Essentialism: The Disciplined Pursuit of Less. Alles wat in een Chronoswereld als triviale activiteit kan worden gezien. Momenten van crises (bieden) een uitgelezen kans op Kairos bij zijn lok te grijpen, want als de nood het hoogst is, dwingt de tijd je om hem te onderbreken en een kairotisch ogenblik te creëren, zodat de crisis bezworen kan worden, schrijft Joke Hermsen.Joke J. Hermsen — Kairos: een nieuwe bevlogenheid

Het is van belang om soms helemaal geen weg in te slaan, door stil te zitten en te reflecteren, zonder reden. Zonder in de moderne controverse van meditatie te stappen, waarbij het idee van loslaten (van tijd bijvoorbeeld) juist wordt opgeheven door het behalen van streaks, herinnerd door notificaties en upsells voor nieuwe soorten meditatie (met nieuwe doelen). Het beteugelen van afleiding kan alleen door te kiezen voor niets. Tussen opties A tot en met Z kiezen voor een optie buiten de menukaart om. Er zit geen einde aan deze geheime optie. Geen tijd. Geen waarde. Geen wisselkoers met iets anders.

Verbonden zijn met alles en iedereen laat de mogelijkheden tot contemplatie (vrije associatie, context zoeken) en meditatie (focus, concentratie) verdwijnen, tot je je verbinding verbreekt en de tijd verwijdert. Het is geen vehikel voor persoonlijke ontwikkeling, maar een methode voor zelfrealisatieSvend Brinkmann — The Joy of Missing Out: The Art of Self-Restraint in an Age of Excess. Het gaat niet om beter worden, maar om een goed mens zijn. Afleiding zorgt ervoor dat het verbeelde leven van onze dromen, hoop en wensen belangrijker wordt dan het leven dat we in werkelijkheid leven. Het niet kunnen bereiken van al die afleidingen zorgt voor angst, terwijl concentratie zorgt voor rust.

Door afleiding terzijde te leggen is er ruimte voor serendipiteit (of Kairos), of de gave onverwacht iets goed te ontdekkenRobert Merton — The Travels and Adventures of Serendipity, de verrassende waarneming van een onbekend gegeven, dat de aanleiding vormt voor de ontwikkeling van een nieuwe theorieJoke J. Hermsen — Kairos: een nieuwe bevlogenheid. In afleiding zul je nooit originaliteit en creatie vinden. Inspiratie komt niet uit betaalde geplande inspiratiesessies. Het zit in stilte, focus, concentratie, meditatie, contemplatie, Kairos, otium, het goede, liefde en het niets. Maar gebruik het niet als instrument.

Onbewustzijn

Hoewel we door de tijd goed geworden zijn in meten, wegen en vergelijken, kunnen we nog maar slecht ergens de waarde van inzienSvend Brinkmann — Standpunten. Een goed voorbeeld daarvan is slaap. Slaaptekorten worden gemeten in uren en de effecten van slaaptekorten in geld. Smartphones worden gebruikt om uurtjes te tellen en slaappatronen te analyseren. Tijd is alweer een proxy voor iets anders. Als we iets meten in tijd, dan meten we automatisch de rest ook in tijd.

Laten we eerst nachtrust als instrument gebruiken. De autoriteit op het gebied van slaap, Matthew Walker, die er overigens ook uitziet als iemand die bijzonder goed slaapt, stelt dat er geen biologische functies zijn die geen baat hebben bij een goede nachtrust. Kortom, als je dan toch slaap als instrument wilt gebruiken, gebruik het dan als instrument voor je complete fysieke gedaante. Bovendien, stelt Walker, is creativiteit het meest wonderbaarlijke voordeel van slaap. Slaap biedt een nachtelijk theater waarin je hersenen verbindingen testen en leggen tussen enorme hoeveelheden informatie. Deze taak wordt volbracht met behulp van een bizar algoritme dat vooringenomen is in het zoeken naar de meest verre, niet voor de hand liggende associaties, als een achterwaartse Google-zoekopdrachtMatthew Walker — Why We Sleep: The New Science of Sleep and Dreams, schrijft hij. Snurkserendipiteit, zeg maar. De mooiste paradox die we uit zijn boek Why We Sleep kunnen halen, is dat je niet kunt weten dat je slaaptekort hebt als je slaaptekort hebt. Je kunt niet stellen dat je met weinig slaap toekunt omdat je vermogen om zo te kunnen redeneren is aangetast door te weinig slaap.

De voornaamste reden waarom slaap dit deel van het boek besluit is omdat slaap als ultiem standpunt tegen tijd kan worden opgevoerd. Slaap is, wanneer je het niet meet of analyseert, een dagelijks terugkerende praktijk waarbij bewust wordt gekozen om het bewustzijn te verliezen. Als je wilt slapen, moet je doen alsof je slaapt totdat je slaapt. Dat is toch prachtig?

Mijn vermoeden is dat deze praktijk ons nog enigszins helpt herinneren aan periodes dat de klok niet belangrijk is en helpt om te begrijpen hoe niets doen werkt. Misschien moet je daarom ook gewoon doen alsof je niets doet tot je niets aan het doen bent om de tijd te vergeten.

Hoofdstuk 4

Olifantenpaadjes

Vijg

Ficus is een plantengeslacht uit de moerbeifamilie. De naam Ficus kennen we vooral als kamerplant. Mensen hebben dan een ficus in huis en bedoelen daarmee één van de 750 soorten binnen het geslacht. Meestal betreft het een Ficus lyrata (sommige mensen noemen het een vioolbladplant) of een Ficus elastica (de wat bekendere rubberboom). De vruchten van bomen uit dit geslacht worden vijgen genoemd. De vijg die het populairst is als eetbare vrucht voor mensen, wordt dan ook domweg vijg genoemd, terwijl het een vijgensoort is. Het betreft de vrucht van de Ficus carica, genoemd naar de streek waar deze van nature voorkomt, in Klein-Azië of Anatolië. Het is het gebied waar het huidige Aziatische deel van Turkije ligt. Κᾱρίᾱ was de Oud-Griekse naam die is blijven hangen.

Eén van mijn verre voorvaderen liep een paar duizend jaar geleden in dat gebied rond. Kork, zo heette die voorouder, was een liefhebber van vijgen. Dat kwam goed uit, want die groeiden daar. We hebben het hier dus over de Ficus carica. De stam van Kork trok in het gebied rond. Ze waren nomaden, een type mens dat een op het oog willekeurige manier van zich door een gebied verplaatsen heeft. Het lijkt impulsief, maar door jarenlange overlevering wist die stam eigenlijk best goed wanneer in welk seizoen er op welke plek dingen te halen waren. De stam was erg opportunistisch. Het waren geen migranten met een duidelijke reisroute. Integendeel, de kennis van de omgeving in de verschillende seizoenen was aanwezig, maar de precieze route niet.

Er was ook een sjamaan, die niet alleen de dokter was, maar ook door rituelen tot inzichten kon komen over de wereld, de omgeving, de planten en de dieren. Dat hielp die vroege mensen om te leren zich te kunnen verplaatsen in iets of iemand anders. Het was een fundamentele eigenschap, die steeds belangrijker werd. De sjamaan kon, bijvoorbeeld door ritmisch trommelen, lang vasten, afzondering en het nemen van hallucinerende middelen, een andere staat van bewustzijn creëren en zo tot belangrijke inzichten komen. Het zorgde voor kennis en wijsheid over elkaar, zichzelf en de wereld. Van impulsen naar intuïtie en van reflexen naar reflectie.

In de tijd van Kork was er nog gewoon een groen reisadvies, dus trok de stam regelmatig over de huidige grens tussen Turkije en Syrië. Het was er goed toeven in de streek en antropologen en archeologen zouden er later achter komen dat dit gebied onderdeel zou zijn van de vruchtbare halve maan, een streek in het Midden-Oosten waarin voor het eerst landbouw bedreven zou worden, wat de aanzet zou geven tot een paar bijzondere ontwikkelingen binnen de mensheid. Daar komen we straks op, maar we moeten nog wel even melden dat de Fransen dit gebied le Croissant fertile noemen.

Voor Kork was de wereld tegelijk simpel als onbegrijpelijk. De stam was het belangrijkste, maar ze was er zich ook van bewust dat er andere stammen waren. Die kwamen ze zo nu en dan tegen. Soms werd het knokken maar meestal werd er gewoon vriendelijk gedaan. Voor deze interactie tussen stammen was er een aantal rituelen bedacht. Manieren om aan elkaar te bewijzen dat de intenties vriendelijk waren. Manieren om als mens te proberen zich te verplaatsen in de ander. Eén van die rituelen was het schudden van handen. Daarmee kon je aan een vreemde laten zien dat je geen wapens droeg, je kon ermee aangeven dat je iemand je laat aanraken en daarmee veiligheid creëren en bovendien kon je zo, letterlijk, aanvoelen wat de sfeer is, door spanning, temperatuur en vochtigheid van iemands hand te registreren. Mooi bedacht.

Andere stammen waren een bijzonder fenomeen in het leven van Kork en haar stam. Enerzijds werd ermee gehandeld en vriendelijkheden uitgewisseld. Aan de andere kant waren deze anderen een gevaar. Ze konden namelijk stamleden ontvoeren, doden, verwonden en verleiden om de overstap te maken. Het is ook in deze periode dat er mythes zijn ontstaan over anderen, over gevaren die buiten de groep liggen. Over het kwaad van het verlaten van de stam. En zo ontstonden er ook weer nieuwe rituelen, met name rituelen waarin pijn en angst moesten worden doorstaan om de toewijding aan de stam mee te bewijzen.

Over het algemeen was het leven nog best simpel. Er was een (mannelijke) hemelgod tussen de sterren, er was een (vrouwelijke) god van de aarde en de vruchtbaarheid, er waren nog een trosje andere goden en er waren anderen. Verder was het vooral zaak om voldoende eten te krijgen, veilig te blijven en het voortbestaan van de stam veilig te stellen. Maar ook daar waren deze mensen zich niet van bewust. Ze waren daar. Ze leefden met, in, van en soms tegen de natuur. Steeds wanneer het warmer werd, waren ze op de ene plek, en als het kouder werd, waren ze op een andere plek. Niet steeds exact hetzelfde, maar ze wisten wel in welk seizoen ze welke gebieden moesten bezoeken. Ze liepen wilde dieren achterna, en wisten wanneer vruchten rijp waren. Op belangrijke punten kerfden ze in boomstammen en legden ze stenen op een stapel om zichzelf de weg te wijzen. Ze kapten zichzelf door struiken om de snelste weg te nemen. En ze legden stenen in de rivier om over te kunnen steken. En als de rivier buiten haar oevers was getreden, dan was daar meestal een goddelijke reden voor, maar waren de doelen niet anders: in leven blijven.

Kork was in de stam verantwoordelijk voor twee dingen: de afwas en vijgenjam. Dat had ze goed geregeld want er was nog geen servies en bestek uitgevonden. De vijgenjam van Kork was een favoriet in de stam. Hoewel het recept simpel was—je verwarmt rijpe vijgen met wat honing en liet het dan afkoelen—was het een belangrijk onderdeel van het succes van de stam. Zo nu en dan kwamen ze wat andere mensen tegen en ruilden ze wat vijgenjam, bijvoorbeeld tegen gedroogde vis, dadels of vlees.

Kork liep (letterlijk) al een tijdje mee met de stam. Ze was verantwoordelijk voor het vinden van de beste vijgen op het juiste moment. Dat lukte aardig goed. Ze wist waar de vijgenbomen stonden en wanneer ze vruchten droegen. Dan had ze een boom gevonden en kon die leeggeplukt worden. Een feestmaal voor de hele stam en dan ook nog heel veel extra vijgen om te drogen, later op te eten of te ruilen met andere stammen.

Op een dag zat Kork in de schaduw van een vijgenboom wat voor zich uit te staren. Bijzonder, dacht ze, dat er vijgenbomen zijn maar ook heel veel andere bomen. Bomen zonder vijgen, zonder vruchten, bomen waar we niets aan hebben. Ja, we zouden een kano kunnen maken van die bomen, maar wat is er nou aan de overkant van het water te doen? Hier is genoeg. Dus laat maar zitten. Het is ook best vervelend dat we steeds naar een nieuwe vijgenboom moeten lopen als we alle vruchten hebben geplukt van deze. Ik wil best 10.000 stappen op een dag zetten hoor, daar niet van, maar het zou handiger zijn als hier gewoon superveel vijgenbomen stonden zodat we altijd genoeg vijgen zouden hebben.

Kork keek voor zich uit en begon te fantaseren. Die overbodige boom weg, dat hoge gras ook, hier een vijgenboom, daar een vijgenboom, verderop nog meer. Ze brak wat vijgentakken af en drukte ze in de grond, als een soort piketpaaltjes. Om datgene wat ze in haar hoofd had in de echte wereld te zien. Ja, dat zou toch mooi zijn. Als er nog een paar vijgenbomen stonden. Die middag deed Kork een dutje en droomde ze over een vijgenbos. Een bos met alleen maar vijgenbomen. Een bos zo groot, dat het niet meer nodig was om de hele tijd rond te lopen op zoek naar rijpe vijgen, maar gewoon kon wachten tot alles in één keer rijp was, op één plek.

De volgende dag trok de stam verder. Kork voorop. Langs vijgenbomen, langs vijvers waar eenden werden gevangen, langs rivieren waar werd gevist, langs een knollenveld en door een enorme lap woestijn wat altijd een beetje vervelend was. Zand in je slippers. Het werd koud en het werd weer warm en precies een jaar later kwamen Kork en haar stam weer terug bij de favoriete vijgenboom en daar zag ze het mooie plekje waar ze dat dutje had gedaan en die mooie droom had gehad. Ze dacht ook weer aan mogelijkheden van deze plek. Hoe mooi het zou zijn als er meer vijgenbomen stonden zodat ze daar een flinke voorraad konden aanleggen. En wat bleek? Die demonstratief in de grond geprikte vijgentakken die de verbeelding van Kork moesten weergeven stonden er nog steeds! Ze waren gegroeid. Er groeiden zelfs vijgen aan sommige van die demonstratief en plotseling geplante vijgentakken!

Dit veranderde alles. Zonder dat Kork het wist had ze landbouw bedacht (en een propagatietechniek die we nu stengelstekken noemen trouwens). Ze was erin geslaagd om haar verbeelding van efficiëntie om te zetten in iets tastbaars. Er stonden nu maar liefst 28 vijgenbomen waar er eerst maar eentje stond. Weliswaar niet allemaal even groot, maar Kork zag de potentie. Ze kon zich inbeelden dat de takken bij het volgende bezoek, als moeder natuur en vader tijd het wilden, nog meer waren gegroeid en nog meer vijgen zouden dragen. Dit werd zo de beste vijgenplek. Een plek om op tijd terug te keren om andere stammen (en dieren) te slim af te zijn. Kork had op haar manier de natuur getemd. Dit moest worden gekoesterd.

Kork besloot daarom gras te verbranden, wat bomen te kappen om schaduw weg te nemen, wat water uit de rivier te halen en bij de vijgentakken te gieten en nog maar eens een offer te brengen aan de god van vruchtbaarheid. Er werd overlegd en besloten om zeer snel weer terug te keren naar deze plek.

Lang verhaal kort, dit ging ieder jaar zo door tot er een enorm vijgenbos was, die stam daar het hele jaar bleef, een hekje bouwde om wilde dieren tegen te houden en landbouw was geboren. Het was het begin van een nieuwe periode. En het kwam allemaal door Kork. Maar er was wel opeens een enorm vijgenoverschot en dat kwam die hele stam de neus uit.

Geit

Capra is een zoogdierengeslacht uit de familie Bovidae, of holhoornigen. Capra betekent eigenlijk gewoon geit, het mythische wezen chupacabra betekent dus geitenzuiger en Chupa Chups betekent…

Capra aegagrus is de Latijnse naam voor de bezoargeit, een soort die voorkomt in het Midden-Oosten, van Turkije tot in Pakistan en van Armenië tot in Irak. Bezoar is een term voor een maagsteen, die vaak werd gevonden in de magen van deze geit, die in het Engels simpelweg wild goat wordt genoemd: wilde geit. Gemakkelijker te onthouden en uit te spreken.

In dezelfde periode als toen Kork een vijgenbosje had geplant, liep er in die regio nog een stam rond. Deze stam had het gemunt op die wilde geiten. Ze waren talrijk en nogal goede dieren om te gebruiken voor allerlei doeleinden. Allereerst was er geitenvlees, dat een mooie bron van proteïne was, maar in die tijd wist nog niemand iets over macronutriënten. Dan was er geitenwol, dat werd gebruikt om sokken van te maken. Zenuwen en botten werden gebruikt voor wapens, melk voor eiwitshakes, mest als brandstof en hoorns voor ornamenten op schoorsteenmantels en toetershttps://www.thoughtco.com/the-domestication-history-of-goats-170661. Kortom, van kop tot staart een duurzame keuze voor deze stam. Naast wilde geiten, hadden ze het overigens ook gemunt op andere zoogdieren, wilde koeien, schildpadden, muizen, hazen, vossen en gazellenhttps://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC7505476/.

Een prominent lid van de stam heette Merel. Ze was vernoemd naar een vogel met een voorkeur voor het struweel. Merel was namelijk klein van postuur en kon zich gemakkelijk voortbewegen door dit type vegetatie. Omdat ze dit zo goed kon, was ze ook verantwoordelijk voor de vangst van geiten, die zich bij voorkeur ophielden in hetzelfde gebied. Dat was niet altijd even makkelijk want mannetjesgeiten verdedigden hun kudde vrij agressief, waardoor jachtpartijen vaak door meerdere mensen werden ondernomen, Merel voorop. Soms doodden ze een moedergeit en bleef het lam verweesd achter. Dat hulpeloze wezen was gemakkelijk te vangen en werd dan meestal ook gebarbecued, maar Merel had ontdekt dat je zo'n geit ook gewoon kon laten leven, een tijdje kon laten eten, en dán kon doden. Zo had je meer vlees, meer huid, meer botten en meer wol. Deze strategie scheelde gevaarlijk jachtwerk en kostte eigenlijk alleen maar tijd. Iets wat toen volop aanwezig was. Ja, soms kon een leeuw of een luipaard je geit opeten, maar door wat hekjes te bouwen, vuur te maken en goed op te letten, kon je dit doorgaans voorkomen.

Merel had op een zeker moment zo veel weesgeiten bij elkaar verzameld, dat je kon spreken van een nieuwe kudde. Veel van die geiten werden volwassen, kregen nieuwe lammeren en zo groeide de kudde, die onder het oog van Merel opgroeiden en bij elkaar werden gehouden. Jagen op geiten was niet meer nodig. Zo lang er niet te veel leeuwen, droogtes, ziektes, vijandige stammen en hongersnoden langskwamen, was dit een mooi duurzaam alternatief.

Merel werd in de regio langzaam maar zeker bekend als het geitenvrouwtje. Met haar was het altijd prima handelen. Als je zin had in geitenkebabs of een nieuwe toeter wilde maken, en je had zelf wat waardevols te bieden, dan kon je dat met haar ruilen. Dat was ook goed nieuws voor Kork, die zeer regelmatig haar vijgenjam ruilde tegen een geit. Zo kon Merel geitenbout met vijgenjam eten maar Kork ook. Soms aten ze het samen.

Maar er ontstond wel een probleem. Want het enige wat Merel te bieden was, waren geitengerelateerde producten. Het enige wat Kork te bieden had, was vijgenjam en zo nu en dan een gedroogde vijg. En het was ook niet handig dat ze elkaar zo weinig zagen. Dat je maar van het toeval afhankelijk moest zijn om een ruildeal te maken. Soms bleef Kork zitten met een vijgenjamvoorraad die niet langer houdbaar was. En soms kwam het geitenvlees Merel en haar stam de neus uit.

Er was een nieuw probleem ontstaan. Zowel Kork als Merel dacht dat ze een probleem van schaarste en gevaar hadden opgelost. Ze waren lekker non-conform, bedachten iets wat daarvoor nog nooit iemand had bedacht, waren iets veel efficiënter gaan doen, hadden meer tijd voor andere dingen, maar er leken alleen maar nieuwe problemen bij te komen. Ze besloten daarom een brainstormsessie in te plannen onder de grote vijgenboom, zes dagen na de eerstvolgende volle maan. Daar kwam een bijzonder idee uit.

Markt

Een markt. Dat is wat ze hadden bedacht. Natuurlijk. Zo simpel. Een plek waar ze allebei met hun overproductie naar toe gingen om daar dingen te ruilen. Wel zo eerlijk. Dan hoefde de één niet al z'n vijgenjam helemaal naar de geitenboerderij te verslepen en de ander niet met alle geiten naar het vijgenbos. Een bijkomend voordeel was het natuurlijk wanneer er een verdwaalde reiziger met bijvoorbeeld een zak gedroogde vis, een stapeltje slagtanden of een dozijn pizzabodems langs kwam. Nog iets om mee te ruilen.

Dus die markt was vanaf het begin een supergoed idee. Het werd generatie na generatie dé plek om als producent van je speciale product naar toe te gaan en te ruilen met aanbieders van andere producten. Het vergde wel wat strategische en tactische planning, want je moest goed opletten op de houdbaarheid van je goederen, de mate waarin die goederen te verslepen waren, de wisselkoersen (Hoeveel geit is een vijg en waarom? En hoeveel geit is een garnaal? En is dan ook precies evenveel garnaal een vijg?) en met hoeveel producten je de rest van het jaar door kon komen. Zo langzamerhand was er in deze regio nog nauwelijks iemand die wist hoe je gewoon een beetje door de omgeving kon banjeren en gebruik kon maken van die omgeving om in je levensonderhoud te voorzien. De meeste mensen waren specialist geworden. Die konden één ding heel erg goed. De verre nakomelingen van Kork waren alleen nog maar goed in het verbouwen van vijgen. Niet eens meer in het maken van vijgenjam. Laats staan van het naar de markt brengen van al die rotzooi. Ze hadden overal mannetje svoor. Een vijgenplukmannetje, een vijgenvervoermannetje, een vijgenjammannetje en een vijgenjampotjesvuller.

Dan hadden ze nog twee mannetjes. Bart en Mark Brand. Of het broers waren weten we niet meer, maar ze vonden zelf van niet, ook al leken ze op elkaar, maakten ze elkaars zinnen af en hadden ze vaak hetzelfde petje op. En ze hadden dezelfde achternaam. Bart en Mark hadden zich niet gespecialiseerd in het verbouwen van groenten of fruit, of het houden van dieren, maar in het vermarkten van producten. Ze waren goed op de hoogte van de lokale producten en hun vermogens, en wisten daardoor ook goed wanneer wat rijp en in overschot was en wanneer iets schaars was. Ze maakten gebruik van een menselijk verlangen om schaarse dingen extra leuk te vinden. Later zouden mensen dit verlangen een leuk acroniem van vier letters geven en over het bestrijden van dit verlangen (en de mogelijke oplossingen) moeilijke boeken schrijven.

Bart en Mark waren zelfs zó goed op de hoogte dat ze soms ook net deden alsof iets schaars was, zodat er meer vraag was en er betere wisselkoersen konden worden gerekend. Die schaarste werd dan kunstmatig in stand gehouden door voorraden aan te houden of gewoon door het geven van valse informatie. Daarnaast was het vooral Mark die er een ster in was om het verlangen in bepaalde producten bij mensen op te wekken. Dan hield hij een zielig of juist geweldig verhaal over een product waarvan de mensen de dag ervoor niet eens wisten dat het bestond. En de volgende dag wilden ze het maar wat graag hebben. Vaak speelde Mark dan in op wat basiseigenschappen van mensen. Niet alleen die drang om tot actie over te gaan bij schaarste, maar ook deed hij extra aardig en deelde hij samples uit om mensen te overtuigen van een product. Mark wist dat de mensen dan zo het gevoel zouden krijgen hem een dienst te verlenen. En zo zouden ze dus eerder een geit bij hem kopen. Een geit die door dit gedrag van Mark alleen maar meer waard was geworden, terwijl het dezelfde geit was als voorheen. Maar geitenhouders waren er maar wat blij mee. Zo kregen ze meer spullen voor hun geit.

Er was zelfs een situatie dat Bart en Mark voor de ene geitenhouder werkten en er een ander duo, Bert en Mike, voor een andere geitenhouder dezelfde diensten verleenden. Op deze manier werd de waarde van alle geiten veel hoger, terwijl die prijs zeker was gedaald als Bart, Mark, Bert en Mike wat anders gingen doen met hun leven. Maar omdat geen van deze vierletterige lieden voornemens was om de activiteiten te staken, bleef de prijs hoog en de overtuigingsactiviteiten bestaan. Sterker nog: deze business leek lucratief en deze werkzaamheden werden meer en meer gedaan. Overal in de regio, en ver daarbuiten, verschenen er duo's, inmiddels ook met meer of minder dan vier letters in hun naam, of in andere groepsgrootte's, vaak enkelingen, soms vrouwen, met dit soort werk. Ze droegen eigenlijk helemaal niets bij aan de wereld, maar hielden elkaars activiteiten in stand. Vele jaren later was iedereen Mark en Bart Brand al vergeten maar leefden hun namen voort in onzinnige activiteiten die tot op heden nog steeds bestaan en zelfs alomtegenwoordig zijn ieders leven, zowel als consument als producent: branding, marketing en bartering. Aan die laatste zou snel gepoogd een einde te worden gemaakt.

Zout

De markt was een fantastische plek. Mensen handelden er hun eigen en andermans spullen en raakten zo in contact met andere mensen, groepen, culturen, producten en gebruiken. Door deze kruisbestuiving ontstonden er nieuwe gedachten, ideeën, beroepen, gebruiken, religies, roddels, verhalen en culturen. Het was een flink verschil met voorheen. Het aantal interacties nam enorm toe. Dit zorgde enerzijds voor stress maar aan de andere kant ook voor rust. Je kon je specialiseren en je toeleggen op één activiteit en dan op gezette tijden de vruchten van je arbeid verhandelen op de markt voor al je overige benodigdheden. Specialisatie en handel zorgden er op deze manier voor dat chronische zorgen over overleven steeds minder werden. Het nadeel van een dergelijke maatschappij van specialisten was dat natuurrampen zoals droogte en insectenplagen een enorme impact hadden op het voortbestaan van individuen en groepen. Het uitblijven van de regens was catastrofaal voor boeren die een stukje land hadden geclaimd en afhankelijk waren van de plek en hun gewassen, die nu niet groeiden. Deze mensen stierven van de honger. Hun buren ook. En hun buren.

Specialisatie zorgde voor hogere productie en overschotten in goede tijden, maar extreme chaos in slechte tijden. De uitersten werden vergroot, waar jager-verzamelaars zich beter konden aanpassen aan hun veranderende omgeving en juist verder konden trekken als een streek droog, juist nat of anderszins vijandig werd. Akkerbouwers en veehouders gingen all-in op een specifieke activiteit, met een grote kans op een mooi overschot en een kleine kans op een enorm pijnlijke dood. Chronische beperkte stress maakte plaats voor zo nu en dan acute enorme stress.

Bovendien was het een enorm gedoe om de hele tijd je complete kudde geiten mee te nemen naar de kroeg omdat je alleen bier af kon rekenen met geit. Misschien accepteerde de barman ook wel vijg, maar als je alleen geiten had, was dat nogal onhandig. Of je had eerst geiten moeten ruilen tegen vijgen en dan kon je daarna bier kopen met vijgen. Dat was wat handiger, maar nog steeds een enorm gedoe. Vooral ook omdat je zo de hele dag door aan het berekenen was wat iets nou precies zou kosten. En soms had de barman echt wel genoeg vijgen en wilde hij liever betaald worden in blokfluiten. Of gevulde koeken.

Er was echter één ding waar niemand zonder kon dat niet overal uit de lucht kwam vallen of overal uit de grond te trekken was. Dat was zout. Ieder mens had en heeft zout nodig om in leven te blijven. Dat wisten de vroege voorouders al, bewust en onbewust. Dan vonden ze een zoutbron en likten ze aan een zoute steen. Of ze handelden met stammen die in de buurt van de zee woonden en gebruikten hun zoute en gezouten producten.

Zout was een soort universele biologische basisbehoefte. Dat had iedereen nodig. En dat was handig omdat er dan ook een waarde voor zout kon worden afgesproken. Beter nog: alle andere producten konden worden bepaald in de hoeveelheid zout. Een dozijn geiten was dan bijvoorbeeld een emmer zout waard. En zesduizend vijgen ook. Dat maakte het wisselen van producten met elkaar ook weer makkelijker. En het werd ook wat simpeler bier afrekenen. Nu hoefde iedere herder niet meer met al z'n geiten op de dansvloer te staan, maar konden ze gewoon een zakje zout meenemen voor een paar knotskoude vaasjes. De barman had de bezemkast aan het eind van de avond vol met zout staan en wist dan ook waar hij de volgende dag zijn zout aan kon besteden. Een paar nieuwe fusten borrelnootjes bijvoorbeeld. Wat hij overhield besteedde hij aan luxeproducten of sloeg hij op.

Omdat er niet overal op de wereld even gemakkelijk aan zout te komen was, ontstonden er prijsverschillen. Dan was iets in de binnenlanden van het huidige Iran bijvoorbeeld best duur, terwijl het aan zee in het huidige Syrië relatief goedkoop was. Vroege handelaren snapten dit al heel snel en wisten goed de prijzen in zout van verschillende producten in de regio. Het loonde voor hen om spullen van her naar hot te slepen en andersom. Dan ging er bijvoorbeeld een zoutkaravaan van zee naar het binnenland en ging er een karavaan met kleurstof, goud, ivoor of telefoonhoesjes weer terug.

Het werd een iets complexere wereld. Waar jager-verzamelaars maar een beetje rondtrokken, zonder al te veel spullen, op basis van seizoenen en biogeografie, was er nu een wereld ontstaan waar mensen op bepaalde plekken samenkwamen om te handelen. En tussen deze plekken zorgden handelaren voor stromen van waren en waarde. Op de rug van deze karavanen verspreiden zich ook ideeën, verhalen en nieuws. En op plekken waar veel handelaren kwamen begon het enorm te krioelen met allerlei verschillende mensen. En weer talloze nieuwe problemen.

Polis

Je neemt [het] bij het wonen in een stad als vanzelfsprekend aan. Het is de fundamentele vooronderstelling van beschaving. Je hangt rond met vreemden! Veel van hen!John Vervaeke — Ep 1 - Awakening from the meaning crisis - Introduction

John Vervaeke

De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij, dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen: Dit is van mij, en onnozelaars trof die hem geloofden.Quote gegapt uit het boek De grote vlucht inwaarts van Thijs Lijster

Jean-Jacques Rousseau

Toen de waarde van spullen niet meer werd gemeten in de spullen zelf, maar in zout, was er stront aan de knikker. Dat werd nog erger toen mensen zout als algemeen ruilmiddel weer gingen vervangen door goud. Goud was namelijk nog beter te verplaatsen omdat de waarde in grammen veel hoger was dan die van zout. Nu hoefde je nooit meer emmers zout mee naar de kroeg te nemen, maar kon je een buideltje goudstukken aan je riem binden. Goud was ook een goed materiaal omdat het zeer slecht na te maken. Zodoende waren er weinig paljassen die de boel konden bedonderen met nepgoud. Goud was een nog betere universele tegoedbon dan zoutMichael J. Sandel — What money can't buy.

De specifieke knikkerstront had juist met het succes van goud te maken. De draagbaarheid en verplaatsbaarheid maakte dat je nu veel gemakkelijker iets heel waardevols van iemand kon jatten. Er was bovendien een extra reden om de boel te jatten omdat je het niet zelf kon creëren, vinden of verbouwen. Waar het eerder nogal wat logistieke planning en uitvoering vereiste om iemands vijgenvoorraad te stelen, kon je nu gewoon wachten tot de vijgenboer zijn oogst had verkocht en de waarde van de oogst in goud uit z'n handen grissen. Voor het jatten van een gehele vijgenoogst had je een paar opleggers nodig. Voor het jatten van een zakje goud slechts een snelle armbeweging en iets meer sprinttalent dan het slachtoffer.

Het was overigens niet zo dat alle samenlevende mensen samen een lager moreel besef hadden gekregen, maar gelegenheid maakte de dief, zeg maar. Je raapt wel een tientje van de grond, maar als je ergens voor tien euro aan kamillebloemen ziet staan, ga je die niet per se stante pede staan oogsten, drogen en verkopen in een leuke verpakking in je webshop met allemaal leuke roze pastelkleuren.

Er was overigens al snel een oplossing gevonden voor het beheren van goud. Dat was dezelfde oplossing als duizenden jaren eerder. Er waren centrale plekken waarin mensen hun overschot aan waarde konden opslaan, waar het werd bewaakt en beheerd. Zo'n plek werd een bank genoemd.

Bij zo'n centrale plek dromden allerhande mensen samen. De markt bevond zich er immers ook en daardoor weer allerlei koopmannen, die er dichtbij gingen wonen. Er waren steeds meer mensen die niet zelfvoorzienend waren, maar in hun levensonderhoud konden voorzien door te handelen met hun zelfgemaakte of aangekochte koopwaar. Er waren zelfs mensen die helemaal niets meer te maken hadden met het maken of verhandelen van spulletjes. Die mensen handelden in informatie en ideeën. Of het waren marketeers, die handelden in sterke verhalen en zorgvuldig apart verpakt en op maat gemaakte duurzame biologische gebakken lucht.

Op zo'n plek waar je te maken krijgt met allerlei soorten mensen die je niet allemaal persoonlijk kent, is het handig om afspraken over het samenleven te maken. Soms was er een despotisch heerser, die het allemaal in z'n eentje bepaalde, maar in veel gevallen waren er andere samenlevingsvormen en -contracten. Dan was er bijvoorbeeld een groepje mensen dat samen het bestuur deed, of konden alle inwoners kiezen wie ze het liefste lieten besturen. Meestal gebeurde dat best eerlijk. En in veel gevallen ging dat zelfs vanzelf. Want overal afspraken voor maken was natuurlijk veel te veel werk.

In het oude Griekenland werd zo'n samenkomst van mensen en spulletjes een polis genoemd. Een polis was zowel een plek als een samenlevingsvorm, waarbij er werd gestreefd naar autonomie in de vorm van bestuur en zeggenschap. De polis had vaak ook het doel om autarkisch te zijn (auto-arkein, zelf-voldoende zijn) en dus te kunnen voorzien in alle spulletjes die de polis nodig had. Dit lukte natuurlijk voor geen meter, en dus moest er gehandeld worden met andere polissen. Vaak werd die handel bedreven vanuit de polis, als geheel zeg maar. Die schaalvergroting van handel was handig om grote partijen te verschepen en om de beste prijs te krijgen. Bovendien kwamen mensen erachter dat ze in veel gevallen samen sterk stonden. Het maakte ook weer wat handen vrij om te filosoferen of ter leering ende vermaeck te gaan speerwerpen.

Zo'n polis had volgens onze vriend Aristoteles tegengestelde belangen met de oikos, oftewel het huishouden van een familie met eventueel wat aanverwante mindere lieden zoals slaven, weeskinderen en vrouwen. De polis had het beste voor met de polis en de oikos had het beste voor met de oikos. Maar omdat de oikos onderdeel was van de polis, werd er een mooie interne tegenstelling gecreëerd. Want wanneer waren welke wetten waardevol? En wiens wil werd wet?

De polis werd vaak bestuurd door een groepje vermogende mannen. Vrouwen hadden immers niet echt rechten en de talrijke slaven evenmin. Deze mannen hadden in theorie het beste met iedereen voor. De vergaderingen over wat het beste voor iedereen was, werden politiek genoemd. Dan werd er beleid gemaakt die werd vastgelegd in wetten en contracten. Dat werd dan weer, handig, een polis genoemd. De polis (nu weer de samenlevingsvorm) creëerde bovendien een monopolie op geweld. Je mocht iemand anders niet zomaar op z'n bek slaan, maar de ordehandhavers van de polis, de politie (ook van: polis), mocht dat wel. Iedereen vond het prima, want dit was op dat moment de beste samenlevingsvorm. Althans, volgens de mensen die deze samenlevingsvorm prima vonden dan.

Het werd belangrijk om na te denken over hoe je goed kon samenleven met andere mensen, die je in steeds toenemende mate niet meer persoonlijk kende. Dat was toch eigenlijk wel bijzonder. Dat je op een plek samen kunt leven met wildvreemden en je er bij iedereen van uit kunt en moet gaan dat je niet in je rug gestoken, beroofd of anderszins van je soevereiniteit werd bestolen. Tot op heden lukt dat nog steeds best aardig, maar het is wel een constante inspanning.

Er waren namelijk heus wel kwibussen met kwaad in de zin op het toneel verschenen. Deze ontregelaars noemen we economen. Aristoteles stelde de oikos nog qua belangen tegenover de polis. Het woord economie is ervan afgeleid. Economen (van oikos-nomos, huis-wetten) hadden vervolgens bedacht dat de wereld eigenlijk het beste vanuit een kostenbatenoverweging benaderd kon worden. Aangezien er geld was bedacht als universeel ruilmiddel, was immers ook alles te koop. En, zo was de aanname, ieder mens wist voor zichzelf dondersgoed te beoordelen wat de kosten en baten van een eventuele aankoop (of de keuze voor iets behouden) waren. Daarom, beredeneerden economen, was iedere transactie dan ook een goede transactie. Zowel voor de koper, die alles goed had overwogen, als voor de verkoper, die hetzelfde had gedaan. Zolang er geen dwang aan te pas was gekomen, was de transactie valide, waren zowel koper als verkoper tevreden en was de wereld dus beter.

Voor economen (en marketeers, uiteraard) was de samenleving niets anders dan een markt. Volgens hen was de markt (met op dat moment het algemeen geaccepteerde tegoedbonnensysteem van goud) het beste toedelingsmechanisme. Het belang van het huis, de spulletjesoverweging van de man eigenlijk, stond voor hen voorop. Daar was heus wat voor te zeggen—mensen gingen immers voornamelijk samenleven om dingen te verhandelen (en deden dat inmiddels met geld), maar de ontstane gemeenschappen, polissen, steden, streken en landen zorgden voor veel meer dan het tegen een vergoeding ruilen van spullen.

Het zou wel even duren voordat mensen daar achter kwamen. En bovendien zorgde het ontstaan van economie natuurlijk niet direct voor het verdwijnen van autonomie. Maar waarom eigenlijk niet?

Rijk

De rijkdom van de mens is evenredig aan het aantal dingen waar hij buiten kan.

Henry David Thoreau

Arm zijn is niet te weinig hebben, het is meer willen.

Seneca

Je bent rijk als je niets mist.Frédéric Gros — A Philosophy of Walking

Frédéric Gros

Het doel, altijd, is meer—meer vrienden, meer fans, meer volgers, daarom is er een markt ontstaan voor die dingen.Astra Taylor — The People's Platform: Taking Back Power and Culture in the Digital Age

Astra Taylor

Het duurde meer dan anderhalf miljoen jaar voordat modern-mensachtige mensen zich zo'n beetje over de gehele wereld hadden verspreid vanuit Afrika. In iedere hoek van de aardbol hadden zich nu, in verschillende samenstellingen en omvang, volkeren gevestigd. Niet dat de wereld uitpuilde van de mensen, maar ze zaten wel zo'n beetje overal. In het ijs van Groenland en Noord-Canada, in zo'n beetje ieder berggebied, om en nabij iedere woestijn, in ieder regenwoud en op bijna elk eiland. Steeds meer plekjes waren ingenomen maar er waren ook nog steeds heel veel plekjes vrij.

Zo'n 1000 jaar geleden waren er ongeveer 250 miljoen mensen op aarde. Dat aantal was precies genoeg voor die groepen mensen om bij tijd en wijlen flink met elkaar te knokken, maar tegelijkertijd elkaar nog steeds voornamelijk met rust te laten. Buren wisten van elkaar, en van elkaars buren, maar de gemiddelde Javaan wist niets van de gemiddelde Mexicaan. En dat terwijl handel tussen die twee streken in theorie mogelijk was. Javanen handelden met Chinezen, Chinezen met Arabieren, Arabieren met Russen, Russen met Vikingen en Vikingen bezochten Noord-Amerika, waar ook weer levendige handelsroutes bestonden helemaal via Mexico naar Midden-Amerika.Valerie Hansen — The Year 1000

De manier van leven begon overal op de wereld een beetje te veranderen. Over het algemeen deden mensen overal hetzelfde: zorgen dat er genoeg eten was voor iedereen. En wanneer er overschotten ontstonden, dan hadden mensen handen vrij om andere dingen te doen. Vaak resulteerde dat in de behoefte om nog meer dingen te consumeren. Dat kon voedsel zijn, maar vaak ook andere producten. Waar voorheen iedereen produceerde en dat dan allemaal zelf (of in groepsverband) consumeerde, kwamen productie en consumptie nu steeds meer los van elkaar te liggen. Zowel in ruimte als in tijd.

Slimme lieden waren er ook achter gekomen dat je, met behulp van geld, helemaal niet meer hoefde te produceren. Daar kon je andere mensen voor inzetten. Dan kon je vervolgens alleen nog maar consumeren. Dat was toch wel het fijnste.

Consumptie werd aangewakkerd door interesse in het onbekende. En vice versa trouwens. Door het uit elkaar trekken van productie en consumptie en door schaalvergroting, konden mensen steeds beter in hun behoeften voorzien. Er waren meer overschotten en daardoor minder zorgen over het voortbestaan van individuen. Met als resultaat: meer mensen. En steeds sneller steeds meer mensen.

Die bevolkingsgroei zorgde voor meer connecties tussen verschillende groepen over de wereld. Mensen voelden zich toen, net als nu, ook bijzonder belangrijk wanneer ze spulletjes bezaten die zeldzaam waren. En spulletjes van ver waren doorgaans zeldzaam. Die werden dan voor veel geld verkocht aan mensen die het er voor over hadden om dat vele geld te betalen om luxegoederen te bezitten, waar ze dan weer tof mee konden doen tegenover mensen in hun eigen groepje.

Deze basisbehoefte aan meer en zeldzamere spulletjes zorgde alleen maar voor meer wereldhandel. In die tijd, zo rond het jaar 1000, waren veel volkeren een beetje aan elkaar gewaagd. Dan vocht een groep mensen met een andere groep en won de ene, maar werd een paar jaar later alles weer terugveroverd. Dan weer ontstond er een enorm rijk, dan weer snel uiteenviel. Hier en daar leefden wel dezelfde groepen mensen voor langere tijd, maar het was nogal een komen en gaan van heersers, regeringen en bestuursvormen.

Het is de vraag of je het zo kunt beschrijven, maar zo bleef de wereld een beetje in balans. Er waren wel veroveraars en veroverden, maar er waren niet zeer grote verschillen over zeer grote delen van de tijd. Je zou je kunnen afvragen of het ook domweg onnodig was om enorm agressief andere plekken en volkeren te gaan bezetten: er was, in principeIn theorie en in de praktijk, toen al en nu ook., genoeg voor iedereen. Het hoopje mensen dat op de aarde leefde in die tijd, had samen genoeg met wat er was.Ik wil de enorme slagvelden met ongeëvenaard persoonlijk leed niet bagatelliseren, maar in vergelijking met opeenvolgende dynamieken anno het derde millennium was er niet zo veel aan de hand.

Toch had de scheiding van productie en consumptie, samen met het gebruik van een proxy (goud en geld) voor waarde, ervoor gezorgd dat er een weg zonder einde was ingeslagen. Steeds vaker kwamen er nieuwe producten van ver op de markt. Allemaal bijzonder en zeldzaam. Tot ze de markt langzaamaan overspoelden (en handelaren enorm rijk maakten) en er weer op zoek gegaan moest worden naar andere zeldzame producten. Dat kon voor altijd zo doorgaan. De verzameldrang van de mens kende geen grenzen. Het was nooit genoeg. Meer bezit leek (en lijkt) het adagium van zo'n beetje iedereen.

Sommige streken en volkeren begonnen een voorsprong te krijgen op het wereldtoneel. Daar zijn verschillende oorzaken voor te vinden. De titel van het boek Zwaarden, Paarden en Ziektekiemen van Jared DiamondJared Diamond — Zwaarden, Paarden en Ziektekiemen verraadt een drietal manieren waarop Europese volkeren een voorsprong hadden op kunnen bouwen op de rest van de wereld. Diamond beschrijft bovendien de fysische geografie van Europa en het bijbehorende klimaat als een groot voordeel voor de ontwikkeling van economieën: Europa heeft een kenmerkende geografie met allerlei schiereilanden waarbij een klein landoppervlak juist een enorme kustlijn heeft: veel volkeren hadden op deze manier toegang tot water, toen en nu een belangrijke handelsweg. De relatief warme golfstroom zorgde bovendien voor een gematigd klimaat met zeer regelmatige regens. In het boek Arm en Rijk van David S. Landes gaat verder in op deze ongelijke bedeling door de natuurDavid S. Landes — Arm en Rijk met als belangrijkste verschillen tussen plekken het klimaat en de bijbehorende temperaturen en neerslagvormen en verschillen tussen warme, koude, natte en droge periodes en de intensiteit ervan. Landes heeft het enerzijds over rechtstreekse effecten van de natuur zoals hitte en daarnaast secundaire effecten, zoals de aanwezigheid van ziekten in tropische gebieden, die zich beter kunnen verspreiden zonder de aanwezigheid van koude winters. Daar kwamen we natuurlijk rijkelijk laat achter. Een ziekte als malaria werd aanvankelijk toegeschreven aan slechte (mal) moeraslucht (aria). Door het dempen van moerassen ging de ziekte over, maar dat kwam natuurlijk enkel omdat de overbrengers van de parasiet met de ziekte, muggen, zich niet meer konden voortplanten zonder stilstaand water.

Aan het einde van de middeleeuwen was een aantal Europese volkeren die rijk waren geworden en zodoende ook hun rijken hadden gesticht. Door informatie over handelsroutes, behoefte aan nieuwe spulletjes en een menselijke drang naar avontuur, werden er steeds nieuwe en verdere handelsmissies ondernomen. Zulke handelsmissies waren voor allerlei doeleinden uitermate geschikt. Zo ontstonden er de eerste bedrijven die een risico namen om waardevolle handelswaar te kunnen verkrijgen, maar ook kans hadden om te zinken en niet eens met lege handen maar überhaupt niet terug te komen. Ook hadden heersers van landen er belang bij om nieuwe gebieden te ontdekken om ze eventueel later aan hun rijk te kunnen toevoegen. Meer onderdanen, meer handel, meer spulletjes, meer geld en meer macht. Eindelijk. En dan waren er vaak nog missionarissen die het belangrijk vonden om het woord van hun favoriete God over de wereld te verspreiden. Er was nóg een groep mensen, de wetenschappers. Die vonden het interessant om onbekende streken, gebruiken, volkeren, culturen, individuen, plekken, planten, dieren, klimaten, stenen, fossielen, rivieren en ideeën te ontdekken en te beschrijven. Samen hadden ze dus voldoende redenen om (bij voorkeur) het ruime sop te nemen. Overheden, bedrijven, wetenschappers en missionarissen versterkten elkaar op zulke reizen.

Het behoeft geen nadere toelichting wat er in de tweede helft van het tweede millennium is gebeurd. Het Westen heeft een flink stempel gedrukt op de rest van de wereld. Landes beschrijft dan ook een West-Rest-verdeling over de wereld. Volgens hem zijn er twee stromingen van uitleg over de verschillen tussen deze twee:

Sommigen beschouwen de welvaart en de dominante positie van het Westen als de triomf van goed over kwaad. De Europeanen, zeggen ze, waren slimmer en beter georganiseerd en werkten harder; de rest was onwetend, arrogant, lui, achtergebleven en bijgelovig. Anderen zien het juist omgekeerd: de Europeanen, zeggen ze, waren agressief, meedogenloos, hebzuchtig, gewetenloos en hypocriet; hun slachtoffers waren gelukkig, onschuldig en zwak — een willige prooi, die dan ook met huid en haar verorberd is.David S. Landes — Arm en Rijk

David S. Landes

Dat het juist de Europeanen waren die zich hadden voorgenomen om de wereld te veroveren—of, als ze zich dat niet hadden voorgenomen, het wel deden zodra ze kans kregen—maakt eigenlijk niet uit. De vraag is juist: waaróm vinden mensen en groepen mensen het zo belangrijk om hun rijk en rijkdommen te proberen uit te breiden, ten koste van anderen? Of is het juist helemaal geen bewuste keuze? Zijn vooruitgang en beschavingen juist experimenten, zoals Ronald Wright het in Kleine geschiedenis van vooruitgang noemt?

Op vruchtbare grond aan de oever van een rivier een klein dorpje bouwen is een goed idee, maar als dat dorpje uitgroeit tot een stad die alle vruchtbare grond in beslag neemt, dan wordt het een slecht idee. (…) Het onvermogen van de mens om gevolgen op de lange termijn te voorzien — of althans er rekening mee te houden — is misschien een gevolg van het feit dat we miljoenen jaren als jagers/verzamelaars van de hand in de tand hebben geleefd? Misschien is het ook weinig meer dan een combinatie van laksheid, hebzucht en domheid, die wordt bevorderd door de vorm van de sociale piramide. De concentratie van macht aan de top van grootschalige samenlevingen heeft tot gevolg dat de elite belang heeft bij het behoud van de status quo; in tijden van tegenspoed blijft het hen nog lang voor de wind gaan, terwijl het milieu en het gewone volk al veel eerder met de gevolgen worden geconfronteerd.Ronald Wright — Kleine geschiedenis van vooruitgang

Ronald Wright

Is er een verschil tussen persoonlijke rijkdom en rijkdom als groep? Hebben samenwerken, samen leven en de enorme toename van het aantal mensen die er tegelijk op aarde rondlopen ervoor gezorgd dat er onbegrijpelijke verschillen zijn ontstaan tussen wat een groep (en dus een gemiddeld persoon) belangrijk acht, en de voorkeuren van een individu (dat nooit het gemiddelde is)?

Volgens Nassim Taleb bestaat (persoonlijke) rijkdom als zorgeloos slapen, een helder geweten, wederzijdse dankbaarheid, afwezigheid van afgunst, (…) spierkracht, fysieke energie, veelvuldig lachen, geen maaltijden alleen, geen gymles, wat fysieke arbeid (of hobby), een goede stoelgang, geen vergaderruimtes en periodieke verrassingen. Het is volgens hem daarom grotendeels subtractiefNassim Taleb - Antifragile. Maar als rijkdom subtractief is—als rijkdom de afwezigheid van de behoefte aan meer is—waarom lijkt de wereld dan grotendeels te draaien om winsten (overschotten), groei van winsten (steeds grotere opeenvolgende overschotten) en groei van de groei van winsten (steeds grotere verschillen tussen opeenvolgende overschotten)?

Wat drijft groepen van mensen in het nastreven van rijkdom? Waarom zijn nieuw, meer en meer meer dan de vorige meer zo belangrijk?

Dezelfde vragen worden beschreven (maar volgens mij niet beantwoord) in de bekende parabel van de visser en de zakenman, waarin een zakenman op vakantie op een tropisch eiland een visser tegenkomt met een prachtige vangst en vraagt hoe lang hij erover heeft gedaan om deze buit binnen te halen. Een half uurtje zegt de visser. Ik kan knettergoed vissen, dus ik ga 's ochtends even de zee op en ben dan zo weer terug. Waarop de zakenman zich afvraagt wat de visser dan de rest van de dag doet. Een beetje luieren, tijd met mijn vrouw en kinderen doorbrengen, een wijntje drinken en uitgebreid eten, dansen en zingen met de mensen in m'n dorp, reageert de visser. De zakenman, nu een beetje geïrriteerd door de domheid van de visserman die zijn zakelijke groeipotentie niet doorheeft, vraagt zich af waarom de visser niet wat meer uren besteedt aan vissen, zodat hij meer kan vangen, meer kan verdienen, een grotere boot kan kopen, mensen aan het werk kan zetten, z'n vloot kan uitbreiden, nog meer kan vissen en al na misschien 15 jaar groei z'n bedrijf kan verkopen voor miljoenen. Ziet de visser dan niet de ongekende mogelijkheden? Want, zo redeneert de zakenman, als je je bedrijf hebt verkocht, kun je met pensioen, op een tropisch eiland wonen, een beetje vissen, luieren, tijd met je vrouw en kinderen doorbrengen, een wijntje drinken en uitgebreid eten, dansen en zingen met de mensen in je dorp.

Cultuur

In de economie wordt er nagedacht over hoe mensen zich het beste het meest waardevolle in goed overleg (door handel) kunnen toe-eigenen. Of: hoe mensen handelen met schaarste als randvoorwaarde. Of: hoe een beperkt aantal spulletjes wordt verdeeld. In de filosofie wordt er (onder andere) nagedacht over wat het beste is voor de mens. Wat goed is. Voor het individu en voor de groep. Beide studies hebben het over wat zou moeten zijn. Dat doen ze op basis van lessen uit het verleden en het analyseren van wat er nu is, of kortgeleden is geweest. Samen met geschiedkundigen kunnen ze iets vertellen over een ideale wereld. Een wereld die nooit bestaan heeft, nooit bestaat en nooit zal bestaan, maar die wel een streven zou kunnen zijn. En dan heeft iedere econoom, iedere filosoof en iedere geschiedkundige daar weer persoonlijke opvattingen over, afhankelijk van de sociale en culturele inbedding en van het denken van die persoon en de mogelijke stroming waartoe deze persoon op dat moment behoort.

Die studies over het goede gaan voor altijd door, want het ís nooit zoals het zou moeten zijn. Het is namelijk zoals het is. En hoe het is, in groepsverband althans, heet cultuur. In zijn boek Culturen sterven langzaamRik Pinxten — Culturen sterven langzaam noemt Rik Pinxten cultuur:

het geheel van gebruiken, overtuigingen en tradities van een bepaalde gemeenschap. Kortom, een cultuur omvat alles wat niet tot de natuur van de mens behoort. Het is alles wat niet is aangeboren, maar door de mens wordt geleerd om te kunnen overleven. De hoogcultuur (kunsten en eventueel religie) vormt slechts een onderdeel van dit grotere geheel.

Rik Pinxten

Geert en Gert Jan Hofstede, og's van cultuuronderzoek, die overigens helemaal niet vinden dat culturen langzaam sterven, beschrijven het in Allemaal andersdenkendenGeert Hofstede et al — Allemaal andersdenkenden als volgt:

De collectieve mentale programmering die de leden van één groep of categorie mensen onderscheidt van die van andere.

Geert Hofstede et al

Het is nu de vraag of cultuur de spiegel van de economie is of andersom, of geen van beiden. Zorgt een hogere welvaart (meer spullen) voor een hoger welzijn (minder verlangens), zoals John Stuart Mill voorspeldeRutger Bregman — Naar een nieuwe vrijheid (in: #onaf — over de zin van onafhankelijkheid in cultuur en media)? In theorie wel dus, zal de econoom betogen. Verlangens worden beantwoord. Maar de praktijk blijkt anders. Cultuur en economie gaan hand in hand.

Volgens psycholoog John Vervaekehttps://www.youtube.com/playlist?list=PLND1JCRq8Vuh3f0P5qjrSdb5eC1ZfZwWJ begint cultuur in de hersenen van het individu. De neurowetenschappen bestuderen de werking ervan. Hersenen verwerken prikkels—data is een mooi populair woord—tot informatie. Op die manier worden er betekenissen gegeven aan natuurlijke fenomenenDe processen waarmee dit gebeurt wordt tegenwoordig nagebootst met machine learning.. De psychologie bestudeert het gedrag van mensen op basis van de processen waarop betekenissen worden toegekend. De volgende stap naar cultuur betreft linguïstiek of taalkunde, de studie van hoe mensen door middel van klanken betekenissen kunnen communiceren, direct of met vertraging (door het op te schrijven of anderszins te documenteren) aan anderen. Antropologen, maar ook sociologen en cultureel geografen, bestuderen de relaties tussen mensen.

Cultuur is een mengelmoes van groepen betekenissen. Het het gemiddelde gedrag van een afgebakend stukje hoi polloi, maar dan wel juist afgebakend door cultuur weer te gebruiken om te bepalen wie nou precies wel of niet tot die hoi polloi behoren. Het mooie van cultuur is dat het niet te sturen is. Je kunt niet eisen dat een cultuur een cultuur moet zijn. Het is simpelweg wat een grote groep mensen doet. Zodra mensen anders gaan doen, dan is de cultuur anders. Dat maakt het zo interessant. Waar economie en filosofie nadenken over wat zou moeten zijn is cultuur dus gewoon wat is.

De grote paradox van het bestuderen van culturen is dat het geven betekenissen aan manieren van toekennen van betekenissen is. Als iemand binnen een bepaalde cultuur de eigen cultuur gaat bestuderen, interfereert de cultuur zichzelf. Gaat de exponent van de ene cultuur de andere cultuur bestuderen, dan zijn er per definitie interpretatieverschillen. Kortom: het is ook nooit goed. En daarom is het zo'n beetje overal een heet hangijzer maar tegelijkertijd ook zo leuk om eindeloos over te ouwehoeren. Daar komt nog eens bij dat de cultuur niet bestaat. Dus de ene persoon behoort gedeeltelijk of geheel tot een veelvoud aan culturen en de volgende in de rij ook, maar wel tot andere culturen. Het is het verschrikkelijke lot van de sociale wetenschappen, dat door de wat exactere wetenschappen soms daarom ook niet altijd even serieus wordt genomen.

Hofstede en Hofstede schrijven in Allemaal andersdenkenden dat cultuur evolueert, precies zoals soorten zich evolueren: door het belang van de groep (de soort) voorop te stellen en niet het individu. Individuen die te individualistisch zijn, sterven vanzelf uit. Kant redeneert daarom dat het goede de behoeftes van de groep prioriteit geven. Het slechte zou je misschien kunnen vinden in hoe je je eigen behoeftes prioriteit geeft.Geert Hofstede et al — Allemaal andersdenkenden Hofstede en Hofstede schrijven: Cultuur is geëvolueerd om groepscoördinatie te verbeteren en één van de voorwaarden daarvoor is het in stand houden van groepsgrenzen. De motor achter culturele evolutie is de dynamiek tussen splitsing en fusieGeert Hofstede et al — Allemaal andersdenkenden, oftewel: autonomie en binding.

Hofstede en Hofstede plaatsen cultuur tussen natuur en persoonlijkheid, waarbij natuur universeel en aangeboren is en persoonlijkheid specifiek voor het individu en aangeboren én aangeleerd is. Cultuur is specifiek voor een groep en ook aangeleerd. Angst en woede zijn onderdeel van de menselijke natuur, een gek hoedje opdoen is meestal cultuur.

Ieder individu behoort tot meerdere groepen en dus tot meerdere culturen. In iedere cultuur heerst een collectieve neiging om een bepaalde gang van zaken te verkiezen boven een andereGeert Hofstede et al — Allemaal andersdenkenden op het gebied van waarden. Aristoteles kon wel mooi een lijstje maken met wat de juiste waarden zijn, maar dan is dan weer de cultuur die impliciet en expliciet bepaalt wat voldoende, goed, schoon, veilig, fatsoenlijk, normaal, logisch en rationeel isGeert Hofstede et al — Allemaal andersdenkenden. Als individu is het daarom altijd veel makkelijker om je te beperken tot maar één cultuur, waarin allerlei gebruiken en opvattingen samenkomen. Dan zit je nooit in een spagaat tussen twee culturen.

Culturen, net als soorten, evolueren, altijd, vanzelf, zonder plan, maar wel padafhankelijk. En sneller ook, door een grotere populatie en meer contact tussen verschillende delen van die populatie. De enige mogelijkheid is leren samenleven zonder te willen dat anderen net zo worden als zij. Iedere andere weg loopt dood.Geert Hofstede et al — Allemaal andersdenkenden

Industrie

Even tussendoor. Weet je wat eigenlijk vet is? Kapitalisme. Een systeem waarin iedereen met elkaar concurreert zodat er, in theorie, altijd de meest efficiënte manier wordt gevonden om te produceren, zodat iedere consument, in theorie, de meest voordelige manier kan vinden om specifieke producten te consumeren. Voor het collectief lijkt dit een briljant systeem.

Het resultaat maar ook de verschijningsvorm van kapitalisme is industrie: een van het woord ijver afgeleide term voor het fabrieksmatig, en dus massaal, produceren van goederen (en diensten). Schaalvergroting is, in theorie, beter voor producenten, consumenten en de omgeving. Het resultaat van dit systeem is, in theorie, meer geld. En dat is de beste universele tegoedbon voor iedereen.

Cultuurindustrie

Theodor Adorno en Max Horkheimer schreven in de jaren veertig van de twintigste eeuw een voor mij vrij onleesbaar boek getiteld Dialectiek van de VerlichtingMax Horkheimer & Theodor W. Adorno — Dialectiek van de Verlichting (Ik probeerde de vertaling van Michel van Nieuwstad te lezen maar faalde daar in.). Gelukkig zijn er bijna honderd jaar later genoeg eloquente indiviuen die het werk in begrijpbare taal hebben vertaald. Eén van deze personen is Stephen West, die in zijn podcastserie over een Duitse filosofische en sociologische stroming, genaamd De Frankfurt School, het werk van Adorno en Horkheimer op eenvoudige wijze uitlegthttps://www.philosophizethis.org/transcript/episode-110-transcript. West vraagt vertelt in het hoofdstuk over de cultuurindustrie hoe de twee Duitse auteurs zich afvragen hoe het komt dat, ondanks alle individuele en collectieve verbeteringen en vooruitgang die kapitalisme ons heeft geboden, mensen nog steeds vervreemd raken van de wereld en neigen naar passiviteit. Het antwoord daarop, volgens hen, is de titel van een hoofdstuk in hun boek en ook dit hoofdstuk: de cultuurindustrie.

Volgens Horkheimer en Adorno moeten we niet vergeten dat het leven kunst imiteert, omdat kunst mensen anders naar de wereld laat kijken. Het is als een ideeënbus voor evolutierichtingen. Kunst creëert nieuwe paradigma's. Het zijn zijwegen, afslagen, bruggen, liften, tunnels en spiegels naar een nieuwe dimensie. Kunst is niet per se gemakkelijk om te consumeren; het zou je aan het denken moeten (kunnen) zetten. Maar wat de cultuurindustrie doet is kijken wat de meeste mensen aan het doen zijn (en daaruit gedestilleerd: waar ze behoefte aan hebben) en dat verkopen als zogenaamde kunst. Popcultuur maakt mensen passief omdat het gemakkelijk te consumeren is en vaste succesvolle bewezen patronen heeft. Popcultuur is populaire cultuur: dat wat de massa al deed. Het is hetzelfde recept, steeds met een kleine verandering om de populatie precies net te laten denken dat het iets nieuws is. De meeste film en muziek zijn simpele adaptaties van wat ervoor al succesvol was voor de meeste mensen. Het is waar iedereen op zit te wachten en wat daardoor een zeer reële kans geeft op winst. Kunst is een product geworden dat je kunt kopen en kunt consumeren, waardoor het zijn effect verliest.

Dit deel van het boek heet Olifantenpaadjes en dat heeft de volgende reden. Een olifantenpaadje wordt binnen de sociale geografie (en gelukkig inmiddels ook daarbuiten want het is een mooi woord) gebruikt voor de vorming van een uitgesleten pad door veelvuldig gebruik. Dit pad is niet-officieel, dus niet-bestraat en niet volgens een plan. Je ziet ze vaak in grasvelden, wanneer de bestrating in rechte hoeken is aangelegd, maar de kortste looproute diagonaal over het grasveld is. Door massaal platdrukken en beschadigen van gras en ondergrond blijft er slechts een zandpad over. De gemeente kan wel mooi hebben bedacht dat mensen in een rechte hoek moeten lopen, maar dat is niet efficiënt, en over gras (en later zand) kun je ook prima lopen. Een olifantenpad is antifragielIk heb Nassim Taleb in Antifragile er niet over zien schrijven, maar ik weet bijna zeker dat ik de term juist gebruik.: hoe vaker het wordt gebruikt, hoe beter het wordt. Olifantenpaadjes ontstaan ook elders, om obstakels heen, tussen twee wegen en door heggen. Het is een prachtig fenomeen, omdat het veel zegt over collectief en repetitief gedrag, maar over het toetsen van collectieve regels door een autonoom individu en zelfs over het daar weer op volgende collectieve gedrag. Vanzelfsprekend zijn olifantenpaadjes genoemd naar de in de omgeving zichtbaar gemaakte looproutes van olifanten, de grootste landzoogdieren op aarde, die bij uitstek als symbool kunnen worden gebruikt voor het creëren van hun eigen favoriete looproutes omdat ze vanwege hun omvang hun omgeving niet lijken te ontzien. Hoewel olifanten heus wel om een boom of een steen heen kunnen lopen en veel meer verschillende soorten landzoogdieren dit soort paadjes gebruiken (en creëren) en olifantenpaadjes in stedelijke omgevingen niet door olifanten gemaakt worden maar door mensen, wordt de term olifantenpaadjes liever gebruikt dan mensenpaadjes. Ik vind dat niet erg.

Olifantenpaadjes worden vaak als metafoor gebruikt voor het verschil tussen wat is (de geplande en uitgevoerde geplaveide delen) en wat zou moeten zijn (het ingesleten pad)Je zou wat is ook kunnen uitleggen als het ingesleten pad en wat zou moeten zijn als het bestraatte pad, maar dat moet je maar even zelf weten.. Sommige architecten maken slim gebruik van olifantenpaadjes en hebben, in plaats van vooraf looppaden te plannen en te bestraten, besloten eerst ergens een grasveld aan te leggen en te kijken welke paadjes uitslijten om vervolgens precies die paadjes te voorzien van bestrating. Dat kun je dan ook weer uitleggen als iets moois maar ook als iets stoms.

Het bestraten van olifantenpaadjes is mij betreft weer een schitterende metafoor voor de cultuurindustrie: kijken naar collectief gedrag en daar producten voor verzinnen. Er ontstaat een pad en dat wordt bestraat. Vervolgens ontstaat er elders een nieuw pad en dat wordt weer bestraat. Zo blijft de cultuurindustrie zichzelf voor altijd vormgeven. Er is collectief gedrag en iemand verzint er een product voor. Vervolgens ontstaat er, door wat voor reden dan ook, nieuw, net anders gedrag (en een nieuw paadje) en daar wordt weer een nieuw product voor verzonnen. Herhaal. Profiteer.

De paadjes zijn het gedrag en de bestrating is het product, maar waarom houden mensen zo erg van spulletjes kopen?

Adorno en Horkheimer gebruiken in hun stuk over de cultuurindustrie een populaire kritiek tegen massaproductie: waar de ambachtsman nog iets van zichzelf in z'n product kan leggen en een autarkisch persoon alleen voor zichzelf of zijn familie of groep werkt, is de arbeider in een kapitalistisch systeem vaak slechts een onderdeel van een veel groter productieproces. Er wordt op individueel niveau nauwelijks iets gecreëerd. Er is geen toevoeging van het zelf aan het product of aan de dienst. En wanneer je als werknemer slechts bijdraagt aan een minuscuul onderdeel van een proces dat simpelweg als doel heeft meer spulletjes verkopen, dan is het niet zo moeilijk om te concluderen dat mensen zich vervreemden van hun werk. Als het werk niet creëren (iets maken uit niets) maar iets produceren (instructies opvolgen) is, dan doodt dat de geest. Het enige wat nog rest is het consumeren van de producten van de cultuurindustrie: massamedia.

Het gevolg, volgens Adorno en Horkheimer, is dat er een wereld ontstaat waarin mensen acht uur per dag afgestompt worden en niet anders kunnen en willen dan passief consumeren wanneer ze klaar zijn met produceren. Werknemer en consument zijn twee rollen en niemand kijkt raar op van het gebruik van deze termen. We zijn ze allebei en houden de cultuurindustrie in beide rollen stevig in stand.

Er is geen duivelse gast genaamd Edward J. Huis die het huis heeft uitgevonden, vertelt Stephen West in de serie over de Frankfurt School in zijn podcast Philosophize this!https://www.philosophizethis.org/transcript/episode-110-transcript. Er is niemand die een groot plan van vervreemding en passiviteit dirigeert. Bedrijven, marketeers of werknemers hoeven individueel niet aangesproken te worden op hun rol in dit systeem, maar het systeem is er wel. Je wordt wakker in een doos (je huis), in een buurt of gebouw zonder veel contact met je buren, die ook in een huis wonen. Je neemt een andere doos (je auto) naar je werk waar je op een snelweg per definitie geen contact hebt met je medeweggebruikers. Je gaat vervolgens acht uur lang in een doos (je werkplek) zitten waar je aan een klein onderdeel van een niet zo heel boeiend geheel werkt en gaat vervolgens weer in je doos terug naar je doos. Het is niet logisch om te veronderstellen dat je na dit werk een vreemde taal gaat leren of filosofische boeken door gaat spitten. Geestdodend werk maakt passief.

Eén van de voornaamste kritieken op dit systeem is dat waar je eerder samen met een groepje mensen in, met, voor en aan dat groepje werkte, je nu slechts verantwoordelijkheid aflegt aan een baas, die vaak gezichtsloos is en verder ook nauwelijks een relatie met jouw heeft behalve een contract waarin de randvoorwaarden staan. Het gemeenschappelijke land is opgeëist door slimmeriken die een hekje om het land zetten en individualisten maken van mensen zonder gemeenschappelijk bezit. De verantwoordelijkheid naar de gemeenschap werd verlegd naar een baas terwijl werknemers elkaars concurrenten werden. Van positieve vrijheid met als belangrijkste doel het nastreven van gemeenschappelijke doelen naar een focus op negatieve vrijheid waar je slechts op zoek kunt gaan naar momenten waarop niemand zich met je bemoeit.

Kunst

Noch zelf noch rijkdom kan worden gemeten in wat je consumeert of bezit.Rolf Potts - Vagabonding

Rolf Potts

Yin en Yang zijn de twee Chinese termen die verwijzen naar twee onderdelen van een Daoïstisch symbool. Het symbool, dat zeer handig yin-yangsymbool wordt genoemd, is een cirkel met daarin twee slangachtige vormen, één zwart en één wit. Het symbool staat voor het leven maar ook voor hoe te leven. Het bestaat uit de twee ultieme categorieën van realiteit: orde en chaos, maar het witte (yin) en het zwarte (yang) vlak betekenen meer dingen. Yin staat voor het vrouwelijke, de maan, kou, haat, stilte en duisternis. Yang staat voor het mannelijke, de zon, warmte, liefde, beweging en licht. Het is juist een krachtig symbool omdat het laat zien dat het ene niet zonder het andere kan bestaan. Het witte vlak bevat een zwarte stip. Het zwarte vlak bevat een witte. Chaos kan door een klein sprankje orde weer herstellen. Orde kan door iets kleins ontaarden in chaos. En dan zijn er nog de twee vlakken die precies in elkaar passen. Het symbool bevat een vloeiende grenslijn tussen wit en zwart, zwart en witIk gebruik hiervoor een uitleg van Jordan Peterson in een H3 podcast die offline gehaald is.. Het is zo'n krachtig symbool omdat het aangeeft dat het leven (en de juiste manier van leven), volgens het Daoïsme, een samenwerking tussen de twee is. De realiteit bestaat uit wat er is en alle mogelijke mogelijkheden. Precies op de grens tussen de twee kleuren is waar de zin van het leven te vinden is.

Op de grens van wit en zwart is ook waar de kunsten zich bevinden. De auteur Steven Pressfield vergelijkt in zijn boek The war of artSteven Pressfield - The art of war de amateur met de professional. Het woord amateur, afgeleid van amare, dat liefhebben betekent, zou kunnen wijzen op de beweegredenen van de amateur om iets te doen: vanwege de liefde voor de bezigheid (en niets anders). Pressfield veegt echter de etymologie van tafel en draait het, zonder opgaaf van reden, om: hij noemt de professionals juist mensen die zich geen zorgen maken om wat anderen van ze vinden en amateurs juist mensen die dat wel doen. Want anders waren die amateurs wel professionals toch?

Laten we het even recht zetten: het onderdeel pro betekent vooraf en fessio staat voor een gelofte, een eed. Een professional is iemand die van tevoren een zekere standaard belooft. Het is iemand die volgens voorwaarden werkt, iemand van wie je een zekere kwaliteit kunt verwachten. Er zit zo juist in het woord een bepaalde afhankelijkheid tussen twee partijen opgesloten. Dit in tegenstelling tot de amateur, degene die liefheeft en zich niet bekommert over andere individuen. Wie maakt zich dan druk om de mening van anderen? De professional of de amateur?

Hoewel Pressfield het wat mij betreft precies fout heeft in zijn vergelijkingen tussen amateurs en professionals (niet de amateur maar juist de professional heeft grandioze fantasieën), geeft hij wel heldere inzichten over wat de opdracht of de beweegreden van de kunstenaar is. Hij legt uit dat mensen miljoenen jaren als sociale wezens hebben geleefd: het belang van de groep en de soort stond voorop. Tot er een paar duizend jaar geleden iemand het idee van individualiteit en vrijheid opperde, begrippen en ideeën die pas een paar honderd jaar geleden tijdens de Verlichting extra veel aandacht kregen. Misschien is het wel aan de kunstenaar om zich constant af te vragen hoe is om een vrij individu te zijn en wat er dan gedaan moet worden. Misschien is iedere kunstuiting wel een mogelijk antwoord op die vraag, maar wel steeds het verkeerde.

De Franse filosoof Roland Barthes beschrijft de verschillen tussen amateurs en professionals als volgt:

De amateur wordt niet noodzakelijkerwijs gedefinieerd door een mindere kennis, een onvolmaakte techniek... maar veeleer hierdoor: hij is degene die niet tentoonstelt, degene die niet van zich laat horen. De betekenis van deze verduistering is als volgt: de amateur probeert alleen zijn eigen genot te produceren. (…) als hij eenmaal exposeert en van zich laat horen, als hij eenmaal een publiek heeft, moet zijn plezier in het reine komen met een 'beeld', dat is het discours dat de Ander biedt over wat hij doet.Roland Barthes in een tekst over de kunstenaar Bernard Réquichot, 'Réquichot and his Body', in: The Responsibility of Forms: Critical Essays on Music, Art, and Representation, Berkeley/Los Angeles, University of California Press, 1991, p.230

Roland Barthes

De amateur is juist iemand die het hartstikke goed begrepen heeft (wellicht zonder dat zij haar best deed om iets te begrijpen). Iemand die snapt dat vooraf afspreken wat je gaat doen en tot welke categorie het behoort, juist ervoor zorgt dat iedereen zich tegen je werk aan gaat zitten bemoeien. De amateur begrijpt dat de remedie tegen de anxiety, die ontstaat door te bewegen in een hiërarchie, is om buiten de hiërarchie te stappen. En daar is Pressfield het dan ook weer mee eens. Volgens hem is het het ego dat ons in die hiërarchieën drukt: wedijveren met anderen, vechten om naar boven te komen, de status quo verdedigen tegen aanvallen van onder, geluk en succes meten en acteren naar anderen op basis van rangorde en het evalueren van acties op basis van het effect op anderen.

De kunstenaar is een non-confirmist bij uitstek. Iemand die zich weigert te specialiseren, terwijl dat van bijna ieder ander beroep werd geëist in het kader van een steeds radicalere arbeidsdeling.Peter Bürger

Hij is degene die iets te doen heeft wat nergens voorgeschreven staat, in tegenstelling tot zijn medemensen, die maar al te goed weten wat iedere dag hen brengt – wat tegelijk een vloek en een geruststelling is.Dirk Lauwaert — De Roeping, De Kunstenaar en hun Carrière,

We kunnen kunst dus niet vastleggen. We kunnen het niet verkopen. Er zijn geen sequels in kunst. Geen featurings. De kunstenaar is precies niet degene die maakte waar we eigenlijk allemaal al behoefte aan hadden, gepresenteerd in de vorm die we al kenden, in een herkenbare stijl, uitgevoerd door bekende populaire mensen, in samenwerking met die multinational, met een prachtig budget vermarkt op populaire platforms en plekken. Integendeel. We weten nog niet wie en wat de kunstenaar is.

Hoofdstuk 5

Negen tot vijf tot negen

Toil in de tuin

God weet dat wanneer je ervan eet, je ogen geopend zullen worden en dat je als God zult zijn, goed en kwaad kennend.

Genesis 3:1-24

In een vorig hoofdstuk vertelde ik over mijn verre voorouder N'Gabe die de eerste woorden had bedacht. Deze voorouder was niet alleen verantwoordelijk voor de woorden jij en ik maar ook voor slang en vogel, hier en daar en toen en nu. Maar N'Gabe heeft niet echt bestaan en als hij bestond heeft hij deze woorden ook niet bedacht. Ik heb dit verhaal verzonnen om het concept tijd uit te leggen. Had je kunnen weten. Het is heel toevallig dat er precies één persoon al die woorden heeft verzonnen en dat dat nou nét mijn voorouder is geweest, van wie ik de naam nog weet en dat dat heuglijke feit ook nog bewaard is gebleven voor mensen anno nu. Stukje kritisch denken, beste lezer. Volgende keer beter.

Maar die woorden waren wel degelijk de eerste woorden van mensen. De woorden waren symbolen voor dingen die op dat moment het meest fundamenteel waren, zoals toen en nu. Het concept tijd is essentieel voor het mens-zijn. Misschien wel het belangrijkste voor alles dat na die ontdekking kwam.

Wat er wél is gebeurd is het volgende. Een tijdje geleden had God de aarde geschapen met alle mogelijke features en benefits maar er miste nog iets. Daarom pakte God een hoopje stof en kneedde dat net zo lang tot er een mens uit ontstond. Adam heette die mens, gecreëerd naar het evenbeeld van God. Uit Adam nam God een rib en van die rib creëerde God een partner voor Adam, die hij Eva noemde. Had ook wat minder gruwelijk gekund. Stukje vooruitdenken, God. Adam en Eva deden een aanvraag en al snel kregen zij als statushouder een verblijfsvergunning om in Het Paradijs te gaan wonen. Dat paradijs was toen ook werkelijk een paradijs. De leeuw leefde samen met het schaap en de (twee) mensen waren in harmonie met de natuur. De enige taak die Adam en Eva kregen was ervoor zorgen dat het paradijs netjes aangeharkt bleef en dat de harmonie in stand werd gehouden. Maar, zei God, het was niet de bedoeling om vruchten te eten van de boom in het midden van het Paradijs, de boom van de kennis van goed en kwaad. Zolang dat niet gebeurde, was alles koek en vree. Pais en zopie.

Maar toen was daar opeens een slang. En die slang verleidde Eva om tóch vruchten van die boom van de kennis van goed en kwaad te eten. Want, zo zei de slang, als je een vrucht van deze boom eet, dan weet je, net als God, wat goed en kwaad is. Het is toch helemaal fantastisch om te weten wat God weet? Dus ondanks het simpele verzoek van God, nota bene de schepper van die twee mensen, om alles in het Paradijs te doen behálve van deze boom te eten, dacht Eva geen drie seconden na over de argumenten van de slang en nam een hap van een vrucht van die boom. Was een prima vrucht ook. Sappig en zoet. Goede keuze, zo leek het. Gala-appeltje.

Maar God was not amused. Het enige verbod werd genegeerd. En precies wat er zou gebeuren, gebeurde. Door van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten wisten Adam en Eva, onze voorouders, en de voorouders van iedereen op de wereld, wat goed en kwaad was. En met dit besef begon de mensheid. God knikkerde ze uit het Paradijs en veroordeelde ze tot een leven lang hard werken.

Maar waarom?

Het essentiële verschil tussen mensen en dieren is dat ze in de toekomst kunnen kijken. Het fundamentele idee van de mensheid is dat we kunnen onderhandelen met de toekomstJordan Peterson — 12 Rules for Life. Als je weet dat er een straks is, dan weet je dat je nu iets kan doen om dat straks te beïnvloeden. Het is begrijpelijk dat God zijn twee proto-mensen probeerde te behoeden van dit besef en daarom nogal boos werd wanneer ze dan toch van die boom aten. Want dit besef opent zo verschrikkelijk veel andere deuren die mensen definitief van dieren onderscheiden. Er was geen andere optie dan een verbanning uit het Paradijs. Het was zelfs het logische gevolg. Er bestond geen paradijs meer na het besef van goed en kwaad.

Het besef van goed en kwaad is namelijk afhankelijk van het besef van tijd. Als je weet wat er nu moet gebeuren om straks pijn te hebben, dan weet je namelijk ook wat je nu moet doen om een ander straks pijn te laten lijden. Als je weet wat niet goed is voor jezelf, dan weet je ook wat niet goed is voor een ander. Dat is het essentiële idee van het kwaad. En tegelijkertijd ontstaat zo ook het concept compassie. Als je weet hoe je kwaad kunt doen, weet je ook wat het goede is om te doen. Goed en kwaad zijn onlosmakelijk verbonden met het concept tijd. Er is geen dier dat deze concepten kent.

Kennis over tijd heeft ook invloed op het idee van schaarste. Zonder tijd is er alleen maar overvloed, in het nu en voor altijd. Zodra je weet dat er ook een toekomst is, kun je je een voorstelling maken van toekomstige overvloeden en tekorten. Het fundamentele verschil is dat mensen die notie hebben genomen van tijd, áltijd enige vorm van angst ervaren. Aan de ene kant een sluimerende angst dat het in de toekomst nog wel eens mis zou kunnen gaan, en aan de andere kant de droom van mogelijke overvloed (en het niet of nooit bereiken ervan).

Landbouw is een resultaat van het concept tijd. Als je nu iets in de grond stopt en arbeid verricht op een stukje land zodat plantjes extra goed groeien, dan leveren ze straks waarschijnlijk veel op. En zo heeft tijd, door middel van het concept schaarste, ook het concept economie gecreëerdMarshall Sahlins noemt het in zijn boek Stone Age Economics het meest fundamentele economische probleem..

Vuur is ook het resultaat van het idee van tijd. Als je nu iets kunt roosteren, koken, bakken of drogen, dan heb je er straks wat aan. Je kunt etenswaren langer houdbaar maken en je kunt het bovendien sneller verteren. Door vuur te maken creëer je ook vrije tijd, waarin je kunt prutsen, proberen, praten en nadenken. Claude Lévi-Strauss stelt dan ook dat gekookt(letterlijk: cooked of: bereid) parallel is aan cultuur en rauw aan natuurClaude Lévi-Strauss — The Raw and the Cooked. Er is wat voor te zeggen, omdat we nu nog steeds spreken van raw materials, die worden verwerkt.

Mensen zijn goed in het opdoen van nieuwe vaardigheden. Je zou kunnen stellen dat de fundamentele eigenschap van mensen is dat ze de vaardigheid hebben om vaardigheden te lerenJames Suzman — Work. Dat is essentieel voor menselijke collectieve evolutie. Ik zou willen stellen dat deze vaardigheid nauw verbonden is aan autonomie.

De precieze straf die God gaf aan Adam en Eva na het eten van de verboden vrucht is hard werken. Het besef van tijd zorgde ervoor dat mensen, ieder mens als individu maar ook de mensheid in zijn geheel, vergiftigd was met het besef van werk. Tot in de eeuwigheid het land bewerken, onkruid verwijderen, ploegen en zwoegen. Voor altijd denken aan de toekomst, waarin het eventueel beter is, mits er vandaag hard gewerkt wordt om dat mogelijk te maken. En ook: als de toekomst het resultaat van nu is, dan is er ook een betere toekomst door nu meer je best te doen.

Maar niet alleen de toekomst werd ontdekt. Het verleden droeg misschien nog wel meer bij aan de intelligentie van de mens. Want als er een straks en een nu zijn, dan móet er ook een eerder zijn geweest. Het verbouwen van voedsel maakte dit besef tastbaar: op basis van ervaringen uit het verleden in het heden dingen doen om de toekomst te scheppenJames Suzman — Work.

Kortom, Adam en Eva hadden maar beter moeten luisteren naar God, maar aan de andere kant was er geen wifi geweest en hadden we zelfs niet over Adam en Eva geweten als ze niet van de verboden vrucht hadden gegeten.

We kunnen nu verder met het antwoord op de vraag waarom mensen werken. Dat antwoord is niet een schaapachtig omdat ze de hypotheek moeten betalen maar, meer intellectueel: omdat ze in de toekomst kunnen kijken.

Offers

Degene die weinig wil bereiken, moet weinig offers brengen; degene die veel wil bereiken moet veel offers brengen; degene die grootsheid wil bereiken, moet enorme offers brengen.

James AllenJames Allen — As a man thinketh

Een idee dat best diep in allerlei culturen geworteld zit, is dat van hard werken. Dat loont namelijk, wil dat idee. Hoe meer je doet, hoe beter de opbrengst. Hoe groter het offer, bijvoorbeeld in de vorm van fysieke arbeid, hoe beter de toekomst van je kinderen. Hoe harder je studeert, hoe beter het resultaat. Hoe meer geld je niet nu uitgeeft, hoe zonniger je financiële toekomst. Hoe meer vier maal acht herhalingen bankdrukken, hoe groter de chest op het strand.

Over die chest gesproken: juist in de fitnesswereld zijn de offers ver te zoeken. Mensen zijn wel consistent jarenlang aan het overeten en vermijden iedere vorm van fysieke inspanning, maar denken dan binnen de kortste termijn een sixpack te krijgen zonder er wat voor te doen (of eigenlijk: ervoor te laten). Nog nooit enige vorm van inspanning geleverd, maar wel de marathon van New York met je collega's willen lopen komend najaar. Sinds het guldentijdperk acht avonden per week gevulde koeken frituren, maar nu voor de zomer nog even snel 27 kilo verliezen.

Het gebrek aan enig inlevingsvermogen bij de grote massa geeft bestaansrecht aan zo'n beetje ieder bedrijf in de fitnessindustrie. Ieder jaar komt er weer iets nieuws langs dat zogenaamd binnen de kortste keren, het liefst zonder enig offer, een uitmuntend resultaat belooft. De detox is een mooi voorbeeld van een heel slecht offer met een buitensporige belofte en ook dat domme fitnessconcept waarbij je je overhemd aan kunt houden omdat je zogenaamd nu een volledige training kunt uitvoeren in anderhalve zucht. Maar zelfs het concept sportschool kan tot deze categorie gerekend worden.

Tijdens de verplichte sluiting van sportscholen en -verenigingen tijdens de coronapandemie werd er druk gealarmeerd en geroepen dat sporten zou bijdragen aan het tegengaan van overgewicht. Dat zou zogenaamd zo belangrijk moeten zijn in deze gezondheidscrisis, maar de correlatie tussen sportabonnementen en overgewicht suggereert ten minste het tegendeel. Er is helemaal niemand die kan bewijzen dat sportverenigingen obesitas verminderen. Er is enkel correlatie de andere kant op.

De sportschool kun je ook prima uitleggen als een poging met het kleinste offer het grootste resultaat te behalen. Even op de loopband staan en ik probeer drie keer in de week te gaan zijn daar beeldige illustraties van. Ik heb een personal trainer dus nu komt het goed is de wat luxere versie van hetzelfde gebrek aan bewustzijn. Wat ga je nou precies bereiken met je abonnementje?

Het helpt ook voor geen meter dat iedereen nu op zoek gaat naar wat werkt voor mij. Alsof er een grote menukaart in de wereld is met dingen die we naar ons toe kunnen schuiven om de wereld die we voor ogen hebben mogelijk te maken. Alsof het leven een exercitie is in het vinden van oplossingen. Dingen die werken, ongeacht de hoeveelheid moeite die je er zelf in stopt. Iets moet werken voor mij, zodat ik onderuit kan zakken.

Gezondheid is één van de meest lastig te definiëren concepten, maar het is in ieder geval niet een korte weg naar een fantastisch doel.

Als gezondheid werkelijk, zoals Nassim Taleb zegt, slaap zonder zorgen, een zuiver geweten, wederzijdse dankbaarheid, vrijheid van jaloezie, een goede eetlust, spierkracht, fysieke energie, regelmatig lachen, geen maaltijden alleen, geen sportschoolklasjes, fysieke arbeid, een goede stoelgang, geen vergaderingen en periodieke verrassingen isNassim Taleb — Antifragile, dan moet je daar gelijkwaardige offers voor brengen.

1, 2, 3, 4

Een jager-verzamelaar heeft een directe relatie tussen voedsel vinden en opeten. Simpelweg is het een kwestie van ergens naartoe lopen, je hand uitsteken en iets in je mond stoppen. In de praktijk is het vaak wat lastiger. Vooral het jagen vergt wat voorbereiding, moeite, samenwerking en, daar heb je ze weer, wat offers. Hoewel de jager-verzamelaar onder een boom kan liggen rusten en ook best wat kilootjes extra met zich mee kan slepen, is er nauwelijks een oneindigheid aan het opslaan van energie. Laat staan aan het verhandelen ervan, in welke vorm dan ook. Er is gewoon de natuur waar je dingen uit kunt halen. Het is altijd aanwezig, dus je hoeft niet na te denken over later. Er is alleen nu.

De volgende stap, landbouw, wat in dit boek al uitvoerig is besproken, is nog steeds een versie van de natuur. Moeder aarde is weliswaar netjes kaalgekapt, ontdaan van distels, brandnetels en ander onkruid, omgeploegd, bezaaid met allemaal dezelfde zaadjes, besproeid met antikevervloeistof en machinaal ontdaan van de opbrengst, het blijft een directe relatie tussen natuur en consument. Deze directe relatie wordt de primaire sector genoemd. Naast landbouw behoren veeteelt, visserij, jacht en mijnbouw ook tot deze primaire sector. Deze sector wordt vooral door mensen die zich verdienstelijk in deze sector maken gezien als de meest pure vorm van arbeid. Daar is best wat voor te zeggen omdat er weinig stappen tussen moeite en opbrengst zijn. Het staat het dichtst bij het plukken van een appel om die op te eten. Je strekt je hand en grijpt iets uit de natuur.

De moderne mens heeft ook werk gemaakt van allerlei vormen die hier op voortborduren. De secundaire sector bestaat uit alle soorten werk die de opbrengst uit de primaire sector verwerken tot een nieuw product of juist andere spulletjes uit de secundaire sector worden verwerkt. Je zou deze sector ook de industrie kunnen noemen.

De tertiaire sector betreft de dienstensector. Dit zijn bijvoorbeeld bedrijven die spulletjes uit de primaire of secundaire sector verkopen. Maar tot deze groep behoren ook marketing- en reclamebureaus die, als in alle gemakken voorzien dreigt te worden, nieuwe behoeften verzinnen zodat de secundaire sector weer wat nieuws kan maken van de spulletjes uit de primaire sector en andere bedrijven in de tertiaire sector weer nieuwe troep te verkopen hebben. Of, slimmer nog, behoeften bedenken die geen spulletjes maar diensten zijn.

Dan is er nog de quartiaire sector. Deze bevat alle niet-commerciële of collectief gesubsidieerde werkzaamheden zoals wetenschap, ziekenhuizen, brandweer, onderwijs en cultuur.

Waarom is deze les economie aan twee havo nu opeens onderdeel van dit boek? Omdat het als kapstok kan dienen voor het begrijpen van hoe mensen hun tijd indelen. De keuze van het soort werk en de bijbehorende verantwoordelijkheid heeft alles te maken met het type sector waartoe het soort werk behoort. En daardoor zijn die sector veelal bepalend voor de mate van autonomie in het werk.

Die autonomie in werk heeft alles te maken met de waarde van de spullen die worden gecreëerd met het werk. De jager-verzamelaar nam een struik boerenkool uit de grond en at die op en ging daarna onder een boom liggen wachten tot hij opnieuw zin kreeg in een struik boerenkool. Later werden er iets meer boerenkolen dan nodig uit de grond getrokken en verhandeld. Daarna werden knollen op grote schaal verbouwd en verwerkt tot boerenkoolstamppot en instant boerenkoolpoeder. Er ontstonden boerenkoolpoederverkopers en boerenkoolpoedermarketeers, maar ook mensen die andere mensen gingen vertellen hoe ze het beste de hun werk op de klantenservice van het boerenkoolpoederbedrijf konden doen. We gaan erachter komen of dit type mensen de wereld beter maakt.

Agenten

Only Robinson Crusoe got it all done by friday!

Michael Foley — Age of absurdity

De heren Ryan en Deci hebben de zelfdeterminatietheorie (self-determination theory, SDT)Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. Journal of Personality and Social Psychology, 70(1), 1-12. ontwikkeld en onderstrepen hiermee het belang van individuele autonomie. De zelfdeterminatietheorie is een macrotheorie van menselijke motivatie; een theoretisch raamwerk dat iets belangrijks probeert te verklaren. Een enorm ding dus, omdat het concept motivatie zo'n beetje overal voorkomt. In persoonlijke levens, maar ook in gezondheidszorg, onderwijs, werk, sport, religie en psychotherapie bijvoorbeeld. Logisch ook, aangezien we inmiddels weten dat het hele idee van mens-zijn is dat we in de toekomst kunnen kijken. Maar nadat we in de toekomst hebben gekeken en een idee hebben gevormd over wat er gaat gebeuren op basis van wat we nu wel of niet doen, moeten we natuurlijk ook werkelijk gemotiveerd zijn om datgene te doen. Dit is een essentieel en boeiend onderwerp. Zo boeiend, vonden Ryan en Deci, dat ze decennia lang aan die zelfdeterminatietheorie hebben zitten sleutelen. En die theorie wordt door veel mensen als behoorlijk solide beschouwd.

In een paper uit 2000 waarin de onderzoekers de theorie uiteenzetten, beginnen ze met een normatieve paragraaf waarin ze the fullest representation of humanity definiëren. De beste mens is volgens hen nieuwsgierig, vitaal en self-motivated. Het is slecht te vertalen in het Nederlands omdat gemotiveerd nou precies het punt mist van dat self, maar zelf gemotiveerd weer niet dezelfde betekenis heeft als in het Engels. En intrinsiek gemotiveerd past wel, maar is het ook niet helemaal. Maar u begrijpt het vast, lieve lezer.

At their best, [people] are agentic and inspired, striving to learn; extend themselves; master new skills; and apply their talents responsibly.

Ook deze zin is weer moeilijk te vertalen in het Nederlands. Wat betekent agentic? De term agent is in het Engels veel gebruikelijker dan in het Nederlands. Het is niet de moderne versie van een veldwachter en ook geen baliemedewerker, maar iemand die handelt, maar dan weer niet als de lokale fietsendief of een wat legalere import/export-medewerker. Een actor zou je ook kunnen zeggen, maar wie gebruikt dat nou weer in het dagelijks taalgebruik?

Wat is dan agentic? Het zou iets als doelgericht of doelmatig kunnen zijn. Met deze vertaling is de beste mens volgens Ryan en Deci dus iemand die (onder andere) doelgericht, geïnspireerd, leergierig en gericht op groei is, terwijl talenten verantwoordelijk worden ingezet. Dat vind ik erg mooi, en past ook redelijk goed met wat er in dit boek al is besproken over de verhouding tussen individuele autonomie en de inbedding in het collectief. Nu wil ik mezelf niet te veel eer toedichten, omdat ik het paper van Ryan en Deci natuurlijk al had gelezen voor de eerste letter op papier stond.

Wat fijn dat we nu een nieuwe definitie van een goed mens hebben. Maar we weten nog steeds niet hoe iemand gemotiveerd kan raken om iets doen of te laten, terwijl we allemaal kunnen concluderen dat er veel redenen zijn dat het vuur om in actie te komen kan worden gedoofd, waardoor mensen helemaal geen eigenschappen van een goed mens vertonen. Hoe moet het dan wel?

Hier gaat de zelfdeterminatietheorie over. Volgens deze theorie zijn er verschillende soorten motivatie, die worden beïnvloed door drie basispsychologische behoeften die we aan het begin van dit boek al hebben behandeld: competentie, autonomie en verbondenheid. Het voldoen aan deze behoeften zorgt er vervolgens voor hoe motivatie van amotivatie via extrinsieke (geïnternaliseerde, geïntrojecteerde, geïdentificeerde en geïntegreerde) motivatie, naar intrinsieke motivatie loopt, langs een schaal waarin zelfdeterminatie een steeds hogere waarde heeft. Intrinsieke motivatie is volgens de theorie dus de beste motivatie. Waarom? Omdat het de hoogste mate van interesse, plezier en inherente voldoening veroorzaakt. Amotivatie, aan de andere kant, is niet-gemotiveerd zijn door gebrek aan intentie, waarde, competentie of het toekennen van waarde. Extrinsieke motivatie is motivatie veroorzaakt door iets van buitenaf, al dan niet belangrijk gemaakt door het zelf. En zo is het rijtje compleet: van niet gemotiveerd, via motivatie door iets van buitenaf naar de beste motivatie.

Om iemand gemotiveerd te krijgen, of om als individu gemotiveerd te raken, is het belangrijk om de behoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid te ondersteunen, zodat het type motivatie zo ver mogelijk van amotivatie richting intrinsieke motivatie beweegt. Dit kan bijvoorbeeld door keuze, maar de belangrijkste kanttekening is dat het niet gaat om zo veel mogelijk keuze maar zo veel mogelijk keuzevrijheid. Dit is het belangrijke verschil tussen vrijheid en autonomie, waarbij paradoxaal genoeg keuzevrijheid hier het vermogen om te kiezen betekent en keuze slechts het aantal opties is.

Een andere manier voor het verhogen van motivatie is het stellen van haalbare doelen die uitdagend zijn maar ook haalbaar, zodat het gevoel van competentie wordt ervaren. Dit is het precieze onderwerp van het boek Flow van Mihaly CsikszentmihalyiMihaly Czikszentmihalyi — Flow, waarin wordt betoogd dat de meest bevredigende en gelukkige ervaringen kunnen worden toegeschreven aan het kruispunt tussen vermogens en uitdaging. Te moeilijke taken veroorzaken stress. Te gemakkelijke taken veroorzaken verveling. De bandbreedte ertussen resulteert in flow: een toestand van diepe betrokkenheid en bevrediging. Dit was de snelste samenvatting van het boek.

Ryan en Deci concluderen dat mensen een neiging hebben naar zowel actie en integratie, maar ook een kwetsbaarheid hebben die kan leiden tot passiviteit. Het eerste is beter dan het tweede, en proberen te begrijpen hoe motivatie werkt, maakt mensen beter.

We found that conditions supportive of autonomy and competence reliably facilitated this vital expression of the human growth tendency, whereas conditions that controlled behavior and hindered perceived effectance undermined its expression.

Zo, nu hoor je het ook eens van twee anderen. Laten we dit hoofdstuk besluiten met een, ook voor de onderzoekers, belangrijke kanttekening over het begrip van het begrip autonomie, uit dezelfde paper:

The concept of autonomy has often been portrayed as being antagonistic to relatedness or community. In fact, some theories equate autonomy with concepts such as individualism and independence (…), which do indeed imply low relatedness. But within SDT, autonomy refers not to being independent, detached or selfish but rather to the feeling of volition that can accompany any act, whether dependent or independent, collectivist or individualist.

Vriendjes van de baas

Als we net hebben geconcludeerd dat intrinsieke motivatie de beste motivatie is omdat het de hoogste mate van plezier en voldoening (en interesse in de taak zelf) geeft, waarom bestaan er dan managers? Waarom bestaan er mensen wiens taak het is om te bekijken, meten en evalueren of iemand anders belangrijk werk doet en dat eventueel te verbeteren?

Het is allemaal de schuld van Frederick Winslow Taylor. Maar als hij het niet had gedaan, dan was het wel iemand anders geweest want de tijd was er helemaal rijp voor.

Over de mate van economische progressie in de middeleeuwen zijn de meningen verdeeldhttps://www.quora.com/Was-there-any-human-progress-in-the-middle-ages, maar we kunnen blijkbaar wel concluderen dat de opbrengst in de landbouw nogal dramatisch was. Niet alleen ten opzichte van nu (er zijn nu zo'n 30 geoogste zaadjes per geplant zaadje tegenover drie geoogste zaadjes per geplant zaadje in het jaar 1000, met als kanttekening dat er nu ook nog meer zaadjes per vierkante meter geplant kunnen worden)Broadberry, Stephen (2008). English Agricultural Output 1250–1450: Some Preliminary Estimates (Report), maar ook ten opzichte van honderd jaar eerder en later. Dat kwam door weinig technologische ontwikkelingen en ook door natuurrampen (die sneller als zodanig werden beschreven door slechtere voorbereidingen) en epidemieënhttps://en.wikipedia.org/wiki/Black_Death. Het resultaat was dat de totale bevolking weliswaar groeide, maar niet zo heel hardhttps://www.statista.com/statistics/1303831/western-europe-population-development-historical/. Het kabbelde een beetje voort.

In de veertiende en vijftiende eeuw waren het note bene de lage landen waar een beetje progressie werd gemaakt in de landbouwClark, Gregory (1992). "The Economics of Exhaustion, the Postan Thesis, and the Agricultural Revolution". The Journal of Economic History. 52 (1): 61–84.. Het was (en is) dan ook één van de beste plekken om landbouw te bedrijven: het klimaat is er voorspelbaar, de grond vruchtbaar en er is genoeg water maar ook niet te veel. En het vriest er wel maar niet lang en ook niet hard. Verder helpt het ook dat die lage landen (we hebben het over het huidige Nederland en België) in Europa liggen, wat volgens Jared Diamond, door het betrekkelijk homogene klimaat, een hoge kustlijn-tot-oppervlakteratio en een lange historie van mensdierinteracties, heeft bijgedragen aan een versnelde technologische en economische vooruitgangJared Diamond — Guns, Germs, and Steel: The Fates of Human Societies.

Een stel boeren trok wat akkers strak, gebruikte nieuwe soorten ploegen die in China allang gemeengoed warenhttps://howardsuer.wordpress.com/2009/11/01/how-the-chinese-plow-changed-the-world/, bedacht hoefijzers en hamen, begon iets meer te bemesten, ontdekte dekgewassen, bouwde een fatsoenlijke infrastructuur (en maakte gebruik van bestaande waterwegen) en zo ontstonden er langzaam maar zeker wat overschotten. Die overschotten zorgden in de eerste plaats voor meer voedselzekerheid en minder hongersnoden. Dat resulteerde weer in een snellere bevolkingsgroei. Maar deze agrarische revolutie had ook als effect dat er minder mensen nodig waren om op het land te werken om dezelfde oogst te verkrijgen. En ook toen, vanaf de veertiende eeuw, was het niet zo dat mensen gingen luieren zodra het werk efficiënter gedaan kon worden, maar zochten ze nieuwe vormen van arbeid. Er waren wel wat utopische gedachten over een vijftienurige werkweek, maar samen met talloze andere voorwaarden zoals toegang tot hulpbronnen, wetenschappelijke ontdekkingen en beschikbaarheid van kapitaal, rolde de wereld de industriële revolutie in. Het zwaartepunt van economische progressie was intussen het Kanaal over naar Groot-Brittannië overgestoken en daarmee was ook de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van de troon gestoten als grootste Europese speler op het wereldtoneelhttps://eh.net/encyclopedia/the-dutch-economy-in-the-golden-age-16th-17th-centuries/. Het duurde overigens niet veel langer totdat Groot-Brittannië op haar beurt weer werd ingehaald door een vrij recent opgericht progressief landje aan de andere kant van de oceaan: De Verenigde Statenhttps://www.visualcapitalist.com/2000-years-economic-history-one-chart/.

In de Verenigde Staten waren er op dat moment nog veel betere voorwaarden samengekomen om de volgende economische sprint te trekken. Technologieën en bijbehorende brein- en mankracht waren de Atlantische Oceaan overgestoken naar een enorm land met een gigantische hoeveelheid hulpbronnen. Ondernemerschap, een gunstig politiek klimaat en een voortdurende aanwas van migranten deed de rest. In dat land werd ergens halverwege de negentiende eeuw Frederick Taylor geboren uit een huwelijk tussen een uit hypotheekvertrekking vermogen opgebouwde advocaat en een in het Franse Le Havre geboren abolitioniste (die overigens al op achttienjarige leeftijd een antislavernijconventie in Londen bijwoondehttps://www.womeninpeace.org/t-names/2017/7/18/emily-annette-taylor]. Hoewel Taylor, net als zijn vader, een studie rechten overwoog (die vader overwoog het niet alleen—maar rondde het ook af), besloot hij door een verslechterd zicht toch in een fabriek te gaan werken. Daar ontdekte hij dat sommige collega's doelbewust hun werkgevers in het ongewisse lieten over hoe snel het werk werkelijk gedaan kan wordenHughes, Thomas Parke (1989). American Genesis – A Century of Invention and Technological Enthusiasm, 1870–1970, waardoor dat, volgens hem, nogal wat overbodige arbeidskosten opleverde en een slechtere bottom line.

Je hebt ze er altijd bij. Vriendjes van de baas.

Hoewel Taylor door bevriende en bevijande collega's op fysieke gevaren werd gewezen die het gevolg zouden zijn van zijn bemoeienis in het werktempo (een klap voor z'n muil, of erger), zette hij door. Eerst deelde hij het werk in de fabriek op in overzichtelijke onderdelen. Daarna besloot hij erachter te komen hoe snel ieder onderdeel gedaan kon worden. Omdat hij een stopwatch gebruikte, noemde hij dit een wetenschappelijke methode. De efficiënte verbeterde enorm en de concurrentiepositie van zijn werkgever verbeterde. Taylor was de eerste die systematische observaties deed om werkprocessen te verbeteren. En de tijd was ervoor ideaal, omdat het aanbod van arbeid reuze was.

Er was natuurlijk ook nog niet lang industrie geweest, dus het werk werd door iedere fabriek op een eigen manier gedaan. Weliswaar met machines, op grote schaal, tegen lage lonen, door veel mensen tegelijk en met als doel zo veel mogelijk geld verdienen, maar niemand had er zoals Taylor naar gekeken. Hij was de eerste die besloot dat werk niet volgens vuistregels van zomaar een collega of de traditie van de lokale buurt gedaan moest worden, maar door wetenschappelijke inzichten over hoe die taak nou het beste kon worden uitgevoerd. Arbeiders werden niet zomaar ingezet, maar speciaal geselecteerd en getraind voor die specifieke taak. Ze kregen bovendien gedetailleerde instructies én supervisieMontgomery, David (1989). The Fall of the House of Labor: The Workplace, the State, and American Labor Activism, 1865–1925. En het voornaamste: de planning en het optimaliseren (van de efficiëntie) van de taak, kwam in handen van een nieuw soort arbeider: de manager, iemand die zich continu bezighield met het inrichten en optimaliseren van bedrijfsprocessen. Je moet er maar zin in hebben.

Dat had Taylor wel, want hij schreef er in 1911 een heel boek over dat nogál invloedrijk was omdat het een enorme vooruitgang in industriële opbrengst veroorzaakte: Principles of Scientific ManagementFrederick Winslow Taylor — Principles of Scientific Management. New York, London: Harper & brothers. Niet alleen zorgde Taylor ervoor dat de manager niet meer weg te denken was uit zo'n beetje ieder bedrijf, hij was zelfs één van de eerste management consultants. Dat zijn personen die vertellen hoe managers het beste hun werk kunnen doen. Daar moet je ook maar zin in hebben.

Het was natuurlijk niet helemaal alleen Taylors schuld. De voorwaarden (allocatie van middelen, standaardisatie en kwaliteitscontrole bijvoorbeeld) lagen allemaal al klaar toen Taylor aan het werk ging en sommige mensen beweren dat er een paar eeuwen eerder in China al klerkjes rondliepen die we tegenwoordig alleen maar zouden kunnen aanduiden als managerEwan Ferlie, Laurence E. Lynn, Christopher Pollitt (2005) The Oxford Handbook of Public Management, p.30..

Tussen 1948 en 1975 werd er in Japan nog even rustig voortgeborduurd op de weg die Taylor was ingeslagen. Daar, bij de firma Toyota, deed de familie Toyoda (met een d dus, heel irritant) een poging om te kunnen concurreren met de grote Amerikaanse autoproducenten. Met succes. Het Toyota Production System (TPS)https://global.toyota/en/company/vision-and-philosophy/production-system/ zette de volgende stap in efficiënte van werkprocessen, door te focussen op het elimineren van verspilling op het gebied van overproductie, wachttijd, transport, procesafval, voorraad, beweging, ondeugdelijke producten en onderbenutte werknemers. Het systeem wordt ook wel lean manufacturing of een just-in-time genoemd.

Ook hier leek het weer alsof de werknemer van al zijn autonomie werd beroofd. Maar Toyota en Toyoda zullen beweren dat ze heus wel dachten over het welbevinden van de werknemer. Het hoofddoel van dit systeem was het verminderen van muda—Japans voor verspilling en een ander onderdeel was het beperken van muri: Japans voor overbelasting. Als personen, machines of processen boven hun capaciteit moeten werken, dan zorgt dat voor stress, vermoeidheid, fouten en stilstand. TPS heeft als doel om dit te verminderen en sluit daarmee ook aan bij de bevindingen van Csikszentmihalyi over de effecten tussen persoonlijke vermogens en uitdagingen.

En dan was er nog mura, dat zoiets betekent als variatie of onregelmatigheid in werkdruk, productie of vraag, wat weer meer muda (verspilling) kan veroorzaken. TPS wil productie en vraag zo veel mogelijk stroomlijnen, zodat er ook weer minder muri (overbelasting) is.

Top. Wat een systeem. En Toyota is al jaren één van de grootste autofabrikanten. Maar de grote vraag is dus of al dit geoptimaliseer van bedrijfsprocessen ook de werknemer zelf ten goede is gekomen. Als taken worden opgedeeld, overbodige bewegingen worden geminimaliseerd en variatie wordt strakgetrokken, is de werknemer dan niet enkel nog een robot? Voor Taylor maakten werknemers hun eigen script. Na Taylor volgden werknemers een script van iemand andersNicholas Carr — The Shallows: What the Internet is Doing to Our Brains.

Werken is meten

Wat de autoritaire persoonlijkheid, de farizeeër, meestal eist, is dat we ons aanpassen aan hiërarchie, voorschriften en procedures, maar wat deze eigenlijk wil, is overgave van innerlijke vrijheidMichael Foley — Absurde overvloed.

Michael Foley

Als de moderne werkwereld een labyrint is waar autonomie van de werknemer en controle door de werkgever een strijd voeren, dan lijkt daar altijd een spanningsveld te bestaan. Dat vindt ook Mark Fisher, die in zijn boek Capitalist RealismMark Fisher — Capitalist Realism: Is there no alternative? schrijft dat we zelfs sommige vormen van werk moeten gaan weigeren, bijvoorbeeld die met buitensporige audits, wat mij persoonlijk een mooiere wereld lijkt op te leveren.

Maar wat levert het verder op als we alléén maar uitgaan van de autonomie van de werknemer? De grondleggers van de Zelfdeterminatietheorie, Ryan en Deci, vinden dat extrinsieke motivatie niet per se slecht is. Als voorbeeld geven ze studenten die hun huiswerk maken. Weinig van die studenten zullen dit doen omdat het huiswerk maken op zichzelf veel voldoening geeft, hoewel er natuurlijk genoeg vormen van huiswerk een uitzondering vormen. Nee, het zal vaak een vorm van extrinsieke motivatie zijn die ervoor zorgt dat het taakje volbracht is. Deze vorm van motivatie van buitenaf kan de vorm hebben van wat Ryan en Deci externe regulatie noemen, zoals bijvoorbeeld het tevreden stellen van ouders die wellicht een beloning in het vooruitzicht hebben gesteld (of een straf wanneer het huiswerk niet wordt gemaakt). Deze vorm van motivatie, die te vergelijken is met werkgevers die lonen overmaken en functioneringsgesprekken uitvoeren, zal weinig autonomie met zich meebrengen. Een andere vorm van externe motivatie, die meer richting geïdentificeerde regulatie neigt, is de student die huiswerk maakt omdat het bijdraagt aan het nastreven van een bepaald carrièrepadRyan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. Journal of Personality and Social Psychology, 70(1), 1-12.. Dit betreft een gevoel van keuze, het eerste niet.

Zowel de wortel als de stok zijn slechte motivators. Maar wat moeten werknemers dan? Niet werken? Afwijzing van alle vormen van betaalde arbeid kan alleen als je eigen productiemiddelen hebt. Formeel is iedereen vrij om te kiezen, maar zonder inkomen is er een uitzichtloos bestaan. Armoede is een drukmiddel van voor de loonslaafhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Loonslaaf.

Heeft het bedrijf dan macht over haar werknemers? Niet helemaal, schrijft Nassim Taleb in How to legally own another personhttps://medium.com/incerto/how-to-legally-own-another-person-4145a1802bf6. De company person, wiens identiteit wordt bepaald door het bedrijf waar hij werkt (misschien vanwege angst om af te vallen wegens afwijking) is aan het veranderen naar de companies person. Deze person is niet meer bang om zijn baan te verliezen maar, nu bedrijven sneller omvallen en er gemakkelijker van baan (en carrière) gewisseld kan worden (wat ook wel een protean careerhttps://www.oxfordreference.com/display/10.1093/oi/authority.20110803100350463 genoemd wordt) om alle potentiële werknemers van streek te maken. Als het niet uitmaakt wat je wel of niet hebt, maar juist om wat je bang bent om te verliezen, dan heeft de companies person het slechter dan de company person.

Niettemin heeft arbeidsverdeling enorme productieve efficiëntie opgeleverdBarry Schwartz — Why we work. Maar ten koste van wat? De focus ligt misschien te vaak op kwantiteit, die beter meetbaar is dan kwaliteit. En sterker nog: als iets gemakkelijk meetbaar is, zal het ook eerder gemeten worden (ook dat is efficiëntie), waardoor soms zelfs die maat het doel wordt. Volgens Charles GoodhartGoodhart, Charles (1975). "Problems of Monetary Management: The U.K. Experience” is er een wetmatigheid die bepaalt dat iedere geobserveerde statistische regelmaat instort zodra er druk op wordt uitgeoefend uit controleoverwegingen. Of: als een doel een maat wordt, is het geen goede maat meer. Je mag ook De Wet van Goodhart onthouden.

Excessief meten geeft nog meer problemen. Zo zorgen meetbare doelen voor stimulatie van concurrentie. In marktgedreven samenlevingen kunnen zo morele sentimenten verdwijnen en niets het eigenbelang in toom kan houden. Dat is niet op te lossen door contracten op te stellen, want hoe meer je opschrijft, hoe minder vertrouwen er isBarry Schwartz — Why we work. Daar komt nog bij dat bij hoge mate van arbeidsverdeling de verantwoordelijkheid niet meer bij de persoon ligt die het werk doet, maar juist bij degene die de lopende band heeft gemaakt, de managerStephen Marglin — What do bosses do? — https://scholar.harvard.edu/sites/scholar.harvard.edu/files/marglin/files/review_of_radical_political_economics-1974-marglin-60-112_0.pdf.

Nog een nadeel van companies persons, mensen die afhankelijk zijn van de goedkeuring van alle potentiële werkgevers, is dat het competitie tussen werknemers verhoogt. Dat maakt eerzuchtig en egoïstisch.

Aan de andere kant schrijft de Wet van Parkinson voor dat werk zich onvermijdelijk uitbreidt om de tijd te vullen die ervoor beschikbaar is. En dat benadrukt weer de inherente inefficiëntie en soms zinloosheid van veel werk.

Er lijkt geen oplossing te zijn voor het probleem dat werk heet. Misschien moeten we een stap terug nemen.

Vijf tot negen

Als je eet, is het stukje waar de vork leeg op je bord terugkeert geen mislukking. Het hoort gewoon bij het eetproces.

John CleeseJohn Cleese - Creativity: A short and cheerful guide

De spiegel van het werkende leven is vrije tijd. Vrij van iets in dit geval, hoewel de vrijheid ook wel kan worden besteed tot iets. Dat is niet altijd even gemakkelijk omdat sommigen zo erg verbonden zijn aan hun werk dat ze niets significants meer weten te presteren buiten in hun werk. In de woorden van Joseph Pieper zijn het proleten: mensen die zo erg ineengekrompen zijn dat ze zich niet eens meer een wereld buiten hun werk kunnen voorstellen. Dit figuur is een dankbaar onderdeel van wat Pieper de totalewerkstaat noemt, waarin spiritueel verarmde eenrichtingsgeesten de rol van functionaris op zich nemen en daarbij volledig tevreden zijn met hun diensten waardoor ze de illusie van een voldaan leven accepterenJoseph Pieper — Leisure: The Basis of Culture. Het kan ook niet anders als je het zelf niet door hebt.

Het brengt ons bij de vraag waarom werk niet gewoon acht uur lang taakjes uitvoeren (op verschillende manieren gemotiveerd) en daarna verder gaan met het leven?

Het kan natuurlijk aan God liggen, die Adam en Eva en al hun nageslacht verdoemde tot eeuwigdurend zwoegen. Zit het er zo diep ingebakken bij alle mensen dat we luiheid haten? Dat niet-werken wordt gezien als een zonde? Maar waarom haten kapitalisten dan luie armen en socialisten luie rijken?

Is het juist het schoolsysteem, dat volgens Robert M. Pirsig massahypnose wordt genoemdRobert M. Pirsig — Zen and the art of motorcycle maintenance, dat kinderen tijdens hun vorming tot volwassenen indoctrineert met een arbeidzaam leven? Kunnen we gewoon niet minder werken omdat lonen niet met dezelfde snelheid stijgen als productiviteit? Of willen we gewoon niet minder werken omdat in massaconcurrentie minder werken ook minder inkomen en minder spulletjes betekent?

In 1968 protesteerden Parijzenaren meer dan een maand lang tegen van alles en nog wat (classic Fransen) en schreven slogans die ook in dit hoofdstuk van toepassing lijken: Mensen die werken raken verveeld als ze niet meer werken. Mensen die niet werken raken nooit verveeldKenneth Goldsmith — Wasting time on the internet. Mooi en treffend hoe werk toen al verweven was met het leven. Maar hebben we hier dan wat aan?

Volgens Barry Schwartz impliceert (een belofte van) geld dat we in een financieel of commercieel domein opereren, en niet in een sociaal domein. Zo kun je je bij iedere activiteit afvragen of het je tijd en geld waard is om het te doen of laten. Het helpt daar ook niet bij dat werk steeds minder locatieafhankelijk wordt en ondernemerschap allerlei vormen kan hebben. En dan hebben we het nog niet eens over het effect van de concurrentie tussen financiële en sociale domeinen, hoewel je na een etentje bij vrienden (of na een one-night stand) waarschijnlijk niet een fooi op tafel gooitAstra Taylor — The People's Platform: Taking Back Power and Culture in the Digital Age.

Elke dag verkopen mensen kleine stukjes van zichzelf om ze iedere avond en weekend terug te kopen met geluksmuntjes schrijft Astra TaylorAstra Taylor — The People's Platform: Taking Back Power and Culture in the Digital Age. Het is een typering die we eerder hebben besproken en door Adorno en Horkheimer cultuurindustriehttps://www.philosophizethis.org/transcript/episode-110-transcript wordt genoemd, waarin mensen de rollen van werknemer en consument hun leven lang afwisselen.

De totale arbeider is iemand die, volgens Andrew Taggart, het complete leven ziet als een serie projecten. Er is constante druk om tijd zo goed mogelijk in te delen en daardoor de altijd klinkende vraag of dit wel de juiste tijdsbesteding is. Het wordt gedefinieerd door onophoudelijke, rusteloze, opgewonden activiteit, angst voor de toekomst, het gevoel dat het leven overweldigend is, zeurende gedachten over gemiste kansen en schuldgevoelens die verband houden met de mogelijkheid van luiheid en veroorzaakt dukkha, een boeddhistische term die verwijst naar de onbevredigende aard van een leven vol lijdenhttps://aeon.co/ideas/if-work-dominated-your-every-moment-would-life-be-worth-living. Geen wonder dat boeddhisme dan weer zo populair is.

Volgens Richard Florida is dit het gevolg van de Big Morph: een vereniging van de Protestantse en Boheemse waardensystemen waarin enerzijds werk wordt gezien als plicht en anderzijds als hedonistischRichard Florida — The Rise of the Creative Class: And How It's Transforming Work, Leisure, Community and Everyday Life. Winst maken en het nastreven van genot zijn verenigd, de industrieel en de bon vivant zijn één gewordenAstra Taylor — The People's Platform: Taking Back Power and Culture in the Digital Age. Als dit gebeurt, en de vrije tijd óók wordt overgenomen door werk, dan verliest het leven betekenis en voldoening.

Moeten we nog een stap terug?

Werklevenbalansbalans

Eén dag in de week herwonnen de bedienden de waardigheid van menselijke wezens en stonden ze weer op hetzelfde niveau als hun meesters.

Joseph Pieper(Joseph Pieper — Leisure: the basis of culture)

Als onze wereld een cultuur van totaal werk heerst, dan heeft werk ons leven overgenomen en toegang tot diepere realiteiten belemmerdhttps://aeon.co/ideas/if-work-dominated-your-every-moment-would-life-be-worth-living. Als er een stroom van constante activiteit is, tijdens momenten van werk én daarbuiten, zijn rust en reflectie zeldzaam. Niet alleen is het dan moeilijk om schoonheid te ervaren en waarderen, maar we kunnen niet eens over het leven zelf nadenkenJoseph Pieper — Leisure: the basis of culture. Echt leven, volgens Joseph PieperJoseph Pieper — Leisure: the basis of culture, begint met verwondering. Dat is trouwens ook hoe kunstenaars hun werk aanvangen. Verbazing en nieuwsgierigheid creëren een pad van eindeloze ontdekkingen. Of zoals Alain de Botton het zegt:

Kunstenaars merken dingen op; de kleine en onopvallende dingen die andere mensen missen.

Alain de BottonAlain de Botton — The News: A User's Manual

Je zou het filosoferen kunnen noemen, maar het is niet alleen zoeken naar wijsheid. Het is een manier om werkelijk te leven en niet alleen een pauze van werk. Het is veel meer. Het is het opmerken van het ongewone en bijzondere. Het wonderschoneJoseph Pieper — Leisure: the basis of culture. Het is een vorm van stilte waarin de ziel kan antwoorden op de realiteit van de wereld. Niet slechts het ontbreken van geluid of luiheid maar luisteren naar een innerlijke stem. Dat kan niet in een winkelstraat, voor de televisie of achter een computer. Zo kun je je niet losmaken van dagelijkse sleur en je richten op diepe vragen en inzichten. Filosoferen betekent volgens Pieper je terugtrekken uit de momenteel geaccepteerde betekenis die aan de dingen van het dagelijks leven wordt gegeven, of de waarde die eraan wordt gehecht in twijfel trekken. Het kan dus ook niet bestaan in de totalewerkstaat die omdat het geen doel heeft behalve zichzelf.

In de dertiende eeuw vond Thomas Aquinas contemplatie ook een aardig ideehttps://readingreligion.org/9780192895295/thomas-aquinas-and-contemplation/. Sterker nog: het was volgens hem essentieel dat een samenleving ruimte biedt voor contemplatie en filosofie en zo burgers de kans biedt om volledig mens te zijn. Niet alleen maar functionarissen dus. Het zou goed zijn voor een samenleving als er mensen waren die zich vooral zouden bezighouden met contemplatie. En misschien is dat ook wel beter voor die mensen zelf. Vrije tijd is dus helemaal niet iets buiten werk waarin we alleen nog maar passief kunnen consumeren omdat we verslagen op de bank liggen. Het is niet hetzelfde als ontspanning, en vrije tijd is een waardeloos woord. We moeten de kans grijpen om ons te verdiepen in filosofie en reflectie. Dat is waar rijkdom en vervulling te vinden zijn. Niet in de eindeloze cyclus van werk en consumptie, maar in het stille genot van het simpelweg zijn.

De oplossing kan heel simpel zijn. Niet alleen heeft God ons misschien verdoemd tot eeuwig ploeteren, ook gaaf hij het goede voorbeeld door op zondag te rusten. Dat zouden we ook eens kunnen doen. Het is dan ook niet eens zo raar dat Christenen (en Christelijke politieke partijen) precies hierom pleiten voor (het terugkeren van de) zondagsrust. Maar we zijn er op tegen, protesteren fel (maken we zelf wel uit!) maar we accepteren daarna wel mindfulnesscursussen van onze werkgeversRosanne Hertzberger — Het Grote Niets en recht op onbereikbaarheid in cao's.

Nog meer tentakels van werk die niet-werk verstikken. Je zou ook een tempeltje kunnen bouwen, wat grote groepen mensen al duizenden jaren doen. Een plek die niet wordt gebruikt voor werk of leven, maar het landgoed van de goden is. Daar waar we ons kunnen verwonderen en de essentie van mens-zijn kunnen ervaren. Een werkelijk menselijk leven leidenJoseph Pieper — Leisure: The basis of culture. Het probleem met deze ideale vorm van vrije tijd, is dat we niet anders kunnen. Zodra we iets doen waar we werkelijk van genieten, bederven we het met een schuldgevoel over wat we eigenlijk zouden moeten of kunnen doenRobert A Johnson — Owning your own shadow. Werken bijvoorbeeld. Moeten we ons niet gewoon eerst afvragen wat dan ideaal werk is?

Ambacht

Goed vakmanschap laat zien wat het object kan, niet wat de vakman kan.

Richard SennettRichart Sennett — The Craftsman

Vakmanschap noemt een blijvende, fundamentele menselijke impuls: het verlangen om het werk goed te doen omwille van het werk zelf.

Richard SennettRichart Sennett — The Craftsman

Er is geen beroep in de wereld dat we kunnen beschrijven als beste beroep, maar we kunnen wel benaderen hoe werk beter kan worden. Autonomie en de keerzijde ervan, persoonlijke verantwoordelijkheid, zijn belangrijk. Echte voldoening en betekenis in werk hangen niet alleen (of voornamelijk) af van beloning of status, maar vooral van persoonlijke inbrengMichael Foley — Age of absurdity, zoals we ook al hebben kunnen leren van Ryan en DeciRyan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. Journal of Personality and Social Psychology, 70(1), 1-12.. Hoe dit in de praktijk eruitziet is tegelijkertijd door een aardig clubje auteurs omschreven als ambachtsman. Peter Korn schreef Why we make things and why it mattersPeter Korn — Why we make things and why it matters; Robert M. Pirsig kennen we van Zen and the art of motorcycle maintenanceRobert M. Pirsig — Zen and the art of motorcycle maintenance; Richard Sennett schreef The CraftsmanRichard Sennett — The Craftsman en Mathhew B. Crawford vertelt erover in Shop class as soulcraftMathhew B. Crawford — Shop class as soulcraft. De ambachtsman is iemand die werkt met aandacht voor het proces en de inhoud van het werk zelf, terwijl je daar niemand bij in de weg zit. Ze tonen ons de wereld die John Stuart Mill beschrijft wanneer hij zegt dat de enige vrijheid het najagen van het eigen goed, op een eigen manier, zonder dat we anderen in de weg zitten isJohn Stuart Mill — On Liberty.

De ambachtsman heeft tijd nodig om te spelen en te denken. Om uit te proberen. Veel tijd. Veel meer tijd dan bijvoorbeeld een manager. En dat is een probleem omdat managers vaak de macht hebben over werknemers en hun agenda's. Paul Graham schrijft over deze mismatch tussen een maker's schedule en een manager's schedule, die overigens ook vaak in de vorm van memes is beschreven. De situatie waarin de maker een toekomstige lege agenda nodig heeft om zich mentaal en misschien wel fysiek voor te bereiden op het doen van diep werk, terwijl de andere manager slechts een afsprakenboek nodig heeft. Die werelden botsen, nogal.

Over het algemeen geven (programmeurs en schrijvers) er de voorkeur aan om de tijd in eenheden van minimaal een halve dag te gebruiken. Je kunt niet goed schrijven of programmeren in eenheden van een uur. Dat is nauwelijks genoeg tijd om aan de slag te gaan.

Paul Grahamhttps://www.paulgraham.com/makersschedule.html

Het probleem van makers is echter dat ze vaak niet snappen wat ze nou eigenlijk aan het doen zijn. Als we de ruimte hebben om te spelen (door bijvoorbeeld meer autonomie en verantwoordelijkheid), dan focussen we meer op de middelen dan het doelAlan Lightman — In praise of wasting time. En dat is logisch want als je van het werk zélf houdt, dan denk je niet per se altijd na over de consequenties ervanRichard Sennett — The Craftsman. En als je het niet gelooft, vraag je het maar aan Oppenheimer. Het zit volgens Reinhold Niebuhr in de menselijke natuur dat wat mogelijk is, ook geprobeerd moet wordenRichard Sennett — The Craftsman. En als je dat niet gelooft, kijk je maar op YouTube. Of kijk naar kinderen die honderden keren iets op de grond gooien. Niet omdat ze nadenken over de gevolgen van een lepel vol macaroni op het tapijt, maar omdat ze er achter willen komen hoe de wereld, de zwaartekracht, de polsbeweging, de lepel, de macaroni en het tapijt werken. Dat openen naar de wereld vindt Svend Brinkmann een ethisch fundamenteel ethisch ideaal, maar we hebben altijd regels, standaarden en waarden nodig om onszelf als scheppende wezens in toom te houden. Die kunnen we zelf verzinnen, maar ook samen. Jordan Peterson noemt routine en traditie de orde die we in ons leven nodig hebbenJordan Peterson — 12 Rules for life. Misschien kunnen managers ons daar bij helpen.

API's kijken

Hier volgt een korte notitie over wat werk dan, bij voorkeur, niet moet zijn als je autonomie belangrijk vindt. Dat kan aan de hand van wat de API-horizon heet en waarvan ik inmiddels niet meer weet of het mijn eigen concept is (waarschijnlijk niet). Het werkt als volgt: API staat voor application programming interface en is een manier waarop twee computerprogramma's met elkaar communiceren. Het gaat simpelweg om het verschil tussen werk dat API's instrueert en werk dat instructies krijgt van API's.

Iemand die al in 1862 overleed en dus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet wist wat een API was, kon het principe wel op een andere manier verwoorden door te stellen dat je alle ideeën moet verlaten die ook door iemand anders kunnen worden gedaanDeze quote is geparafraseerd door Frédérich Gros en door mij weer geparafraseerd.. Het neigt ook wel naar wat Nietzsche zegt wanneer hij stelt dat degenen die zichzelf niet kunnen gehoorzamen, door andere zullen worden gecommandeerd.

En het gaat niet alleen om hoe de verhoudingen tussen mens en computer liggen. Na alles wat we in de hoofdstukken over werk hebben besproken, kunnen we simpelweg stellen dat iets maken (iets creëren uit niets) veel meer voldoening geeft dan iets produceren (instructies opvolgen). Produceren is geestdodend. Maken is geestscheppend.

Zwoegen

Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.

Genesis 3:19

Vaak, als er mensen om wat voor reden dan ook benadeeld worden, dan moet er bij worden vermeld dat het hard werkende mensen zijn. Deze mensen zijn blijkbaar altijd de pineut. Of het is erger als mensen die de pineut zijn er juist om bekend staan dat ze hard werken. De harde werker heeft een status aparte en is beter dan de rest. Het is niet meer alleen van belang om simpelweg te werken (wat we natuurlijk ook wel kunnen betwisten) maar het is ook juist hard werken dat belangrijk is. Waarom is dat?

Het niveau van je inspanningen bepaalt je prestaties. Daar zijn we inmiddels achter. Je zou ook kunnen stellen dat de grootte van het offer de uitkomst bepaalt, of een flinke correlatie impliceert. Grootsheid vereist enorme offers en iets onbenulligs bereiken kost nauwelijks moeiteJames Allen — As a man tinketh. Is het dan ook nog van belang wat het type werk is dat hard moet worden gedaan? De voorgaande hoofdstukken suggereren van wel, maar er zijn talloze mensen die het hardwerkendogma met zich mee dragen en zelfs doelbewust uiten en verspreiden. Wanneer is hard werken dan goed? Als we naar Artistoteles' deugdenlijstje kijken, staat daar niets over werken in, maar suggereren de zonden genotzucht en hebzucht dat je wellicht wel té hard kunt werken.

Hannah Arendt maakt onderscheid tussen twee typen mensen met de beschrijvingen animal laborans en homo faber. Het eerste beschrijft mensen die zich onderscheiden van dieren door te werken, maar dit gaat om cyclisch werk dat niets blijvends oplevert zoals voedsel verbouwen en huishoudelijke taken uitvoeren. Morgen is er weer afwas. Arendt vindt dat deze taken toebehoren tot het huishouden, of de oikoshttps://iep.utm.edu/hannah-arendt/#SSH4ai en noemt het tot routine veroordeelde sleurRichard Sennett — The Craftsman. Niet echt positief, lijkt mij. Je kunt het ook gewoon duiden als de menselijke eigenschap om bezig te willen zijn.

De andere variant is homo faber of de makende mens, waarin voorop staat dat het werk creatie is (in tegenstelling tot misschien de productie van animal laborans) en constructief is, maar waarvan de belangrijkste eigenschap is dat het werk publiek is en dus buiten de oikos treedt, hoewel we inmiddels ook hebben geleerd dat de betekenis van oikos is geleend voor economie wat niet meer een huishoudelijk maar een maatschappelijk karakter heeft. Het is niet meer de natuurlijke en biologisch noodzakelijke dimensie van het menselijk bestaan maar het bouwen van de gemeenschappelijke wereld. Is dat dan beter werk dan het eerste?

Ieder type werk en ieder klein taakje kan voldoening geven omdat iedereen op een eigen manier gemotiveerd kan worden. Kritieken zoals die van antropoloog James Suzman in zijn boek WorkJames Suzman — Work dat mensen naar hun werk gaan to make money rather than products zijn deels terecht, maar geld verdienen kán een belangrijke motivatie zijn en wordt immers goedgekeurd door Ryan en Deci. Barry Schwartz vind dat je werk moet doen dat de levens van mensen beter maaktBarry Schwartz — Why we work, maar neigt hier weer te veel naar één van de andere twee basisbehoeften naast autonomie: binding (die derde is competentie of meesterschap). Overigens vindt kennisinstituut Chivo dat rechtvaardigheid kandidaat is om aan dit rijtje met psychologische basisbehoeften te worden toegevoegdhttps://chivo.nl/act/, en daar kunnen we de rest van de dag rustig over filosoferen. En dan kunnen we ook nog wel even nadenken over de vraag of het je intentie als maker moet zijn om de levens van mensen beter te maken of dat juist de werkelijke uitvoering zo is en wie deze intentie dan toetst.

Hoewel het niet uitmaakt hoe voldoening in werkzaamheden wordt veroorzaakt, zorgt die voldoening altijd voor een positieve emotionele staat, die op zijn beurt weer beter werk oplevertBarry Schwartz — Why we work. Dit neigt dan weer naar de staat van flow, beschreven door Mihaly Csikszentmihalyi in het gelijknamige boek FlowMihaly Csikszentmihalyi — Flow, waarin taken constant uitdagend moeten zijn en laveren tussen verveling (door gemak) en stress (door moeilijkheid). Het eerste kan worden opgelost door de uitdaging te vergroten, door minder tijd te gebruiken, de kwaliteit te verhogen of de methode te veranderen. Stress kan worden verminderd door de uitdaging te verkleinen, meer tijd te gebruiken of de methode op een andere manier te veranderen. Of een andere taak uit te voeren.

Volgens Karl Marx is modern werk vervreemdend met als gevolg dat mensen zichzelf niet terugzien in hun werk. Hij schreef over Entfremdung in 1844Karl Marx — Economic and Philosophic Manuscripts of 1844, dus misschien moeten we de notie van modern werk herzien of tenminste in historisch perspectief plaatsen. Maar de kern is wel interessant. Zo vond Marx dat de werknemer een autonoom wezen is, maar dat het moderne werk mensen heeft omgevormd tot economische entiteiten, verstoken van het vermogen om het leven en het lot te bepalen; om relaties met anderen te definiëren; om de aard van je acties te bepalen; om productiemiddelen te bezitten. Er zijn nog steeds talloze mensen die het hier volkomen mee eens zijn, maar Marx hoeft ook weer niet zo overdreven te doen. Althans, de Marxistische vlieger gaat nu niet meer op. Zoals we hebben kunnen lezen zijn er genoeg manieren om niet alleen maar een economische entiteit te zijn; om (eventueel samen met anderen en/of hogere machten) het lot te bepalen; om zinvolle relaties aan te gaan; om zelf te kiezen; om bezit op te bouwen—en niet zo'n beetje ook. Het heeft deels te maken met het belang van (of het gebrek aan) autonomie.

Hoofdstuk 6

Obesitas

Eigen schuld

De palmvarensnuitkever (Antliarhinus zamiae), het vrouwtje althans, heeft de hoogste koprompverhouding van alle dierenhttps://www.livescience.com/which-animal-largest-head-relative-to-body. Het hoofd, dat bij insecten (en schaaldieren en walvisachtigen trouwens) ook rostrum wordt genoemd, kan twee keer zo lang zijn als het lichaam. Maar ik heb het dier nog nooit een sudoku zien doen. Het gaat er dan blijkbaar niet om hoe groot een hoofd is ten opzichte van een lichaam. Overigens helpt het ook niet dat een megagroot deel van het hoofd een sprietige snuit is. En over walvisachtigen gesproken, het dier met het grootste hoofd in absolute zin is de blauwe vinvis met een kop van vijf en een halve meter lang. Ook deze dieren doen geen puzzels. Dat komt misschien omdat balpennen niet onder water werken en de duimen van walvissen weinig opponeerbaar zijn in zo'n flipper.

Blijkbaar maakt de grootte van een hoofd zowel absoluut als relatief niet veel uit voor het vermogen ervan. Mensen zijn namelijk, met grote afstand, de slimste diersoorten, terwijl hun breinen niet per se heel groot zijn. Sterker nog: in de afgelopen duizenden jaren zijn de breinen zowel absoluut als relatief gezien veel kleiner gewordenhttps://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fevo.2021.742639/full. Als redenen worden hiervoor gegeven dat kennis geëxternaliseerd is, bij andere mensen, complete groepen, in cultuur en op kennisdragers zoals videobanden, bumperstickers, boodschappenlijstjes, memes en post-its. Dan kunnen die breinen ook wel kleiner.

Nochtans lijken mensen steeds slimmer te worden. Zo hebben we nog niet eens zo lang geleden krediet en kapitaal ontdekt. Nog twee externe hulpbronnen. Dat woord kapitaal komt trouwens volgens sommigenJames Suzman — Work van het woord caput, dat hoofd betekent en verwees naar het hoofd van een koehttps://www.merriam-webster.com/dictionary/capital. Vee dus. Dat woord schijnt weer van feoh te komen. En het Engelse woord fee zou weer dezelfde etymologische oorsprong hebben. Volgens James Suzman is het concept rente ontstaan toen kuddes groeiden. Een herder liet zijn kuddes grazen en was er na een tijdje zeker van dat die kudde ging groeien: er kwamen na verloop van tijd nieuwe dieren bij. Zo werd er meer kapitaal gecreëerd. En zo ging bezit dus meer opleveren door het werk dat erin werd gestoken. Dit gold natuurlijk (en nu letterlijk) ook voor vormen van akkerbouw.

Boeren doen werk en dan is de oogst de opbrengst in de toekomst. Door hierop in te spelen en te voorspellen, konden boeren nu alvast iets kopen met de belofte van toekomstige betaling, waar je aardig zeker van was. Omdat je wist wat ging komen, kon je met anderen, binnen en buiten je eigen groep, afspraken maken. Krediet en schulden waren geboren. Hoe langer je in dit systeem leeft, hoe zekerder je ervan kunt zijn dat de toekomst nóg beter gaat zijn. En iedere betere dag is weer een nieuw bewijs van een mooiere toekomst. Daardoor gingen mensen steeds meer beloven aan elkaar en steeds meer krediet geven. Eind 2023 is het 307 biljoen dollarhttps://www.weforum.org/agenda/2023/10/what-is-global-debt-why-high/. Allemaal geleend van de toekomst. Maar is dat erg? Daar ben ik te weinig econoom voor. Ik weet wel dat het misschien heeft bijgedragen aan een wereld waarin we de hele tijd elkaar dingen in de toekomst beloven en waarin je dingen kunt doen en kopen zonder dat daar een offer voor nodig is. Immers: je kunt het offer uitstellen tot na de ervaring of de aankoop. Alvast ergens van genieten, en dan het op de blaren zitten uitsmeren over de komende dertig jaar. Het is heel normaal om dat te doen en het heeft wel gezorgd voor allerlei vormen van fysieke schuld, die we allemaal obesitas kunnen noemen.

Het Nederlandse obesitas komt, net als het Engelse obesity van het latijnse woord obesushttps://en.wiktionary.org/wiki/obesus#Latin dat opeten of opslokken betekent. Meer eten dat nodig is. Te vergelijken met gulzigheid, dat niet in het deugdenlijstje van Aristoteles voorkomt, maar wel familie is van hebzucht en vaak hand in hand gaat met genotzucht. We kunnen obesitas wat mij betreft toepassen op nog meer dan lichamen: ook informatie, spulletjes en meningen kunnen bijvoorbeeld te veel zijn. Laten we ze eens bespreken.

Meerkeuze

Mensen zeggen wel eens dat ik het soms rustiger aan moet doen dus daar heb ik zeven nieuwe initiatieven voor opgezet.

Trevor Fitzrighthttps://twitter.com/T_Fitzright/status/1264287940257222663

In 2000 werd er een experiment gedaan waar zo'n beetje ieder zelfhulpboek over minimalisme naar refereert. Zowel in een laboratorium als in het veld werden dezelfde uitkomsten behaald wanneer mensen de keuze werd voorgelegd uit ofwel zes, ofwel tussen de 24 en 30 soorten jam. De mensen die kozen uit minder opties waren eerder geneigd een aankoop te doen én waren meer tevreden. Eén van de auteurs die het onderzoek gebruikte voor het schrijven van een boek was Barry Schwartz, die in The Paradox of ChoiceBarry Schwartz — The Paradox of Choice dieper inging in deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid van de situatie waarin meer keuze zorgt voor minder voldoening. Iets wat door velen voor onmogelijk werd gehouden. Meer keuze betekent toch meer vrijheid? En meer vrijheid geeft toch meer voldoening? Het lijkt erop dat keuzevrijheid dan weer heel wat anders is dan keuze + vrijheid.

Volgens Schwartz begint een besluit om iets te kopen met het bepalen van doelen. Volgens sommigen is dat de schuld van het kapitalismehttps://jacobin.nl/verlangen-voorbij-het-kapitalisme/ omdat dat systeem zeer goed is in het verwarren van behoeften (aan bijvoorbeeld een maaltijd) met verlangens (naar soep in Japan). Daarom is het ook problematisch, omdat behoeften niet kunnen worden bevredigd door het achternalopen van verlangens. Anderen beschrijven dit als een modale verwarringIk bedoel John Vervaeke: zich vergissen dat iets hebben zorgt voor iets zijn.

Hoe dan ook, na het bepalen van doelen (van behoeften en verlangens), zullen we besluiten hoe belangrijk het is om de doelen te bereiken. Dat heeft te maken met de heuristiek die wordt gebruikt en kan ook weer afhankelijk zijn van hoe vaak we iets hebben gezien en wie het bewijs heeft geleverd voor de noodzaak van het doel. Dat kan een anekdote zijn van een wildvreemde, maar ook herhaaldelijk bewijs door een expert. Dan laten we nog even in het midden wanneer iemand een expert is.

Wanneer de doelen op een rijtje staan, worden de opties afgewogen op basis van in de mate waarin ze bijdragen aan het behalen van het doel. Dat afwegen is nu juist vaak problematisch, omdat er vaak veel opties zijn om uit te kiezen. En die opties worden ook vaak voorzien van goede argumenten door slimme of knappe mensen die er heel gelukkig uitzien.

Na het kiezen wordt de balans opgemaakt en worden doelen aangepast. Dit is problematisch om relatieve verlangens oneindig zijn. En dus verzadigt simpelweg iets meer ons niet.

Nu zouden we op dit punt in het boek simpelweg kunnen stellen dat meer autonomie, dus beter weten wat je wil (en wat niet), zou kunnen zorgen voor betere keuzes en dus minder stress, maar zoals Michael FoleyMichael Foley — Age of Absurdity het zo mooi stelt is autonomie de lijdensweg van keuze. Volgens Schwarz is de satisficer (een portmenteau van satisfy (voldoen aan) en suffice (voldoende)), iemand die redelijk snel een keuze maakt onder het mom van het is wel goed zo een beter persoon dan de maximizer (wat hij weer van Herbert A. Simon had geleendHerbert A. Simon — Administrative Behavior: a Study of Decision-Making Processes in Administrative Organization, die probeert alle opties zo goed mogelijk af te wegen. In een onnozel voorbeeld zou je kunnen stellen dat mensen die altijd zonder nadenken het derde hoofdgerecht op iedere volgende menukaart bestellen minder stress ervaren dan mensen die bij elk restaurantbezoek alle opties, voedingswaarden, verwachte smaakbelevingen, structuren, fotogeniekheid van de gerechten en prijzen gaan afwegen. De satisficer is de suboptimalist. De maximizer is een perfectionist.

Het is niet alleen de eerder in dit boek genoemde fear of missing out die wordt ervaren. Schwartz vertelt ook over het verlies van gemeenschap door het nastreven van vrijheid, en opties. Alles lijkt een individuele keuze te worden. Volgens Jordan Ellenberg denken mensen voornamelijk lineair wat, gecombineerd met de enigvoordeelbenadering, ervoor zorgt dat we denken dat meer altijd beter isJordan Ellenberg — How Not to be Wrong: The Hidden Maths of Everyday Life. En als meer beter is, dan willen we altijd meer. En als we meer willen, zijn we ongelukkigSendhil Mullainathan and Eldar Shafir — Scarcity: Why having too little means so much.

Op de hoogte

Eén van mijn minst favoriete marketingtechnieken is de expert die ons verteld dat we al die jaren iets op de verkeerde manier hebben gedaan. Tomaten snijden, post-its en bananen pellen, met je baby op vakantie en een boterham eten bijvoorbeeld. Iedere dag leer je wel iets wat je tot nu toe steeds op de verkeerde manier verkeerd hebt gedaan. En als je dat nu niet verandert, misschien met behulp van het kopen van een product of het afnemen van een dienst, wat ben je dan voor min mens? Eigenlijk moet je een banaan niet aan dat ingebouwde hendeltje openmaken maar aan de andere kant half fijnknijpen zoals al heel vaak bewezen extreem veel minder slimme apen doen he?

Het werkt heel goed omdat mensen nogal openstaan voor het opmerken van veranderingen. Als je je op gras kunt concentreren, zie je de leeuw niet aankomen. Het is ook de reden waarom mediteren zo moeilijk zijn en de meditiatiejuf zegt dat het niet erg is als er gedachten voorbijkomen. Maar misschien horen we volgend jaar wel dat we altijd op de verkeerde manier gemediteerd hebben.

Wat zeer krachtig is in de (vele) betogen van John Vervaeke is zijn nadruk op het belang van in het leven. Het betekent dat het leven begrijpelijk is en het niet als absurd overkomthttps://www.scmp.com/lifestyle/health-wellness/article/3240899/how-live-meaningful-life-4-expert-tips-purpose-mattering-and-how-finding-meaning-life-can-enhance. Wanneer je iedere dag hoort dat de dingen die je doet niet goed zijn, word je erop gewezen dat je in het verleden niet goed bezig was, nu niet goed bezig bent als je niet verandert en waarschijnlijk in de rest van je leven iedere dag gaat horen dat je op een veelheid van domeinen óók faalt. Tot je sterft. Dat is geen mooi vooruitzicht (en ook geen goed achteruitzicht).

Het nieuws is één van de manieren waarop we worden geïndoctrineerd met twijfel. Tot op heden ben ik er nog steeds niet achter wat nu precies het doel van het volgen, lezen, bekijken en bespreken van nieuws is. Volgens Alain de Botton vertelt (buitenlands) nieuws ons met wie we en waar we moeten vechten, handelen of sympathiseren. Het is nauw verbonden met de consumptiemaatschappij door elke dag informatie te geven over reizen, technologie, auto's en woninginrichting. Waarom? Volgens De Botton wil het nieuws behulpzaam zijn door ons fouten te besparen en verstandiger en bevredigender aankopen te doenAlain de Botton – The News, maar laat het maar aan koppenmakers over om ons te vertellen dat alles wat we hiervoor wisten en deden verkeerd is en dat deze nieuws informatie van vandaag belangrijk is om nu, eindelijk, wél de juiste keuze te maken, mening te vormen en object te kopen. Uiteindelijk doet het nieuws maar drie dingen: vertellen wat er op de markt beschikbaar is, wat het kost en of het wel of niet goed isAlain de Botton – The News.

We hadden het natuurlijk wel kunnen weten. Het nieuws heet het nieuws omdat het ons nieuwe dingen vertelt. En dat werkt goed want onze zintuigen zijn nauwkeurig afgestemd op verandering en ze concluderen altijd maar één van de twee dingen: gevaar of een kans (of stress omdat we niet weten welke van de twee we mogen concluderen)Nicholas Carr, The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains. Aan het eind van het dagelijkse overzicht van zondige archetypen in een nieuw jasje komt zelfs het weer met als enige doel mensen te laten besluiten of dit gevaar of kansen oplevert, met voorgefabriceerde cijfers om barbecuebeslissingen gemakkelijk te maken. Morgen 21 graden en windstil? Een 8.

In 2011 publiceerde Rolf Dolbelli, in de NRC nota bene (altijd mee oppassen), een betoog tegen nieuwshttps://www.nrc.nl/nieuws/2011/09/01/weg-met-het-nieuws-12032921-a862487. Daarin schrijft hij dat nieuws irrelevant is voor de meeste mensen en hun beslissingen omdat het geen inzichten of dieper begrip van de wereld biedt, maar eerder stress veroorzaakt. Het is tijdrovend, verslavend en verspillend.

Wijsdom

Voordat we naar de oplossing voor het meerkoppige monster dat nieuws heet gaan, moeten we bespreken waarom we denken dat nieuws belangrijk is. Daarvoor moeten we onderscheid maken tussen informatie, kennis en wijsheid. En intelligentie.

Informatie is overal. Het is data waaraan een betekenis is gegeven. Als je een volwassen persoon bent, kun je dat. Heel goed zelfs. Alles is dan informatie. Mensen zijn gemaakt voor het belangrijk vinden van informatie. We kunnen patronen ontdekken en zonder aarzeling op kansen en gevaren reagerenNate Silver, The Signal and the Noise: The Art and Science of Prediction, loc. 241. Jordan Peterson legt goed uit hoe we nog meer verslaafd zijn aan informatie dan aan etenhttps://youtu.be/Ifi5KkXig3s: het is, zo schrijft hij, namelijk veel waardevoller om te weten waar eten te vinden is dan te eten. In de complexiteit waarin virtuele en echte werelden door elkaar heen fietsen (en voor iedereen verschillend zijn), is alles data en zo is er ook een overschot aan informatie. Als we data goed kunnen omzetten naar informatie én we zijn verslaafd aan informatie, dan kan dat voor problemen zorgen.

Kennis is het kunnen plaatsen van informatie op verschillende niveaus. Het is erachter kunnen komen welke informatie onjuist is, welke informatie onnodig is, welke informatie verduidelijkt en welke informatie vertroebelt. Kennis is veroorzaakt door het leggen van associaties maar doet je ook associaties leggen. Je verbindt informatie met andere informatie. Maar het laat je ook jezelf ten opzichte van jezelf kunnen zien, en jezelf ten opzichte van de wereld. En vice versa natuurlijk. Dit kost vet veel moeite en lijkt daarom niet zo belangrijk. Je wint geen quiz omdat je veel kennis hebt maar omdat je veel informatie hebt onthouden. Daarom denken we dat we informatie nodig hebben terwijl we eigenlijk hunkeren naar kennisNate Silver, The Signal and the Noise: The Art and Science of Prediction, loc. 327.

Of hebben we behoefte aan wijsheid, de manier om te weten wanneer je welke kennis nodig hebt, waar je kennis en de hoeveelheid en complexiteit ervan je antwoorden kunnen geven en wanneer niet; de manier om te weten welke kennis (niet informatie) nog mist en, terwijl je op zoek gaat naar die kennis, accepteren dat je de kennis nog niet hebt?

Volgens Daniel Kahneman past intelligentieDaniel Kahneman, Thinking, Fast and Slow, pg. 46, loc. 767 ook in dit rijtje, want dat is niet alleen het vermogen om te rationaliseren, maar ook het vermogen om relevant materiaal in het geheugen te vinden en aandacht aan te wenden wanneer nodig.

Wat nog meer? Betekenis. Volgens John Vervaeke, die een vijftigdelige collegereeks maakte over The Meaning Crisishttps://www.youtube.com/playlist?list=PLND1JCRq8Vuh3f0P5qjrSdb5eC1ZfZwWJ gaat het niet om de betekenis van het leven maar in het leven, dat je dus onder andere door een gevoel van coherentie (weinig absurditeiten) kunt vinden, maar ook door een hoger doel (iets wat Ryan & Deci purpose zouden noemen, significantie en het gevoel ertoe te doen (dit is waarom Chivo waardigheid wil toevoegen aan de psychologische basisbehoeften). Het laatste kun je vinden door je af te vragen wat je wilt dat bestaat als je er niet meer bent en hoeveel je bijdraagt aan datgene nu je er nog wel bent. Een betekenisvol leven impliceert het vinden van de kracht en moed om te volharden ondanks alle frustraties, zwakheden, dwaasheid, fouten en mislukkingen waar het menselijk leven mee te kampen heefthttps://www.scmp.com/lifestyle/health-wellness/article/3240899/how-live-meaningful-life-4-expert-tips-purpose-mattering-and-how-finding-meaning-life-can-enhance.

Die betekenis vind je niet in het nieuws en volgens Steven Pinker zelfs niet op universiteiten, die volgens hem, zoals samenlevingen in het algemeen, informatierijk maar betekenisarm zijnDavid Brooks — The Second Mountain: The Quest for a Moral Life, p 242. David Foster Wallace is het hier mee eens. De vrijheid van echt onderwijs is, volgens hem, leren hoe je bewust beslists wat betekenis heeft en wat niet.

Dit is de vrijheid van echt onderwijs, van leren hoe je je goed kunt aanpassen: je mag bewust beslissen wat betekenis heeft en wat niet. Hij gaat nog verder door te stellen dat het gevaarlijke aan een academische opleiding is dat mensen zichzelf verliezen in abstract denken in plaats van simpelweg aandacht hebben voor wat er voor hun neus gebeurt. Ze aanbidden hun intellect en willen slim overkomen — maar dan eindig je met het gevoel een oplichter te zijn, altijd op het punt ontdekt te wordenDavid Foster Wallace — This is water. Een beetje zoals ik met dit boek dus.

Willen

De enige echte ontdekkingsreis is niet het bezoeken van vreemde landen, maar het bezitten van andere ogen, het aanschouwen van het universum door de ogen van een ander, van honderd anderen, het aanschouwen van de honderd universa die ieder van hen aanschouwt, die ieder van hen is.

Marcel Proust

Wat mij betreft sterkste argument in boeken over minimalisme is dat een aankoop niet alleen het product in huis haalt, maar een hele waslijst aan aanverwante zaken. Verzekeringen, reparaties, stress dat het stuk kan gaan, een opbergplek, het wel of niet bewaren van de verpakking voor de toekomstige Marktplaatsadvertentie, de milieuimpact en het effect op je eigen welbevinden daarover en dat van anderen wiens mening je waardeert, waardevermindering en natuurlijk schoonmaakwerk, om maar wat te noemen. Iedere nieuwe bezitting zorgt dus voor een veelvoud aan stress.

Zo bezien zou je gemakkelijk van een aankoop af kunnen zien om jezelf de ongemakken bovenop de aankoopprijs te besparen. Maar blijkbaar is het niet zo gemakkelijk. Dat komt volgens Luke BurgisLuke Burgis — Wanting: The Power of Mimetic Desire in Everyday Life doordat we willen wat anderen ook hebben. Dat idee heeft hij weer van René Girard. Deze filosoof stelde dat mensen niet weten wat ze verlangen en daarom maar kijken naar anderen en verlangen we wat anderen verlangen. Belangrijk hierbij is dat het gaat om mensen die we zien als gelijken. We willen wat iemand zoals onszelf heeft. Dat is problematisch als we online lezen over gewone mensen die iets uitzonderlijks hebben bereikt, zoals je oude buurjongen die tegenwoordig alleen maar business class de wereld over vliegt. Degenen wiens verlangens we proberen na te bootsen, worden door Girard memetische modellen genoemd, maar hij geeft daarbij wel de kanttekening dat de grootste ontwikkelingen in de wereld juist komen van mensen die dingen wilden die nog niet bestonden—dus buiten deze memetische modellen om dus. Verder is het memetische modellen all the way down.

Dit is dus waarom we nieuws denken nodig te hebben. Plekken waar ons wordt verteld wat belangrijk is en wat modellen verlangen. We houden van hiërarchie, schrijft Burgis. Daarom houden we zo van lijstjes en beoordelingen. We willen weten hoe dingen zich tot elkaar verhouden en hoe ze in elkaar passen. Van de klassieke zeven wereldwonderen bestaat er nog één, maar er zijn meer dan tien lijstjes van zeven nieuwe wereldwonderen gemaakthttps://en.wikipedia.org/wiki/Wonders_of_the_World.

We zijn op zoek naar andere mensen van wie we denken dat ze beter kunnen zien dan wij kunnen. Dat zijn experts, journalisten, succesvolle mensen en influencers. Iedere persoon waar we jaloers op zijn heeft een puzzelstukje van ons toekomstige fantastische levenAlain de Botton — The news. Dit is het moment wat Zygmunt Bauman liquid modernity noemt waar individualisme het overneemt van burgerschap en iedereen paradoxaal genoeg verantwoordelijk is voor haar eigen succes, ondanks de invloed van die mimetische modellen. Er is geen vast patroon van succes. Het kan alles zijn. En het is bovendien voor iedereen mogelijk.

Spulletjes

Ook al loop je op stelten, je loopt nog steeds op je voeten.

Michel de Montaigne

Dingen zitten in het zadel en rijden op de mensheid.

Ralph Waldo Emerson

Voordat ik aan het schrijven van dit hoofdstuk begon, had ik bedacht dat dit een hoofdstuk moest worden waarin ik zowel het fysieke lichamelijke obesitas zou vergelijken met de hoeveelheid spulletjes in onze huizen. Daar zou dan ook mooi het overschot aan nieuws dat ons bereikt bij kunnen worden geplaatst. En wat te denken van alle meningen die daar logischerwijs op volgen. Voor mij is dat allemaal hetzelfde. Steeds maar meer vanwege dat lineaire denken. Het is pure gulzigheid. Misschien lezen we daar straks nog wel meer over.

Kapitalisme zorgde ervoor dat spulletjes beschikbaar en goedkoop werden, maar daarna werd er marketing overheen gekotst en nu moeten we allemaal zooi kopen die we niet nodig hebben. Voor iedere kleine ongemakkelijkheid is er wel een product. Last van je rug? Koop een sticker die je recht laat zitten. Wil je wel een hond, maar heb je geen zin om een bal ver te gooien? Koop een stok (waarmee je ook nog eens een bal makkelijk kan oprapen!) om de bal zonder moeite ver te gooien. Uiteindelijk ontstaat er een bloemkool van opgeloste ongemakjes, tot in de eeuwigheid waarin we mierenneukerig allemaal superkleine miniongemakjes op proberen te lossen. Maar die miniongemakjes worden niet steeds goedkoper om op te lossen, de prijs blijft significant omdat miniongemakjes, bij het oplossen van alle overige ongemakjes, worden ervaren als significante ongemakjes. Dus betaal je nog steeds precies genoeg voor een zichzelf balancerende drinkbeker voor je kleuterkind.

In 1930 schreef John Maynard Keynes over de economische mogelijkheden van de toenmalige kleinkinderen in een essay getiteld Economic Possibilities for our GrandchildrenJohn Maynard Keynes — Economic Possibilities for our Grandchildren waarin hij een aantal voorspellingen deed over die economische mogelijkheden van die kleinkinderen. Inmiddels zijn we de tijd waarover een voorspelling werd gedaan voorbij, dus kun we de inmiddels lang en breed overleden Keynes postuum wijzen op zijn profetische tekortkomingen.

Hoewel zijn voorspelling over de levensstandaard aardig uitkwam omdat het GDP in de Verenigde Staten in 2030 7,5 keer zo groot zou moeten zijnhttps://medium.com/8vc-news/the-future-of-labor-pt-i-keynes-f3ae0f2808b6, had hij het ook deels mis. Zo voorspelde Keynes ook dat we zo veel productiever zouden zijn dat we steeds meer tijd zouden inruimen voor vrije tijd. Blijkbaar had Keynes niet ontdekt dat er verschillen zijn tussen behoeften en verlangens en dat we, nadat behoeften waren vervuld, onszelf gaan wijsmaken dat we, gevoed door inmiddels 19-jarige influencers aan de overkant van een duizenden kilometers brede oceaan, allemaal dingen moeten kopen die onze ervaringen intenser en gezondheid beter te maken.

Maar het is natuurlijk niet alleen maar cynisme. Als in basisbehoeften wordt voorzien, dan gaan we ons ook druk maken om wereldvrede, gerechtigheid en gelijkwaardigheid.

Feit blijft dat we steeds meer gaan wensen en dat we, naarmate we rijker worden, waarschijnlijk nóg meer gaan wensen. Geen wonder dat de milimalismebeweging al jaren flink aan de weg timmert. Mensen in deze beweging zijn van mening dat ze op zoek zijn naar de essentie in het leven en dat het niet gaat over het ondergaan van ontberingenJoshua Fields Millburn and Colin Wright, A Day in the Life of a Minimalist om iets te bewijzen. Ze zijn het eens met Ralph Waldo Emerson en vinden dat bezit bezit van mensen neemt, in plaats van andersomJoshua Fields Millburn and Colin Wright, A Day in the Life of a Minimalist.

Minimalisme werkt, maar ook in dit subgenre van levensovertuigingen zijn het weer voornamelijk maximizers. Die gaan dan een tiny house kopen met een boekenkast in hun trap, het servies onder het bed en een keuken annex hondenhok. Die vergeten op hun beurt weer dat twee keer zoveel woonruimte tien keer meer genot betekent. Ook zij trappen in de valkuil dat de ideale hoeveelheid spulletjes niet op een rechte lijn ligt maar op een parabool. Moeten we ons eigenlijk wel afvragen waar het dal van die parabool is?

idk

Fanatisme is altijd een teken dat de een een van de twee tegenstellingen heeft overgenomen ten koste van de ander. De hoge energie van fanatisme is een verwoede poging om de ene helft van de waarheid op afstand te houden, terwijl de andere helft de controle overneemt.

Robert A. JohnsonRobert A. Johnson — Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche

Een overschot aan spulletjes is gemakkelijk voor te stellen, en het kan ook met informatie. Maar wat te denken van meningen? Een standpunt is op precies dezelfde manier te benaderen als bezit. Waarom? Omdat mensen hun standpunten als bezit behandelen. Dat komt door geloofsdoorzettingsvermogen, wat in het Engels vriendelijker klinkt als belief perseverance maar ook bekend is als conceptueel conservatisme, wat hier mijn voorkeur krijgt. Tel daarbij het bevestigingsvooroordeelNassim Taleb — Black Swan p 144 of het beter bekende confirmation bias bij op en mensen cureren hun meningen alsof het kostbaar servies is. Netjes opbergen, soms afstoffen, niet gebruiken, maar nooit wegdoen.

Ik vind dat je zo weinig mogelijk meningen moet hebben. Niet om irritant te doen of omdat het nooit goed is om een mening te hebben, maar omdat we even een paar stapjes terug moeten doen. Als we weten dat we steeds meer dividuën in plaats van individuën zijn, dan zijn we gefragmenteerde mensen die tot allerlei groepen behoren en daardoor worden geacht om te vinden wat al die groepen vinden. Dat is problematisch omdat dat simpelweg niet mogelijk is. Het is veel gemakkelijker om je waarden te weten dan al je meningen. Luister anders eerst maar naar Marcus Aurelius, want dat vinden jullie toch allemaal een mooie bas:

Je bent niet verplicht om voor je een mening over deze kwestie te vormen, noch om je gemoedsrust te verstoren. Dingen op zichzelf hebben niet de macht om een oordeel van je te eisen

Marcus AureliusMarcus Aurelius — Meditations

We weten inmiddels dat we hier precies The subtle art of not giving a f*ck mee bedoelen. Het gaat niet om schijt hebben, maar weten waar je wat over moet vinden.

We moeten naar minder meningen vooral om het nu wordt gestimuleerd om je mening te geven. Hoe vaak moet je niet je mening geven over een bestelling, telefoongesprek of werkelijk alles wat alle andere mensen op de wereld voor je doen als het een zakelijke transactie betreft? Alle sociale media geven de mogelijkheid om te reageren. Sterker nog, sociale media bestaan door de reactiemogelijkheden.

Als het zo gemakkelijk is, dan is een reactie het gevolg van één van de twee dingen: een impuls of intuïtie. De twee lijken op elkaar maar een impuls is iets wat onbewust gebeurt, zoals een lach na een grap waarvan je dacht dat je er nooit om zou lachen. Intuïtie is een aanname op basis van wat voor kennis en ervaring je in je leven hebt opgedaan. Je zou kunnen stellen dat intuïtie beter is, maar volgens David Brooks is intuïtie alleen nuttig op gebieden waar we daadwerkelijk kennis en ervaring hebbenDavid Brooks — The Second Mountain. En wanneer kun je die conclusie nou trekken?

De simpelste oplossing is dan het verminderen van blootstelling aan meningvragende situaties. Dat lijkt echter al bij voorbaat een verloren wedstrijd, omdat het enkel mensen met een mening zijn die aandacht krijgen en aan wie je überhaupt wordt blootgesteld. Wanneer zit er nou iemand aan tafel bij een talkshow die iedere vraag beantwoordt met ik heb geen flauw idee joh? Mensen zonder mening geven geen nieuwe informatie en we hebben geleerd dat dat niet boeiend is. En toch is het beter. Het lijkt een radicale daad maar het bewust kiezen wat onze aandacht verdient (en wat niet) is een teken van autonomie.

Overgezond

Dit was van tevoren mijn favoriete deel van het boek omdat het idee om een boek te schrijven over autonomie zijn oorsprong kent in de gezondheidswereld, waar ik deel van uitmaakte in de vorm van personal trainer, menselijk object en beschouwend schrijver. Daarna was ik verantwoordelijk voor het bouwen van een app waarmee duizenden mensen probeerden om wat aan hun fysieke gesteldheid te veranderen en tegelijkertijd ook gezonder te worden, in welke vorm dan ook. Dat ik met dit werk ben gestopt vanwege een gebrek aan autonomie hoeven we, in ieder geval niet hier, te bespreken.

In 2030 is de helft van de wereldbevolking obeesYuval Noah Harari, Homo Deus: A Brief History of Tomorrow, loc. 428. Zulk (extreem) overgewicht heeft allerlei gezondheidsnadelen. Met een vetoverschot heb je, direct en later in je leven, meer kans op allerlei vervelende ziektes. En hoewel natuurlijk iedereen lekker zelf mag beslissen hoe hij of zij eruitziet, doen veel mensen er verstandig aan om gewicht te verliezen. Een gezond lichaam is een slank lichaam. En dat is beter. Maar waarom lukt het dan niet? Waarom heeft obesitas ondervoeding wereldwijd al lang en breed ingehaald?

Even terug naar een paar honderdduizend jaar geleden. Een groepje proto-mensen komt een antilopenkarkas tegen en denkt niet ik heb niet zo'n trek, laat maar zitten maar kraakt de dijbenen open en slurpt het merg eruit. Handig, want je weet maar nooit wanneer je weer zulk calorierijk voedsel tegenkomt. Het voor de zekerheid zoveel mogelijk naar binnen werken zit ongeveer sinds die ontmoeting met die stapel botten bij menselijke genen ingebakken. En dat helpt niet op treinstations. Hoewel we allemaal willen geloven hoezeer we homo economicus zijn en weloverwogen verstandige keuzes maken, denken we heus niet heel diep na als we voor de zekerheid een Twix kopen voor een treinreis van 26 minuten. Niet omdat we het nodig hebben of omdat het van levensbelang is, maar omdat een Twix lekker smaakt, veel calorieën bevat voor dat volume en niet alleen bij de Kiosk, maar ook bij de AKO, AH To Go én op het perron zelf wordt aangeboden. De moderne equivalent van antilopenkarkassen, maar dan om de tien meter. Het is een feest. Kost ook maar een euro. Contactloos betalen. Top.

Het helpt niet dat voedsel overal aanwezig is en we primitieve wezens zijn. Het helpt ook niet dat we én eten bij beschikbaarheid, wanneer de klok zegt dat het moet (half zes avondeten) én we de opvatting dat het onbeschoft is wanneer we een bord niet leegeten nog niet hebben verlaten. En het is ook zonde. Kortom: alle seinen staan op groen om overgewicht te krijgen.

Daarmee zijn we er nog niet. Omdat we zonder blikken of blozen accepteren dat we onszelf consument noemen, vinden we het ook niet raar dat we op de wereld zijn om dingen te kopen. Er zijn met Apple Pay en zelfscankassa's ook geen barrières meer om die Twix te kopen. Nu weten we ook wel dat één Twix geen obesitats veroorzaakt (zoals één bleekselderijsapje ook geen afslankwonder is), maar al deze systemen werken continu door elkaar heen. 24/7 zijn we primitieve wezens in een wereld van overvloed. Gooi er een chronische overprikkeling tegenaan die het nemen van beslissingen moielijker maakt en zie dan maar eens op de juiste momenten nee te zeggen.

We zijn nog steeds niet klaar. De andere kant van de caloriemedaille, die ik graag niet zo sterk wil belichten als de eerste, is dat we ook niet zo veel calorieën gebruiken als zou moeten om onze inname tegemoet te komen. Van liggen naar zitten, naar in de auto of de trein zitten, naar op een bureaustoel zitten, naar terugforensen naar thuis op de bank zitten is niet zoveel energie gebruiken. Dus mocht je door alle verleidingen en primitieve gedragingen veel hebben gegeten, dan is er ook nog eens een kleine kans dat je die energie ergens voor gebruikt. Kortom: ja, logisch dat we straks met z'n allen obesitas hebben. Gek eigenlijk dat er nu mensen in dezelfde obesogene omgeving verschillende lichaamscomposities hebben.

Hoe lossen we dat naderende probleem dan op? Eén van de populairste oplossingen is een abonnement nemen op de sportschool. Het is kennelijk algemeen geaccepteerd dat de beste manier naar gewichtsverlies uren zwoegen op een loopband is. Dat is echter onjuist.

Mensen die een keer een boek hebben gelezen weten dat het veel verstandiger is om geen Twix te eten dan daadwerkelijk die Twix te proberen te verbranden op een vochtige sportschool op een eindje rijden van je grijze hoekbank. De mensen die dit weten, proberen een dieet.

We ontkomen er niet aan om even de etymologie van het woord dieet te bespreken. Het komt van het Griekse diaita, dat leefregel betekent. Aanvankelijk had het niets te maken met eten, maar in hedendaagse maatschappij(en) is dat wel het geval. Een dieet is een manier van eten. Voedselgedrag. Een groepje opvattingen over de manier waarop je eten tot je neemt. In tijd, consistentie, structuur, omgeving, methode, inhoud en smaak bijvoorbeeld.

Als je met je huidige dieet een obees persoon bent geworden, doe je er goed aan om dat gedrag aan te passen. Je vorige dieet zorgde voor een ongezond lichaam. Je nieuwe dieet moet ervoor zorgen dat dat lichaam weer gezond wordt.

De kern van alle diëten is calorierestrictie. Er bestaan geen diëten die werken zonder het aantal calorieën dat wordt ingenomen wordt verminderd. Dat is fysiologisch onmogelijk. Het ontkennen van de calorie als wetmatigheid is het ontkennen van de kilometer als afstand. Alsof jij opeens een kortere kilometer hebt gevonden. Of een grotere liter. Een zwaardere kilo. Een calorie is een calorie en deze simpele regel kunnen we goed gebruiken bij autonoom voedselgedrag.

Het probleem met diëten, alle diëten, is dat ze door andere mensen bedacht zijn. Dat werkt in het begin heel erg goed omdat overtuiging door andere mensen direct effect heeft. Bovendien zijn in heel veel veranderingsprocessen mensen in het begin erg gemotiveerd. Tot die motivatie wegebt en we ons plotseling realiseren dat we helemaal geen zin meer hebben in gekke regels die iemand anders ons heeft opgelegd. Wéér dat recept maken dat iemand anders heeft bedacht. Wéér dat domme citroensapje drinken 's ochtends. Wéér een lange periode vasten terwijl je zelf liever wat meer eetmomenten hebt. Wat een domme lul was die dieetgoeroe eigenlijk? Ik wil gewoon die Twix eten! Zelf bepalen!111

Maar wat is dan wél de oplossing voor het steeds groter wordende obesitasprobleem? De oplossing is dat je eerst zelf bepaalt dat je graag wilt afslanken. Als je dat niet wilt, dan is dat natuurlijk prima. Het kan ook wel zo zijn dat je met overgewicht nooit complicaties krijgt, forever gelukkig bent, rustig een sprintje kunt trekken en geen fysieke ongemakken ervaart, maar dat komt ongeveer in evenveel gevallen voor als mensen die kort slapen en normaal functioneren. Wanneer je wél graag zou willen afslanken, dan moet je accepteren dat de energiebalans bestaat: je eet, drinkt, kakt, plast en zweet en het verschil ben jij. Diëten werken allemaal om de energie-reden: welk naampje je er ook aan geeft, je slankt af wanneer je over langere tijd minder energie tot je neemt dan je gebruikt, maar ze stoppen met werken als je de hele tijd dingen moet doen waar je helemaal geen zin in hebt of, met de woorden van Ryan en Deci: waarvoor je extrinsiek gemotiveerd moet worden om te doen. Dus dat je je motivatie moet vinden voor activiteiten die niet dichtbij je waarden staan, zoals net doen alsof bepaalde voedingsmiddelen verboden zijn, sapjes drinken die duur én vies zijn of weet ik wat. Je moet niet de leefregels van iemand anders opvolgen. Die kun je zelf maken! En daarvoor is het niet onverstandig om dieetboeken te lezen. Juist niet. Dat zijn namelijk allemaal voorbeelden van calorierestrictie. De ene is misschien heel simpel en gaat snel maar is nauwelijks vol te houden, de ander is complex en gaat langzaam en weer een ander is simpel en duurt lang en een ander slaat helemaal nergens op. Want wie gaat er nou pure bleekselderijsap drinken?

Alle diëten uit dieetboeken zijn rigide en door iemand anders bedacht. Dat werkt alleen op korte termijn. Het beste dieetboek is één regel en zegt zoek je eigen manier van duurzame calorierestrictie tot er geen restrictie meer nodig is maar dat verkoopt voor geen meter. En wat ook niet verkoopt is vertellen dat eten en gezondheid, net als met spulletjes, meningen, informatie en bewegen trouwens, op een parabool loopt en niet lineair. Dat betekent trouwens ook dat diëten dingen doen én dingen laten is (en voornamelijk dingen laten), maar ook dát verkoopt niet omdat het niet interessant is.

Afslanken gebeurt dus wanneer je accepteert hoe het werkt en vervolgens je eigen regels erbij verzint. Dan kun je natuurlijk nog steeds die Twix kopen, maar die toets je aan je eigen regels. Heet een zelf bedacht dieet dan autodiata?

Als ergens autonomie van belang is dan is dat in de gezondheidswereld. Het is soms vet moeilijk te begrijpen hoe het allemaal werkt, maar zodra je dat weet, heb je vooral autonomie nodig.

Platbranden

Verveling is de droomvogel die het ei van ervaring uitbroedt

Walter Benjamin

Jean Baudrillard is een belangrijk figuur die we nog helemaal niet besproken hebben. Misschien komt dat nog. Baudrillard wordt gezien als criticus van de postmoderne consumptiecultuur en past dus mooi in dit deel van het boek. Hij heeft het over obesitas van alle huidige systemen zoals informatie, communicatie en productie. Het gevolg ervan wordt door Byung-Chul Han besproken in het boek The Burnout SocietyByung-Chul Han — The Burnout Society, waarin de Koreaans-Duitse filosoof (die overigens pijp rookt, wat niet uitmaakt maar wel een mooi detail is) uitlegt dat we in een wereld leven met te veel positiviteit. Te veel? Kan dat dan? Blijkbaar wel.

In een eerder hoofdstuk lazen we dat vrijheid twee varianten heeft: vrij zijn van en vrij zijn tot iets. Het probleem waar we nu mee te maken heeft is dat we te veel mogelijkheden hebben. Han spiegelt het aan samenlevingen van orde en straffen, zoals beschreven door Foucault. Nu is er juist sprake van een prestatiesamenleving waarin alles mogelijk is. Maar te veel is óók obesitas. Han beschrijft dat een burnoutsyndroom ontstaat als het ego oververhit raakt door een te positieve samenleving. In tegenstelling tot een disciplinaire samenleving waarin gekken en criminelen ontstaan, brengt een prestatiesamenleving juist depressieve mensen en losers voort. Je voelt je een loser omdat je in de veronderstelling bent dat je steeds niet goed genoeg bent, dat je constant de beste versie van jezelf moet zijn, zonder dat je zomaar kunt zijnAlan Ehrenberg — The Weariness of the self.

Han vindt dat we te veel vrijheden hebben. Dat is paradoxaal omdat meer vrijheid in veel gevallen beter lijkt. Ook dit lijkt geen rechte lijn te zijn. Als je geen meester hebt en je eigen meester bent, dan neig je naar zelfuitbuiting. De vrijheid wordt paradoxaal: zelfuitbuiting zorgt voor burn-outs. Mensen zijn het zat om hun eigen meester te zijn, om initiatief te tonen. Doordat alles mogelijk is, zijn ze in constante competitie met zichzelf. In Han's woorden: burn-out vertegenwoordigt de pathologische consequentie van zelfuitbuitingByung-Chul Han — The Burnout Society. Dit boek hoeft geen gelovig betoog te worden, maar je kunt je voorstellen dat het soms wel lekker is als God tegen je zegt dat je op zondag moet rusten.

Waar rouwen gaat over hechting en melancholie over verlies, heeft depressie niets om aan vast te houdenByung-Chul Han — The Burnout Society. Door fragmentatie van de samenleving (noem het individualisme) verliezen mensen binding met elkaar en met grotere dingen. Hierdoor is het voor mensen met een burn-out niet ongebruikelijk om zich af te vragen of ze wel genoeg hebben geleden om de burn-out te verdienen. Er is geen referentiekader. Burn-outs zijn moeilijk te ervaren.

De oplossing is volgens Han introspectie, wat we als mensen steeds minder doen omdat we steeds meer aan het multitasken zijn. Deze vita comtemplativa hebben we eigenlijk al eerder besproken: het biedt weerstand tegen zichzelf opdringende in indringende stimuli. Met andere woorden: we hebben meer negativiteit nodig, in de vorm van verveling en luiheid.

Ik heb dus ik ben

Jasmine (van Aladdin) en de Buddha zijn dezelfde persoon omdat ze beiden een enorm paleis hebben maar daar niet vinden waar ze naar op zoek zijn of nodig hebben en daarom maar vertrekken. De Canadese filosoof John Vervaeke noemt dit het resultaat van modale verwarring en heeft dit concept van Erich Fromm geleend. De Duitse psycholoog en psychoanalist schreef in 1976 het boek To have or to beErich Fromm — To Have or to Be? waarin hij twee bestaansmodi, op basis waarvan mensen hun dagelijkse gedrag sturen, uiteenzet. Het gaat niet vooral om wat ze dan doen, maar op welke manier. De twee vormen zijn de hebben-modus en de zijn-modus. Vervaeke is, vanwege zijn onderzoek naar de betekeniscrisis, erg geïnteresseerd in de menselijke verwarring tussen de twee.

We zijn opgesloten in modale verwarring zegt Vervaekehttps://www.youtube.com/watch?v=LykPer5CzNE. De behoeften van het hebben, zoals water, eten en onderdak zijn heel erg belangrijk volgens Vervaeke. We moeten ze categoriseren, manipuleren en controle erover veilig stellen. Daar tegenover staan de behoeften van het zijn, waarin wordt voorzien door iets te worden. Een voorbeeld is de behoefte om volwassen te worden. In deze behoefte kan niet worden voorzien door categorisch dingen te manipuleren, maar juist door het project (in de woorden van Victor Frankl) van betekenis-maken. Vervaeke benadrukt dat beide modi (en behoeften) niet goed of fout zijn, maar dat Fromm stelt dat we ze door elkaar halen. Dus dan denken mensen dat ze volwassen zijn als ze een auto hebben, dat ze gezond zijn als ze een reeks van 10.000 stappen per dag hebben en dat ze veel seks moeten hebben in plaats van verliefd te zijn.

Het probleem met deze modale verwarring, stelt Vervaeke, is dat we niet een significante verandering ondergaan. En dat geldt volgens hem vooral voor epistemologie (kennisleer): we nemen een standpunt in zonder dat we door fundamentele transformaties gaan. En dit gaat steeds harder omdat onze cultuur zegt dat we onze zijn-behoeften kunnen oplossen door nog meer spulletjes te kopen. Ja, zo kun je het dus ook zien.

Alain de Botton is het ermee eens. In zijn boek The News zegt hij dat we niet per se op zoek zijn naar het bezit van spullen, maar dat we veranderd willen worden door dat bezit. Hij stelt zelfs dat mensen niet per se materialistisch zijn maar dat we in een tijd leven waarin we proberen om een variëteit aan complexe psychologische doelen te behalen door materiële goederen te kopenAlain de Botton — The News. Dit is ook hoe reclame werkt: de producten zijn de beloften van onze toekomstige gemoedstoestanden.

Het probleem is nu duidelijk. De beloften zijn vals. Je wordt niet wijs en deugdzaam door iets te bezitten.

Hoofdstuk 7

Minus de camera

De grot

Zodra je je radicaal afsluit van de grote wereld, bestaat het gevaar dat die kleine, eigen wereld van jou en je geestverwanten de enige echte wereld lijkt te zijn.

Bas HeijneBas Heijne — Onredelijkheid

Niets van dit is echt en alles is waar.

Jim Carrey

Dit deel van het boek gaat over de vraag wat is echt? en daar heb ik op het eind absoluut geen antwoord op. Wel denk ik dat ik een piepklein beetje uiteen kan zetten waarom de verschillen tussen echt en nep zo verwateren.

We moeten beginnen met Plato's grot, wat helemaal niet de grot van Plato was maar een allegorie (over een grot), wat een gedicht is dat in z'n geheel symbool is voor iets anders. We beginnen dus al lekker met de vraag wat echt is.

Plato was van mening dat er twee werelden zijn. Die van de mensen, waarin niets gelijk blijft en alles weer verdwijnt en daardoor ook chaotisch is en een wereld van volmaakte orde en harmonie, waarin tijd en ruimte niet bestaan. Het gaat er even niet om wat hij hiermee bedoelt, denk ik, maar om het verschil tussen de twee.

De allegorie van de grot is een manier om dit verschil uit te leggen. De grot is diep en verstoken van daglicht. Het is er zonder daglicht pikdonker en er zitten mensen vastgeketend op de grond en kunnen maar één kant op kijken. Ze zien zichzelf niet en de mensen naast zich ook niet, maar alleen een muur. Achter de vastgetekende mensen is ook een muur, niet helemaal tot het plafond. Daar weer achter lopen andere mensen met allerlei objecten op hun hoofd (moeten zij weten) en daar weer achter brandt een vuur. Dat zorgt ervoor dat schaduwen van deze objecten op de muur worden getoond voor de vastgeketende mensen. Naast het zien van de schaduwen, horen de gevangenen echo's van wat de mensen achter de muur zeggen.

Om van deze schimmenwereld naar de echte wereld buiten de grot te gaan, zouden gevangenen eerst moeten losbreken van hun ketenen, die ze tot dit moment volledig in bedwang houden. Überhaupt bewegen zou al pijn doen. Daarna moeten de gevangenen omdraaien zullen ze moeten wennen aan steeds meer licht. Eerst zullen ze moeten begrijpen wat die mensen met die objecten op hun hoofd doen en dan zullen ze het vuur zien. Daarna zullen ze naar buiten moeten kruipen en zonlicht ervaren wat, in ieder geval in het begin, verblindend is.

Op ieder moment is het voor zo'n gevangene heel logisch om terug te keren naar het begin, naar de gemakkelijke houding en de begrijpelijke schaduwen. Maar als het wél lukt, en de gevangene heeft de wereld kunnen zien zoals hij echt is, dan is het weer moeilijk om terug te keren naar de grot.

De verschillen tussen de echte wereld en die daar omheen zijn later ook besproken door Immanuel Kant, die stelde dat we slechts fenomenen waarnemen en niet die echte wereld. Maar wat is dan echt?

De volgende allegorie is het verhaal On Exactitude in Science van Jorge Luis BorgesJorge Luis Borges — On Exactitude in Science, over een fictieve cultuur die zo geobsedeerd is met het juist weergeven van hun land dat de kaart van het land uiteindelijk de schaal 1 op 1 krijgt en het land bedekt. De kaart is zo groot en uitgebreid dat het elk stukje van het rijk perfect weerspiegelt. Het verhaal benadrukt het idee dat een perfecte en volledige representatie van de realiteit niet alleen onmogelijk is, maar ook nutteloos. De kaart, in haar streven naar exactheid, verliest haar functie en waarde.

Op iedere kaart wordt er informatie niet getoond en worden bepaalde dingen belangrijk gemaakt. Zoals het gemiddeld-bekende spreekwoord luidt: de kaart is niet het landschap. En nieuws over een land is niet het landAlain de Botton — The News: A User's Manual. Per definitie is iedere kaart fout. Maar ís dit dan ook fout?

Misschien kan Jean Baudrillard die vraag beantwoorden. Baudrillard bouwt voort op de ideeën van zijn voorgangers door te stellen dat in de hedendaagse samenleving, simulacra centraal staan. Het zijn representaties die losstaan van de realiteit die ze ooit moesten weerspiegelen. Zijn werk Simulacra and SimulationJean Baudrillard — Simulacra and Simulation verkent hoe deze simulacra een eigen realiteit vormen, die hij hyperrealiteit noemt. In deze hyperrealiteit vervangen de simulacra de oorspronkelijke werkelijkheid; ze worden echter dan echt.

De hyperrealiteit van Baudrillard is een perfecte representatie die de realiteit vervangt. In deze wereld is de grens tussen wat echt is en wat nep, tussen de kaart en het landschap, volledig vervaagd. Dit leidt tot een situatie waarin mensen leven in een wereld die is samengesteld uit beelden, symbolen, en representaties, die de werkelijkheid niet alleen weergeven maar ook vormen en vervangen.

Baudrillard's filosofie gaat verder dan de discussie over de betrouwbaarheid van onze perceptie van de realiteit, zoals besproken door Plato en Kant. Hij stelt dat in de moderne wereld, de realiteit zelf wordt ondermijnd door de overvloed aan beelden en symbolen. Net als de gevangenen in Plato's grot die de schaduwen voor de werkelijkheid houden, leven wij in een wereld waar de beelden die we consumeren via media en technologie onze perceptie van wat echt is bepalen.

Deze ideeën van Baudrillard roepen belangrijke vragen op over autonomie en realiteit in een digitale cultuur. Zijn we vrij om de werkelijkheid te kennen en te ervaren zoals die is, of zijn we gevangen in een zelfgemaakte grot van simulacra, waar de echte wereld is vervangen door een schijnwerkelijkheid gecreëerd door media en technologie? En belangrijker nog, in een wereld waar de kaart de realiteit heeft vervangen, wat betekent het dan nog om echt te zijn?

Dit is ook de vraag die Susan Sontag stelt in het boek On PhotographySusan Sontag — On Photography, dat ze vier jaar voor Baudrillards Simulacra and Simulation schreef. In het boek onderzoekt Sontag hoe fotografie niet alleen een middel is om de realiteit vast te leggen, maar ook hoe het onze perceptie van de realiteit beïnvloedt en vormt. Fotografie, stelt Sontag, creëert een bepaalde manier van zien en begrijpen van de wereld om ons heen. Net zoals Plato's grotbewoners de schaduwen voor de realiteit aanzien, kunnen wij moderne mensen het beeld voor de werkelijkheid aanzien.

Sontag benadrukt ook de rol van fotografie in het creëren van een collectieve geheugen. Foto's worden een vervanging voor directe ervaringen, waarbij de afgebeelde momenten vaak belangrijker worden dan de werkelijke gebeurtenissen. Dit resoneert met Baudrillard's ideeën over de hyperrealiteit, waar de representatie de realiteit vervangt. Vaak wordt de realiteit vervolgens weer gevormd op basis van die hyperrealiteit. Sontag biedt een kritische blik op hoe media, en in het bijzonder fotografie, onze perceptie van de werkelijkheid beïnvloeden. Dit wordt vooral duidelijk in de moderne tijd, waar sociale media en digitale technologieën het beeld steeds meer centraal stellen in onze ervaring van de wereld. Het boek, dat is gepubliceerd in 1977, beschrijft indirect de overweldigende beeldenwereld waarin we nu leven.

In een tijdperk waarin beelden alomtegenwoordig zijn, roept Sontag's werk vragen op over de authenticiteit van onze ervaringen en herinneringen. Net als bij Plato, Kant, Borges en Baudrillard, dwingt Sontag ons om na te denken over de aard van onze interactie met de wereld om ons heen. Zijn onze ervaringen en herinneringen echt, of zijn ze gevormd en gekleurd door de beelden die we consumeren?

Zombies

Niet de Zwarte Dood, deze keer; het grijze leven.

Aldous HuxleyAldous Huxley — Island

John Vervaeke is in dit boek al vaak langs gekomen en dat komt omdat zijn werk over de betekeniscrisis zo uitvoerig en belangrijk is en blijkbaar flink wat te maken heeft met autonomie. Of omdat zijn werk verschillende manieren geeft om over autonomie te praten. Vervaeke's colleges en podcasts zijn niet het enige wat hij onze lerende breinen te bieden heeft. Zijn boek Zombies in Western CultureJohn Vervaeke — Zombies in Western Culture: A Twenty-First Century Crisis behandelt de gelijkenis van het zombie-archetype en de hedendaagse westerse mens. Volgens Vervaeke symboliseert de zombie een staat van zijn waarin individuen losgekoppeld zijn van zinvolle interacties met de wereld en anderen. Met het boek probeert hij de betekeniscrisis niet op te lossen of te verklaren, maar slechts te symboliseren.

Vervaeke stelt dat veel mensen in de moderne samenleving zombie-achtige kenmerken vertonen: ze missen een thuis, ze zijn wel samen maar hebben geen interactie met elkaar, ze consumeren wel maar zijn nooit verzadigd, ze hebben geen doel en dwalen maar wat rond, ze herhalen dezelfde eenvoudige acties onophoudelijk, in hun consumptieve drang vernietigen ze wat op hun pad komt en ze communiceren hun onvermogen om te communiceren.

Eén van de voornaamste concepten die Vervaeke in dit boek, en ook daarbuiten, bespreekt is de mismatch tussen de manier waarop we onze wereld zien en hoe we ons gedragen in de wereld. In zijn woorden: de verhouding tussen agent en arena. Volgens Vervaeke is een wereldbeeld een combinatie tussen deze twee dingen: een model van de wereld en een model voor hoe je je erin gedraagt. Die verhouding (en de wisselwerking ertussen zoals het bouwen van infrastructuur en gebouwen en vervolgens in het leven beïnvloed worden door die infrastructuur en gebouwen) gaat stuk. Het probleem is volgens Vervaeke dat we in een wereld leven waarin we onze eigen begeleiders zijn, waarin we eigen regels maken en onze eigen kaarten tekenen. Dat is problematisch omdat we het niet meer weten, en ons dus gedragen als zombies. En laat het nou juist zombies zijn die, in tegenstelling tot bijvoorbeeld andere mythische wezens als vampiers en aliens, niet het vermogen hebben een eigen wereldbeeld te vormen. Het boek wordt niet heel optimistisch afgesloten met de speculatie dat deze geleidelijke aanval van zinloosheid—bij gebrek aan een nieuw heilig bladerdak—ons in de nabije toekomst zal blijven bedreigen en infecteren.

Mooie boel.

Platform

Toen ik met de voorbereidingen van dit boek begon, las ik een boek van Astra Taylor dat The People's Platform heet en zéér negatief was over sociale media en ongeveer alle aanverwante zaken zoals telefoongebruik en grootkapitaal. De subtitel Taking Back Power and Culture in the Digital Age impliceert dat er een verandering nodig is, en het boek is al in 2014 geschreven. Taylor schrijft over het verschil tussen een initiële (niet-hardop uitgesproken) belofte dat het internet een democratiserend en egalitair platform is en de werkelijkheid die meer lijkt op de versterking van machtsstructuren en ongelijkheden. Met de woorden van James Veitch: Het internet heeft ons toegang tot alles gegeven, maar het gaf ook alles toegang tot onshttps://www.ted.com/talks/james_veitch_the_agony_of_trying_to_unsubscribe/transcript. Ik weet niet of ik het er altijd mee eens ben (of was), maar het biedt wel een aardige bril om door te kijken. Het biedt een voorstelling van online zaken die verduidelijken wat John Vervaeke bedoelt met zombies in de westerse cultuur.

Taylor bespreek bijvoorbeeld hoe het internet kan leiden tot een gevoel van ontheemding voor gebruikers. Ze kunnen nergens echt een thuis vinden in digitale ruimtes. Dat komt wellicht door de oppervlakkigheid van online interacties: er wordt wel gecommuniceerd, maar voornamelijk op lage kwaliteit. Om met de woorden van Vervaeke te spreken: we zijn wel samen maar niet verbondenJohn Vervaeke — Zombies in Western Culture: A Twenty-First Century Crisis. De afhankelijkheid van advertentie-inkomsten en het bijgevolg stimuleren van consumptie wordt kritisch besproken door Taylor. Dit sluit aan bij zowel de zombiemetafoor als de modale verwarring van Erich Fromm: constant consumeren zonder ooit werkelijk voldaan te zijn. Dit heeft weer tot gevolg dat online werelden plekken worden waar gebruikers doelloos rondzwerven. Taylor vindt dat die relatie deels andersom is: volgens haar zijn digitale platformen zo ontworpen om gebruikers zo lang mogelijk vast te houden, zonder duidelijk doel of einde, wat leidt tot doelloos surfen of scrollen of automatisch de volgende aflevering van een serie kijken, maar ook het eindeloos herhalen van dezelfde acties; het openen van dezelfde apps; het bespreken van dezelfde onderwerpen. Uiteindelijk is er ook een parallel te trekken tussen Taylors kritiek en het vernietigend consumeren van de zombie: de nadruk op commerciële belangen en reclame leidt tot afbraak van kwaliteit en inbreuk op privacy.

Als we de metafoor van Borges erbij pakken, lijkt het erop alsof de kaart het terrein aan het overnemen is. Die kaart wordt via schermpjes op onze gezichten geprojecteerd. Letterlijk.

Matthëus

Stephen Stigler is een statisticus die we kennen van de Wet van Stigler. Wel zo handig natuurlijk. Maar de grote grap met deze wet is dat het beschrijft hoe wetenschappelijke ontdekkingen nooit worden toegewezen aan de werkelijke ontdekker. Een beroemd voorbeeld is de stelling van Pythagoras die, uiteraard onder een andere naam, al vét lang bekend was bij Babyloniërs. En de Wet van Stigler is zelfs bedacht door iemand anders, namelijk Robert K. Merton, die stelde dat wetenschappelijke ontdekkingen altijd worden toegeschreven aan de meest bekende wetenschapper, zelfs als bijvoorbeeld een promotiestudent het meeste werk heeft gedaan. Deze wetmatigheid is trouwens ook bekend onder het Matthëuseffect. Overigens is het belangrijk om te vermelden dat ook Harriet Zuckerman aan de wieg stond van de beschrijving van dit effect, maar dat zij waarschijnlijk door het Matilda-effect, dat beschrijft hoe vrouwen systematisch minder erkenning krijgen voor hun wetenschappelijke werk, minder aandacht heeft gekregen. Het Matilda-effect kunnen we trouwens toeschrijven aan abolitionist Matilda Joslyn Gage, maar kreeg pas in 1993 deze naam door wetenschapshistoricus Margaret W. Rossiter.

Maar ik wil het graag hebben over het Matthëuseffect, dat is gebaseerd op een regel uit de parabel van de talenten in het evangelie volgens Matteüs, 25:29. Daarin stelt hij Want wie heeft, zal meer krijgen, en hij zal overvloed hebben. Wie niet heeft, zelfs wat hij heeft, zal van hem worden afgenomen. In de context van het evangelie wordt dit gezegd in een verhaal waarin een meester zijn dienaren verschillende hoeveelheden geld (talenten) geeft voordat hij op reis gaat. Bij zijn terugkeer beloont hij de dienaren die hun talenten hebben vermeerderd, maar straft hij de dienaar die zijn enige talent heeft verborgen en niets heeft verdiend.

Deze parabel is interessant in de online wereld waarin we het vaak hebben over platformen, maar waar wel degelijk sprake is van een Matthëuseffect. Populaire websites, personen, meningen, manieren van praten, memes, nieuwsverhalen en uitingen worden populairder omdat ze al populair zijn en wellicht kwalitatievere content krijgt buitensporig weinig aandacht. Zoekmachines sorteren resultaten op basis van kwaliteit, maar dat heeft grotendeels te maken met hoeveel verwijzingen er al zijn naar deze pagina's. Dit wordt gezien als bewijs voor de kwaliteit, maar dat valt natuurlijk over te discussiëren als we het Matthëuseffect kennen. De trending pagina op YouTube is niets meer een overzicht van video's die al populair zijn en daardoor extra aandacht krijgen. Tiktokvideo's die vaak worden bekeken, krijgen als beloning nog meer kijkers.

Astra Taylor is erg kritisch op deze manier van het aanbieden van informatie. Ze schrijft dat de term platform een glad oppervlak suggereert, maar dat technologie zo de manieren waarop ze onze levens vormen, door het prioriteren en verheffen van bepaalde doeleinden boven anderenAstra Taylor — The People's Platform: Taking Back Power and Culture in the Digital Age. Ryan Holiday beschrijft het als een de creatie van een verwrongen reeks prikkels die verkeer belangrijker maakt—en meer winstgevend—dan de waarheidRyan Holiday — Trust Me, I'm Lying: Confessions of a Media Manipulator.

Het belonen van populariteit met populariteit is één van de belangrijkste oorzaken van de grote hoeveelheid bullshit online. Fake it until you make it is in deze omstandigheden een excellente strategie: door eerst net te doen alsof je populair bent, zullen de dynamieken dit gedrag belonen tot je het werkelijk bent. Daarna zou je eventueel jezelf kunnen wijsmaken dat je hard hebt gewerkt aan het goede.

Het gaat mij hier niet om bepalen in welke mate een culturele democratie van belang is, maar de toegankelijkheid en diversiteit in stemmen en perspectieven is online ver te zoeken. Zichtbaarheid en bekendheid lijken voornamelijk en in toenemende mate het gevolg te zijn van een cumulatief voordeel in plaats van originaliteit en diepgang. In plaats hiervan krijgen we content die snel en breed toegankelijk en voornamelijk sensationeel is (en aantrekkelijk voor sponsors). Dit zorgt weer voor filterbubbels waarin nieuw of minder conventionele ideeën nauwelijks aandacht krijgen.

Dus niet alleen veroorzaakt de architectuur van veel online omgevingen bekrompenheid en herhaling van hetzelfde, ook zorgt het voor een verhoogde drang naar roem. Is dat dan het resultaat van oppervlakkige ijdelheid of gebrek aan respect en waardering voor het gewone leven, zoals Alain de BottonAlain the Botton — The News: A User's Manual zich afvraagt?

Narcissus in je broekje

De mens is een wezen dat afbeeldingen van zichzelf maakt en vervolgens op de afbeelding gaat lijken.

Iris Murdoch

Online platformen hebben gebruikers nodig om succesvol te zijn. Astra Taylor noemt dat een vorm van digitaal feodalisme. Hoewel er geen eenduidige definitie van feodalisme is, is de digitale variant ervan redelijk duidelijk: je krijgt als gebruiker een plekje en gereedschappen en je wordt impliciet en expliciet verzocht om content te maken, in welke vorm dan ook. Nouja, het liefst succesvolle content, zodat veel mensen ermee interacteren. Op sociale media is dat het maken van een profiel en de mogelijkheid om van alles en nog wat te publiceren: video's, tekst, foto's. Het doel is dan natuurlijk het faciliteren van expressie, terwijl de belasting die wordt betaald door de gebruiker data is en, op een metaniveau, de data die kan worden verzameld van andere gebruikers die interactie hebben met de content van die eerste gebruiker. Gebruikers doen het werk en eigenaren van online platforms strijken de winsten op.

Hoe krijg je mensen zo ver om gebruik te blijven maken van platformen en sociale media? Wanneer ze zichzelf erin zien, als een moderne Narcissus. Deze figuur uit de Griekse mythologie was verliefd op zijn eigen spiegelbeeld en kon niet loskomen van de reflectie van zichzelf in het water. Net als Narcissuses zijn we gevangen in de weerspiegeling van onszelf die online platformen bieden en blijven we onze aandacht en tijd besteden aan een oneindige stroom van zelfexpressie en zelfpromotie. Wat vind jij van dit nieuwsartikel, beste lezer? en Laat het weten in de comments!

Aandacht, en niet inhoud of waarde, is online de belangrijkste valuta. Zoals Kenneth GoldsmithKenneth Goldsmith — Wasting time on the internet aangeeft, tonen sociale media ons iedere keer als we de apps openen onze eigen weerspiegeling: hoe vaak we worden genoemd, hoeveel likes en retweets we hebben gekregen en hoe vaak we worden genoemd in reacties. De accumulatie van aandacht is het kapitaal van sociale media: een symbolische valuta waarbij het ik de maatstaf is voor waardebepaling.

Omdat ze alleen kunnen werken met bestaande data, duwen algoritmes ons naar het bekende, wellicht met een kleine variatie, in plaats van onze horizon te verbreden, zoals Maria Popova observeerthttps://www.nytimes.com/2012/11/30/opinion/global/maria-popova-evgeny-morozov-susan-greenfield-are-we-becoming-cyborgs.html. Hierdoor worden we constant blootgesteld aan content die onze bestaande overtuigingen en interesses weerspiegelt en wat onze wereld steeds kleiner maakt. Is er plotseling iets dat onze huidige overtuigingen tegenspreekt, dan hebben we altijd een gemakkelijke mogelijkheid om erop te reageren, en zo opnieuw expressief te zijn.

In plaats van actieve deelnemers aan digitale ervaringen, lijken online werelden toch vooral een spiegel van wat je toch al was en toch al vond. Zo dringt het beeld van Neo in de beginscène van de film The Matrix op: slapend, terwijl informatie letterlijk het hoofd wordt geprojecteerd: een passieve ontvanger van oneindige stromen informatie en stimuli.

In dit landschap van digitale narcisme en constante zelfexpressie, waarbij het individu steeds meer wordt gereduceerd tot een verzameling van online interacties en impressies, rijst de vraag hoe we onze authenticiteit en autonomie kunnen bewaren. Hoe kunnen we ontsnappen aan de greep van deze digitale spiegel, en een pad vinden naar meer betekenisvolle en diepgaande interacties in een wereld die steeds meer gedomineerd wordt door oppervlakkigheid en zelfobsessie?

Wie doet het denken?

Als Christus terug zou keren, zou hij een deal met Nike krijgen.

Rick Roderick

Influencers zijn de belichaming van het Matthëuseffect. De volgersaantallen en likes lijken een directe weerspiegeling van hun invloed en relevantie. Maar moeten we ons richten tot de populairste mensen voor onze meningen en gedachten? En moeten we van ze verwachten dat ze verantwoordelijkheid nemen voor de impact die ze hebben?

Als we weer teruggaan naar zombies dan zien we dat ze wel samen zijn maar geen relaties met elkaar aangaan. Dat is wellicht een teken van deze tijd, maar tegelijkertijd gaan we ook steeds meer parasociale relaties aan. Waar je in een dorp, een paar honderd jaar geleden, nog iedereen kende (en andersom), ken je nu veel meer mensen maar zijn de verhoudingen veranderd. Het logische gevolg van bekendheden is dat de verhouding tussen de aandacht die zij verdelen aan hún relaties zich niet verhoudt tot de aandacht die ze krijgen. De opkomst van parasociale relaties in het tijdperk van sociale media heeft geleid tot een fundamentele verschuiving in hoe we interactie hebben en relaties opbouwen. Volgers ontwikkelen een gevoel van verbondenheid met influencers, terwijl deze relaties in werkelijkheid eenzijdig zijn. Dit fenomeen creëert een illusie van intimiteit; volgers voelen dat ze de influencer persoonlijk kennen en identificeren zich sterk met hun leven en keuzes. Maar deze relaties missen wederkerigheid, wat essentieel is in echte menselijke verbindingen. De tijd en emotionele energie geïnvesteerd in deze digitale interacties kunnen leiden tot een verwaarlozing van fysieke relaties en een verarming van het sociale leven. En sterker nog: frustratie over het gebrek aan wederkerigheid dat soms, in combinatie met de relatieve anonimiteit online, kan resulteren in geweld.

Deze parasociale dynamiek kan ook een valse perceptie van realiteit creëren. Volgers kunnen zich gaan meten aan de levensstandaard en prestaties van de influencers, wat vaak leidt tot onrealistische verwachtingen en teleurstelling. Deze digitale illusie van nabijheid kan ook bijdragen aan een verhoogd gevoel van eenzaamheid en isolatie, aangezien de relaties geen echte emotionele steun of wederzijdse betrokkenheid bieden.

De voortdurende druk op content creators om snel en breed toegankelijke content te leveren, heeft geleid tot een stroom van banale en oppervlakkige media. Dit heeft geresulteerd in een cultuur waar cynisme en scepsis de overhand hebben. De angst om met complexiteit en ambiguïteit om te gaan, is duidelijk zichtbaar in de neiging van online platforms om sensationele en eenvoudige content te promoten. Zulke content mist ironisch genoeg ondanks de letterlijke vertaling naar inhoud juist diepgang en draagt weinig bij aan een zinvolle discussie of begrip van complexe onderwerpen. In plaats daarvan worden gebruikers gebombardeerd met oppervlakkige berichten die snelle reacties uitlokken, maar geen ruimte laten voor grondige overdenking of kritische analyse. We kijken video's van iemand die een bezorgmaaltijd eet.

Als complexiteit en nuance worden vermeden, worden gebruikers vaak geconfronteerd met een vertekend beeld van de werkelijkheid. Dit draagt bij aan polarisatie en misverstanden, omdat mensen worden aangemoedigd om in simplistische termen te denken en snel oordelen te vormen zonder de volledige context of verschillende perspectieven te overwegen. Influencers kunnen er vaak ook weinig aan doen, juist omdat hun aangeboren onnozelheid zo wordt gewaardeerd door technologische dynamieken en schaapachtig publiek. Datzelfde publiek gaat vervolgens denken dat je juist deze vereenvoudigde varianten van de menselijke soort het verdienen om aandacht te krijgen.

De eerste golf van influencers, vooral actief sinds het begin van de jaren 2000, begon online hun stem te laten horen uit een behoefte aan zelfexpressie, allicht aangewakkerd door gebrek aan erkenning in het echte leven. Deze groep is geleidelijk opgesplitst in tweeën: degenen hun populariteit meeontwikkelden met het systeem en degenen die achterbleven omdat ze niet meegingen in het commerciële spel.

Deze tweedeling in de influencerwereld roept vragen op over autonomie, authenticiteit en commerciële invloeden. Terwijl sommige influencers vasthouden aan hun oorspronkelijke doel van zelfexpressie, hebben anderen de kunst van zelfpromotie en merkpartnerschappen geperfectioneerd. Uiteraard zullen beide groepen zichzelf en de wereld wijsmaken dat ze tot de eerste groep behoren. Het heeft geleid tot een cultuur waarin het moeilijk is om authentieke stemmen te onderscheiden van commercieel of aandachtgedreven content. Voor volgers wordt het een uitdaging om te bepalen wiens adviezen en aanbevelingen te vertrouwen zijn, vooral wanneer de influencer zich primair richt op persoonlijk gewin in plaats van op het leveren van waardevolle of eerlijke content. Kleine tip: geen enkele influencer is te vertrouwen als ze je nog nooit hebben geholpen met een verhuizing.

De grote vraag, waarvan ik je alvast kan vertellen dat je die met nee kunt beantwoorden, is of we ons moeten wenden tot de populairste mensen voor onze meningen en acties. Er wordt vaak belerend gedaan tegen en over influencers (en overigens ook topsporters en andere varianten van bekende mensen) omdat ze te weinig verantwoordelijkheid nemen voor hun woorden en daden. Met zo'n groot bereik zou je je bewust moeten zijn van de morele implicaties van dat bereik, is de strekking van het argument. Ik zou graag willen opperen dat je niet van iemand die beloond is voor zijn of haar oppervlakkigheid kan vragen om niet oppervlakkig te zijn. Weliswaar hebben ze het vermogen en het bereik om meningen en zelfs gedrag te vormen, maar zijn ze ook het resultaat van een systeem dat gebrek aan diepgang beloont en versterkt.

De stiltespiraal

Na de grot, bullshit, zombies, Matthëus en Narcissus komen we bij een volgend cruciaal aspect van digitale cultuur: de stiltespiraal. Dit concept is al in de jaren '80 ontwikkeld door Elisabeth Noelle-Neummanhttps://noelle-neumann.de/scientific-work/spiral-of-silence/ en biedt ons de mogelijkheid om te begrijpen hoe publieke opinie vorm krijgt, ook in online omgevingen die niet eens bestonden toen Noelle-Neumann eraan werkte.

De kern van de stiltespiraal ligt in de angst van mensen voor sociale isolatie. Deze angst leidt ertoe dat mensen constant de meningen en gedragingen van anderen observeren om te bepalen wat sociaal aanvaardbaar is. Dit hebben we ook al gezien in een vorig hoofdstuk waarin René Girard beweerde dat mensen vooral naar andere mensen kijken voor het vormen van hun wensen. Als gevolg hiervan passen individuen hun meningen en gedragingen aan om afwijzing of isolatie te vermijden. Dit mechanisme wordt versterkt in de online wereld, waar reacties direct en publiekelijk zichtbaar zijn en door platformen worden aangemoedigd om achter te laten.

De stiltespiraal wordt in gang gezet als mensen denken dat hun mening in de minderheid is. Ze zullen dan sneller zwijgen omdat ze bang zijn voor sociale represailles of geen zin hebben om discussies te voeren. Hierdoor lijkt het net alsof hun mening werkelijk in de minderheid is, wat weer kan leiden tot meer zwijgen. Zeker in een wereld waarin het niet meer duidelijk is wat de kaart is en wat de echte wereld. Dit sneeuwbaleffect zorgt ervoor dat dominante meningen steeds dominanter worden, terwijl tegengestelde meningen zich naar de achtergrond begeven. Het helpt niet als de mening van een stel influencers, beloond om hun ondiepe persoonlijkheden en vlakke opvattingen, de aanvankelijke bovenhand is gaan voeren. Dit effect is zorgwekkend in de context van sociale media omdat betrokkenheid wordt gestimuleerd, wat resulteert in het versterken van populaire meningen—en niet verstandige meningen. Minder populaire of controversiële standpunten kunnen worden ondergesneeuwd door de overvloed aan populaire content. Dit kan leiden tot een verdraaide weergave van wat werkelijk populair of geaccepteerd is binnen een samenleving.

Jon Ronson's observeert dat we een cultuur creëren waar mensen voortdurend in de gaten worden gehouden en bang zijn om zichzelf te zijnJon Ronson — So you've been publicly shamed. Dit versterkt de werking van de stiltespiraal. Het gevoel van constante surveillance zorgt ervoor dat mensen nog voorzichtiger zijn met wat ze online zeggen en delen, uit angst voor openbare schaamte of kritiek op hun huidige of vorige opvattingen of toekomstige opvattingen op basis van wat ze nu bijdragen aan het debat. Daarnaast heeft het vermogen om commentaar te geven op online nieuwsverhalen, zoals Alain de Botton aangeeft, een ongekend niveau van woede in de bevolking onthuldAlain de Botton — The News: A User's Manual. Dit kan het zwijgen van degenen met afwijkende meningen verder aanmoedigen, uit angst voor de agressieve en soms giftige aard van online discussies.

Zo'n stiltespiraal kan leiden tot een versmalling van het publieke discours, waarbij enkel de luidste en meest populaire meningen gehoord worden. Met andere woorden: mensen houden hun mond wanneer dat in sommige gevallen nu juist niet handig is. Dit ondermijnt de diversiteit van meningen en standpunten die essentieel zijn voor een gezonde, democratische samenleving. Het draagt bij aan een wereld waarin mensen zich niet veilig voelen om hun ware zelf te uiten en waar de rijkdom van menselijke ervaringen en meningen wordt gereduceerd tot geïsoleerde echo's die denken dat ze het enige geluid zijn. Dat is niet ok.

Controle

Waar Byung-Chul Han de disciplinaire samenleving zoals beschreven door Foucault laat opvolgen door de prestatiesamenleving, schreef Gilles Deleuze in 1992 dat we naar een controlesamenleving gaanGilles Deleuze — Postscript on the Societies of Control. Individuen worden volgens hem niet meer gecontroleerd door instellingen zoals scholen, gevangenissen en fabrieken, maar die controle is nu ingebed in alle interacties met technologie.

Alles wat we doen veroorzaakt (en is) een constante stroom van data en interacties. Van het openen van een bankrekening tot op een snelweg rijden, alles draagt bij aan een uitgebreid netwerk van controle. Digitale interacties veroorzaken veelal onbewust eeuwige vinger- en voetafdrukken, die worden verzameld, geanalyseerd, gebruikt en voor de zekerheid bewaard om nu en in de toekomst gedrag te meten en te sturen. Grenzen tussen privé en openbaar leven vervagen.

James Williams waarschuwt voor de verschillen tussen de doelen van onszelf en de technologieën die we gebruikenJames Williams — Stand out of our light. De paradox van onze tijd is dat, terwijl we meer verbonden denken te zijn dan ooit, onze autonomie erodeert onder het gewicht van constante afleiding en mogelijke manipulatie. Technologiebedrijven, gedijen op zowel onze productie als consumptie van informatie en meningen. Mooi bedrijfsmodel.

Deze constante stroom van digitale interacties creëert een illusie van autonomie en controle. Omdat we aan het roer denken te staan van wat we consumeren, produceren en zeggen, denken we dat we heer en meester zijn over de digitale omgeving. Het tegendeel zou wellicht waar kunnen zijn. Onze beperkte capaciteit voor concentratie en contemplatie zou wel eens dusdanig zijn aangetast dat we niet meer goed in staat kunnen zijn tot diepgaand denken en reflectieNicholas Carr, The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains.

Privacy wordt eveneens een precaire kwestie bij constante monitoring en analyse. Het gaat niet alleen om bepalen wat en wie we buitensluiten, maar misschien nog wel meer over het kiezen wie toegang heeft tot ons en onze dataIrwin Altman — The environment and social behavior. Het gaat erom dat we een ruimte kunnen behouden waarin we vrij zijn om onszelf te zijn, zonder de angst te hebben dat elk aspect van ons leven wordt vastgelegd en geanalyseerd (om ons vervolgens nieuwe aanbiedingen te doen of ons in de toekomst te wijzen op tekortkomingen).

Naast het recht op privacy hebben we volgens Alan Lightman ook de plicht om onszelf eraan te herinneren dat onze geest rust nodig heeft; periodes van kalmte en niet-verbondenheid zijn essentieel. Hij wijst ons erop dat we door technologische invloeden downtime zijn gaan ervaren en typeren als verloren tijd, waardoor we zijn vergeten dat juist ongestructureerde tijd, zonder een klok, creativiteit en zelfreflectie tot bloei laat komenAlan Lightman — In Praise of Wasting Time.

Alan Lightman herinnert ons eraan dat onze geest rust nodig heeft: periodes van kalmte en niet-verbondenheid zijn essentieel. In een samenleving die downtime ziet als verloren tijd, vergeten we de waarde van ongestructureerde, vrije tijd waarin creativiteit en zelfreflectie kunnen bloeienAlan Lightman — In Praise of Wasting Time, loc. 663.

Het is niet allemaal negativiteit. Technologie brengt ons individuen vrijheden als nooit tevoren. Maar we laten het aan marketeers om de positieve eigenschappen te verkopen. Het is aan onszelf om de balans te vinden tussen verbondenheid en autonomie. Als we in de controlesamenleving van Deleuze leven, dan is onze autonomie juist ingeperkt. Meer vrijheid, maar minder eigen keuzes. Het is dus van belang dat we ruimtes van niet-verbondenheid creëren en onze aandacht beschermen tegen constante afleidingen. Dat moeten we niet overlaten aan degenen die geld denken te verdienen met onze aandacht. Apps die je laten mediteren lijken me, net als een smartphone die je eraan herinnert hoeveel je het ding gebruikt, nogal paradoxaal. Vooral als je bedenkt dat meditatie niet eenvoudig is en verschillende meditatie-apps, onder andere op gebruiksgemak, met elkaar concurreren. De sleutel ligt in de overtuiging dat we niet alleen consumenten van technologie zijn maar ook bewuste en kritische individuen die het recht hebben om eigen paden te kiezen, zonder dat we daar bewust en onbewust verantwoording voor hoeven af te leggen.

Hoofdstuk 8

Ik

Ego

Eén van de meest recente populaire boeken over het ego is Ego is the enemy van Ryan HolidayRyan Holiday — Ego is the enemy. Daarin wordt de gangbare uitleg van het ego gebruikt—die is gerelateerd aan individualisme, zoals een spits die niet even het balletje opzij legt naar een medespeler die vrij in kan schieten. Het boek probeert uit te leggen dat deze vorm van ego verschillende fasen in het leven kan beïnvloeden. In de aspiratiefase bijvoorbeeld, kan het ego het zelfvertrouwen opblazen of onrealistische verwachtingen scheppen. Dit kan leiden tot overmoed en slechte besluitvorming. Bij het bereiken van succes, kan het ego ervoor zorgen dat we denken onfeilbaar te zijn. Dit kan zorgen voor het negeren van kritiek en het verliezen van realiteitszin. Tijdens perioden van falen kan het ego zorgen voor zelfmedelijden en het ontwijken van verantwoordelijkheid omdat er niet van fouten wordt geleerd.

Ik wil het niet hebben over deze gangbare vorm van ego, maar het ego van Freud en dat dan weer uitgelegd door Osho of Rajneesh, die werd geboren als Chandra Mohan Jain. In zijn boek Beyond the Frontier of the MindOsho — Beyond the Frontier of the Mind legt hij uit dat het ego een onjuist centrum ishttps://jacobsm.com/deoxy/deoxy.org/egofalse.htm. Misschien is bedrieglijk een betere beschrijving van dit centrum, omdat hij stelt dat het een construct is dat wordt gevormd door feedback van anderen.

Een kind wordt geboren zonder kennis—en ook zonder ego. Het wordt niet eerst bewust van zichzelf, maar van de ander, in de meeste gevallen als eerste en voornaamste van de moeder. Pas daarna wordt het kind zich bewust van zichzelf, maar altijd door (als door middel van én door-heen) anderen. Zo wordt zelfbewustzijn een gereflecteerd bewustzijn. Het kind is zich er niet van bewust wie hij is. Hij is zich gewoon bewust van de moeder en van wat zij over hem denktOsho — Beyond the Frontier of the Mind. Het kind voelt zich goed door waardering, liefde, zorg en probeert zo te begrijpen wat goed is en wat fout.

Osho zegt dat het ego op deze manier dus een bedrieglijk centrum is. Omdat het via buitenstaanders is gevormd, ligt het buiten de persoon zelf en kan daardoor conflicten opleveren met het innerlijke zelf. Conflicten tussen de twee centra zorgen voor lijden.

Dat idee van het ego komt van Freud (hoewel het weer een vertaling is van zijn Duitse das Ichhttps://en.wikipedia.org/wiki/Id,_ego_and_super-ego#Ego) en wordt door sommigen in enige vorm vergeleken met wat Plato drie verschillende lagen van menselijke motivatie noemde. Niet intrinsiek en extrinsiek, zoals Ryan en Deci, maar op basis van kenmerken die we tegenwoordig in de sphinx van Gizeh nog terugvinden: de mens, de leeuw en het monsterhttps://andrewpgsweeny.medium.com/the-man-the-lion-and-the-monster-a34c7d64ef6. Plato vond dat het menselijk bewustzijn in drie verschillende lichamelijke plekken ontstond: het hoofd, waarin de mens verantwoordelijk is voor de rede; de borst, waar de leeuw zich oriënteert op de maatschappij; en de ingewanden, die eetlust en driften bepaalt. Plato noemde de mens de representatie van het rationele aspect van de menselijke natuurlijk, die zich bezighoudt met de lange termijn, op een abstract niveau. De leeuw wordt geassocieerd met trots, moed en ambitie en maakt zich druk om de middellange termijn. Het monster drijft op plezier en pijn omdat het gerelateerd is aan fysieke verlangens en behoeften. Het wordt beschouwd als oppervlakkig en kortetermijndenken. Je zou het ook de onderbuik kunnen noemen en je tegelijk kunnen afvragen wat de waarde is van deze raadgever.

Een wat modernere denker, Paul Verheaghe, verdeelt de identiteit van mensen in zijn boek Identiteit tussen ons lichaam en de anderPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 267 omdat het lichaam prikkels produceert en onze omgeving ons heeft geleerd daar mee om te gaan. Zo vormt zich volgens hem een identiteit: door identificatie met en afstand nemen van de anderPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 310.

Verhaeghe spreekt in zijn boek ook over een egocratiePaul Verhaeghe — Identiteit (Dutch Edition), loc. 1016 waarin mensen volgens hem tussen twee stoelen vallenhttps://www.knack.be/magazine/geen-liefde-zonder-verlangen/ omdat ze loskomen uit sociale banden en geen sociale relaties als alternatief hebben. Hier lijkt Sven Brinkmann het mee eens te zijn door te stellen dat het zelf een artikel lijkt te zijn geworden dat via verschillende vormen van ontwikkeling moet worden geoptimaliseerd zodat het individu succesvol kan zijn in zijn werk en in de liefdeSvend Brinkmann — Standpunten. Dit sluit weer aan bij het dividu van Deleuze, dat deelbaar is in demografische gegevens, marketingsamples en statistieken en niet, zoals Yuval Noah Harari beschrijft een holistische entiteit in plaats van een samenstelling van afzonderlijke onderdelen isYuval Noah Harari, Homo Deus: A Brief History of Tomorrow, loc. 1967. Zo lijkt er een individualisme te ontstaan dat systeemdenken wordt. Ieder onderdeel kan los worden ontwikkeld, en ook gerepareerd. Nu komen we ook weer terug bij Ryan Holiday's definitie van het ego en egoïsme: als we denken dat we een project zijn dat bestaat uit allerlei subprojectjes, dan kunnen we onze realiteitszin verliezen.

Osho zegt dus dat ons ego wordt gecreëerd door te kijken naar wat onze buitenwereld ons teruggeeftOsho — Beyond the Frontier of the Mind, en Verhaeghe zegt dat er naast een eerste proces van identificatie of mirroring er ook altijd een tweede proces aan het werk (is): het streven naar autonomie, en dus de afscheiding van de ander, de separatiePaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 162. Hij noemt twee bijbehorende angsten: verlatingsangst en intrusie-angstPaul Verhaeghe — Identiteit (Dutch Edition), loc. 1303, die met elkaar in balans staan maar ook uit balans kunnen raken. Samen vormen deze angsten, en de manier waarop we ermee omgaan, ons ego. De verlatingsangst is volgens hem onze oudste angstPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 152, wellicht omdat we zonder onze groep niet kunnen overleven. Volgens Verhaeghe is het geen toeval dat identiteit en identificatie dezelfde woordstam hebben: het Latijnse idem, gelijkPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 166.

Hiertegenover staat dus wel de intrusie-angst, die optreedt wanneer de ander al te dicht op onze huid zit, ja, er zelfs onder kruipt en ons als het ware overneemtPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition).

Dat pingpongspel tussen twee angsten zorgt ervoor dat er een ego gevormd wordt. Vooral in de adolescentie, een periode die Jon Ronson typeert als de tijd waarin je je permanent drukmaakt over wat anderen van je denkenJon Ronson — So You've Been Publicly Shamed wordt er aan dit ego getornd. De ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson zegt dat adolescenten een psychosociaal moratoriumhttps://uptous.nl/boek/online-reis/artikelen/psychosociaal-moratorium-erik-erikson doorlopen: een periode waarin een persoon onderzoekt en experimenteert om een identiteit te ontwikkelen. Svend Brinkmann betoogt dat dit moratorium tegenwoordig bijna ons leven lang kan duren, omdat sommige psychologen ons aanmoedigen om in een nooit-eindigend identiteitslaboratorium te levenSvend Brinkmann — The Joy of Missing Out, loc. 1066.

Met Jean Baudrillard, die we nog kennen van z'n simulacra en simulaties, voegen we er nog even aan toe dat onze hele maatschappij gefragmenteerd is, waardoor we geobsedeerd zijn geraakt met massaconsumptie en visuele beeldenStephen West over Baudrillard ep. 124 - https://www.youtube.com/watch?v=RCgoKIT0Ufc.

Nu lijkt het ego dus het resultaat van wat we volgens anderen allemaal moeten doen en laten, maar Osho wijst ons erop dat de ontwikkeling van het ego een noodzakelijke fase is in menselijke groei. Daarna kunnen we het ego proberen te overstijgen om een dieper zelfbewustzijn te creëren en je werkelijke centrum kunt vinden.

En dat echte centrum is de ziel, het zelf, de god, de waarheid, of hoe je het ook wilt noemen.

OshoOsho — Beyond the Frontier of the Mind

Schaduw

Het concept van het ego en de schaduw is diep geworteld in de psychologische theorieën van de Zwitserse psychoanalist Carl Jung. Jung suggereerde dat, net zoals er gedragingen, gebruiken en meningen zijn die door de maatschappij worden geaccepteerd en ons vormen, er ook een tegenovergestelde zijde bestaat die hij schaduw noemde. Deze zijde bevat aspecten van onszelf die we afkeuren of verbergen omdat ze niet stroken met ons geïdealiseerde zelfbeeld, gevormd door anderen, of met maatschappelijke normen. Dit kan zowel negatieve elementen, zoals woede of jaloezie, als positieve eigenschappen omvatten die we onszelf niet toestaan te erkennen. Jung beweert dat veel mensen zichzelf alleen kennen via hun bewuste ego-persoonlijkheden en zo hun schaduwzijde negerenCarl Gustav Jung, "The Undiscovered Self (Routledge Great Minds)", pg. 3, loc. 232. Robert Bly en William Booth benadrukken dat Jung's schaduw bijzonder treffend is omdat het een visueel beeld schept van het donkere, onbelichte en verborgen gedeelte van het egocomplexRobert Bly and William Booth, "A Little Book on the Human Shadow", pg. 1, loc. 34. Robert A. Johnson voegt hieraan toe dat de schaduw het deel van ons is dat we niet zien of kennen, in tegenstelling tot het ego, waarvan we ons bewust zijn. Het ego vertegenwoordigt het grootste deel van het persona dat we naar buiten willen brengen en willen dat de wereld ziet. Johnson vergelijkt het ego met kleding, die een brug slaat tussen onszelf en de buitenwereldRobert A. Johnson, "Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche", pg. 3, loc. 41.

In zijn boek Owning your own shadow legt Johnson uit dat ook de vorming van de schaduw, net zoals Freud dat zei over het ego, een natuurlijk onderdeel is van het socialisatieproces. Immers: als we leren welk gedrag wordt goedgekeurd, dan leren we ook welk gedrag wordt afgekeurd. Dit doen we omdat we zo acceptatie en liefde van onze omgeving krijgen. De afgewezen delen worden in de schaduw geplaatst.

Het is volgens Johnson essentieel om je bewust te worden van die schaduw, wat begint met de simpele erkenning van het bestaan van een schaduwzijde, met daarin de gedachten, gevoelens en gedragingen die zijn afgewezen of genegeerd omdat ouders, gemeenschap of cultuur dat vereisten: die dumpplaats voor al die kenmerken van onze persoonlijkheid die we verloochenenRobert A. Johnson, Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche, loc. 33. Of, met de woorden van Bly en Booth: de grote zak die we achter onszelf aan slepenRobert Bly and William Booth, A Little Book on the Human Shadow, pg. 2, loc. 46.

Na de bewustwording is het zaak om deze schaduwzijde niet te blijven onderdrukken en te verwerpen. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben, waar we straks nog meer over gaan lezen, onder andere op het gebied van autonomie, authenticiteit en integriteit. Maar het betekent niet het goedkeuren van wat er in de schaduwzijde is, en ook niet het goedkeuren van negatief gedrag, maar wel de erkenning van de gevoelens en gedachten. Wanneer we dat niet doen en we geven de schaduw haar eigen autonomie, waarschuwt Johnson, dan wordt het een verschrikkelijk monster in ons psychische huisRobert A. Johnson, Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche, pg. 5, loc. 52.

Integratie van de schaduw en het ego is een essentiële stap, en volgens Bly en Booth begint dit proces rond de leeftijd van 20 jaar. Dit is de fase waarin we beginnen met het terughalen van elementen uit de zak die we met ons meedroegenRobert Bly and William Booth, "A Little Book on the Human Shadow", pg. 18, loc. 258. Echter, zoals eerder besproken, blijft de vorming van onze identiteiten een levenslang proces, waarbij ego's en schaduwen zich continu ontwikkelen. Men kan zich wenden tot grote religies voor begeleiding, maar het dilemma met dergelijke ideologieën is dat ze vaak hun eigen superioriteit claimenPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 380 en denken precies te weten wat tot het ego en wat tot de schaduw behoort. Sterker nog: je zou ook kunnen stellen dat dogma's zowel ego als schaduw hebben gecreëerd. Uniek is de benadering van onze vriend, en niet-God, de Boeddha, die stelt dat elk individu zijn eigen pad moet vinden zonder de noodzaak van een godheidMichael Foley — "Absurde Overvloed: Waarom Het Zo Moeilijk Is Om Gelukkig Te Worden". Robert A. Johnson is het waarschijnlijk met David Brooks en zijn boek De Tweede Berg eens omdat hij het leven ook opdeelt in twee periodes. Brooks heeft het over een eerste berg waarin het nastreven van succes centraal staat en een tweede, waarin meer evenwicht wordt gezocht, en die je kunt zien als integratieDavid Brooks — The Second Mountain. Johnson legt uit dat de eerste helft is gericht op het culturele proces, zoals het verwerven van vaardigheden en het grootbrengen van een gezin, terwijl de tweede helft draait om het herstellen van de heelheid van het levenRobert A. Johnson, "Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche", pg. 10, loc. 89. Beiden hebben het mijns inziens over integratie. Verder kunnen we nog wat met Jung's waardevolle perspectief dat het ego en de schaduw uit dezelfde bron komen en elkaar in evenwicht houden en daardoor even groot zijnRobert A. Johnson, "Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche", pg. 17, loc. 146.

Het gaat niet om jezelf liefhebben, maar om het accepteren van zowel ego als schaduw. Waarom dit zo belangrijk is, zijn we op kleine schaal bij het projecteren van onze eigen schaduw op anderen en op grotere schaal door, als groepen en culturen, vijanden te zoeken. Bij projectie herkennen en bekritiseren we eigenschappen in anderen, die we weigeren in onszelf te erkennen. Robert A. Johnson meent dat we onze schaduw altijd projecteren op anderen waarvoor we geen verantwoordelijkheid hoeven te nemen, tenzij we noodzakelijk schaduwwerk doenRobert A. Johnson, Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche, pg. 31, loc. 261. En dat is van cruciaal belang, want de schaduw van de ene cultuur is voor de andere een kruitvat van problemenRobert A. Johnson, Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche, pg. 7, loc. 71.

Zondebok

De lijn die goed en kwaad scheidt, loopt door het hart van ieder mens.

Aleksandr Solzjenitsyn

Hoe kun je tegen hen zeggen: 'Laat mij de splinter uit je oog verwijderen,' zolang je nog een balk in je eigen oog hebt?

Matteüs 7:4

Tenzij we er bewust aan werken, wordt de schaduw bijna altijd geprojecteerd; dat wil zeggen: het wordt netjes op iemand of iets anders gelegd, zodat wij er geen verantwoordelijkheid voor hoeven te nemen.

Robert A. JohnsonRobert A. Johnson, Owning Your Own Shadow: Understanding the Dark Side of the Psyche

We kunnen blind zijn voor het voor de hand liggende, en we zijn ook blind voor onze blindheid.

Daniel KahnemanDaniel Kahneman, Thinking, Fast and Slow, pg. 24, loc. 389)

Dat het ego en de schaduw door anderen worden bepaald, is niet zo vreemd. Dat vindt René Girard, die bekendstaat om zijn werk rondom mimetische begeerte. Hij stelde dat mensen niet alleen verlangen en nadoen, maar ook verlangen nadoen. Beiden zijn los niet zo erg. Je leert door nadoen en als je komt in actie bij verlangen. Maar de combinatie van beiden kan wél problematisch zijn. Op deze manier ontstaat er niet alleen schaarste, maar kunstmatige schaarste. Girard geeft aan dat er objectief niet zoiets kan zijn als schaarste, maar wel als we gaan verlangen wat onze omgeving verlangt. Dan is er dus nooit genoegGuido van Heeswijck in de Podcast Filosofie over René Girard - [https://podcastluisteren.nl/ep/Podcast-Filosofie-Rene-Girard.

Volgens René Girard leidt mimetisch verlangen, het nabootsen van de verlangens van anderen dus, tot rivaliteit en conflicten in samenlevingen. Als rivaliteit escaleert, zoeken gemeenschappen naar manieren om de ontstane spanningen te verlichten. Het zondebokmechanisme wordt dan vaak gebruikt als een uitlaatklep: een onschuldige persoon of groep krijgt de schuld van de problemen.

De zondebok kennen we uit Leviticus 16, waarbij een bok symbolisch werd beladen met de zonden van het volk en de woestijn in werd gestuurd. Volgens Girard bestaan er in premoderne en moderne samenlevingen zondebokken in allerlei vormen en maten. Een belangrijk detail in dit concept is dat de keuze voor een zondebok altijd latent is en er dus niet een groep besluit dat ze een zondebok nodig hebben om de schuld te geven. De groep die iemand of een andere groep ergens de schuld van geeft, is er namelijk altijd van overtuigd dat degene werkelijk de schuld heeftGuido van Heeswijck in de Podcast Filosofie over René Girard - https://podcastluisteren.nl/ep/Podcast-Filosofie-Rene-Girard. Een zondebok hebben betekent dat we niet weten dat we er één hebbenLuke Burgis — Wanting: The Power of Mimetic Desire in Everyday Life.

De zondebok krijgt de schuld en wordt verbannen, vermoord of tegenwoordig publiekelijk bespot of gecanceld. Jezus stierf blijkbaar voor onze zonden, heksen kregen de schuld van de pest en Bill Clinton was blijkbaar de enige die vreemdgingGuido van Heeswijck in de Podcast Filosofie over René Girard - https://podcastluisteren.nl/ep/Podcast-Filosofie-Rene-Girard. Het mooie van de zondebok is dat het orde schept in chaos, maar een beetje jammer dat er altijd geweld voor nodig isLuke Burgis — Wanting: The Power of Mimetic Desire in Everyday Life. En dat het probleem ook niet wordt opgelost. Enkel ontspanning, uitstel en afleiding.

Degenen die worden gekozen als zondebok zijn doorgaans mensen die opvallen en vaak niet normaal zijn. Dat wil zeggen: tot de uitersten in een normaalverdeling behoren. Minderheden dus. Maar dat kunnen ook extreem succesvolle mensen zijn, die we graag zien falen zodat we onze eigen tekortkomingen niet hoeven te bestuderen. Het gaat erom dat het een opmerkelijke groep of persoon isLuke Burgis — Wanting: The Power of Mimetic Desire in Everyday Life. Aan de andere kant is het vaak een leider die een zondebok creëert (en dus niet als zodanig erkent noch benoemt) maar vervolgens zelf ten onder gaat aan z'n eigen egoCarl Gustav Jung, The Undiscovered Self (Routledge Great Minds), pg. 9, loc. 312.

Girard bestudeerde in één van zijn eerste boeken vele mythen van over de hele wereld en zag als rode draad dat die mythes over zondebokken gingen. Er was echter wel een groot verschil tussen alle mythen en die van Jezus Christus. We lezen namelijk dat deze laatste figuur onschuldig is, terwijl alle andere zondebokken als schuldig werden ervaren. Oedipus heeft werkelijk zijn vader vermoord, hoewel dat natuurlijk de woorden zijn van degenen die zich niet bewust waren van het zondebokprincipe.

Bij minder hiërarchie is er meer mimetische begeerte. Logisch, want er is zo meer vrijheid en meer potentiële gelijken die we kunnen imiteren. Daardoor zijn zowel ego als schaduw door elkaar gaan lopen. Gelukkig zijn er dan uitlaatkleppen. Paul Verhaeghe noemt voetbal inderdaad oorlog, maar zet het samen met kunst (dat de zeden verzacht) en carnaval als toegelaten ontsporing neer als rituele zondebokken. Zonder deze sanitaire maatregelen is er onvermijdelijke agressiePaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 417.

Maar de uitlaatkleppen lijken niet genoeg. Het is nog steeds behoorlijk eenvoudig om een groepje anderen aan te wijzen voor je eigen problemen. Girard maakt ons ervan bewust dat het juist de mensen nabij zijn wiens succes we niet kunnen uitstaanGuido van Heeswijck in de Podcast Filosofie over René Girard - https://podcastluisteren.nl/ep/Podcast-Filosofie-Rene-Girard. Het is ook veel gemakkelijker en aangenamer om de fouten van anderen te vinden en te benoemen dan onze eigen, aldus Daniel KahnemanDaniel Kahneman, Thinking, Fast and Slow, pg. 3, loc. 80.

De oplossing voor dit, volgens Girard, fundamentele probleem is een goede Christen zijnhttps://www.youtube.com/watch?app=desktop&v=BNkSBy5wWDk, maar we zouden ook simpel kunnen stellen dat minder begeren een aardige optie is. De oplossing voor mimesis is non-mimesis. Niet het tegenovergestelde begeren (om Rick Roderick te parafraseren die Sartre parafraseerthttp://rickroderick.org/303-sartre-and-the-roads-to-freedom-1993: bij genoeg nonconformisten is er weer een nieuwe groep om troep aan te verkopen) maar niets begeren. Dit sluit ook aan bij hoe Taleb beschrijft dat er twee manieren zijn waarop een boek veel aandacht krijgt: wanneer het goed is en wanneer het verbannen wordtNassim Taleb — Antifragile: Things that Gain from Disorder. Een soort Streisandeffecthttps://nl.wikipedia.org/wiki/Streisandeffect. Geen aandacht lost het probleem dus het beste op.

Volgens Girard is het Christendom dus een manier om in te zien dat er zondebokken zijn en dat ze ook onschuldig kunnen zijn. Persoonlijk denk ik dat comedy óók een aardige spiegel kan zijn. Het is volgens Girard in ieder geval géén autonomie, want we blijven verlangen wat anderen verlangen.

Persoonlijkheid

Als ik had geweten wie ik was, was ik waarschijnlijk niet komen opdagen.

Rick Roderickhttp://rickroderick.org/304-marcuse-and-one-dimensional-man-1993

Als je kunt concluderen dat zowel ego als schaduw worden beïnvloed of zelfs gevormd door anderen en dat het creëren van een zondebok het uitstellen van zelfreflectie is, dan is jezelf zijn misschien een nodig advies. Maar wat is jezelf zijn? Hoe kun je iets zijn als je niet weet wat dat is? Is dat niet precies het probleem waar velen van ons mee worstelen?

Over worstelen gesproken, onze grote vriend Mark Manson zegt dat je jezelf definieert door hetgeen waar je graag mee worstel: dus het werkwoord doen zodat je het zelfstandig naamwoord kan zijn. Is dit misschien het verenigen van de being en de having mode van Fromm? Manson zegt dat degenen die van het zwoegen in de gym kunnen genieten, degenen zijn die een klein huis kunnen bankdrukken en degenen die kunnen genieten van de worsteling van de artiest degenen zijn die succesvol zijnMark Manson, The Subtle Art of Not Giving a F*ck: A Counterintuitive Approach to Living a Good Life (Mark Manson Collection Book 1), loc. 686. Maar wat is dan het advies om jezelf te zijn? Je bent toch al jezelf? Dat maakt het advies eigenlijk altijd paradoxaal: wees gewoon jezelf is juist vaak een advies om je huidige staat te veranderenhttps://www.youtube.com/watch?v=FpfO0GuflgY.

Dan P. McAdams heeft wat meer moeite gestoken in onderzoek naar persoonlijkheid, waar we hier weer mooi gebruik van kunnen maken. Hij vindt namelijk dat de complexiteit van het begrijpen van iemands persoonlijkheid op drie verschillende niveaus beschreven kan worden, in toenemende mate van concreetheidDan P. McAdams — What Do We Now When We Know A Person?. Het eerste niveau richt zich op eigenschappen die los van de context kunnen worden gezien, die we karaktertrekken noemen. De bekendste zijn de Big Fivehttps://nl.wikipedia.org/wiki/Big_five_(persoonlijkheidstrekken): neuroticisme versus stabiliteit; extraversie versus introversie; openheid versus geslotenheid; zorgvuldigheid versus laksheid en vriendelijkheid versus antagonisme. Het tweede niveau betreft toepassingen van dit karakter waardoor behoeften, overtuigingen, zorgen en overlevingsmechanismen ontstaan. Je zou dit ook weer kunnen relateren aan motivaties, die intrinsiek en extrinsiek kunnen zijn. Het derde niveau is te omschrijven als een levensverhaal dat het verleden, heden en toekomst met elkaar verbindt en wat het leven een gevoel van eenheid, betekenis en een hoger doel geeft. Volgens McAdams moeten we alle drie de niveaus in overweging nemen om de persoonlijkheid van een individu te snappen. Veelal zullen mensen zichzelf beschrijven in een verhaal, toegepast op de arena waarin ze zich bevinden, en vaker niet dan wel de uitslag van een Big Five karaktertrekkentest aan je voorleggen zonder toelichting.

Een persoonlijkheid is dus op het eerste niveau relatief stabiel, en te meten met karaktertrekken. Je zou die stabiliteit ook weer kunnen uitleggen op drie niveaus: subsistent: werkelijk bestaand; consistent: voortdurend (constant) en persistent: volhardend (of doorstaan). Met andere woorden: je hebt een persoonlijkheid die je in elke situatie toepast en er op ieder moment een verhaal van maakt waarmee je jezelf een identiteit toedicht, die je ook aan andere kunt communiceren. Karaktertrekken zijn gerelateerd aan waarden, die we eerder hebben besproken, omdat ze de persoonlijke manifestatie zijn van zaken die je waar vindt.

Integriteit

Als er al een zonde tegen het leven bestaat, bestaat die misschien niet zozeer uit het wanhopen aan het leven, maar uit het hopen op een ander leven en het ontwijken van de onverbiddelijke grootsheid van dit leven.

Albert CamusAlbert Camus — Summer in Algiers

Verzet tegen de georganiseerde massa kan alleen worden bewerkstelligd door de mens die in zijn individualiteit net zo goed georganiseerd is als de massa zelf.

Carl JungCarl Jung — The Undiscovered Self

Hoewel persoonlijkheden relatief stabiel zijn, zijn ze nooit één-dimensionaal, hoewel je dat op basis van sommige sociale media en boekenHerbert Marcuse — One-Dimensional Man toch soms kunt aannemen. Nee, iedere persoon heeft een persoonlijkheid in een bepaalde mate van een complexiteit en integriteit, of integratie. Maar ik vind dat die laatste twee op hetzelfde neerkomen.

Het Youtubekanaal Sisyphus55https://www.youtube.com/@Sisyphus55 legt uit dat een complexere persoonlijkheid geen hogere mate van welzijn voorspelt, maar dat minder complexe mensen wel gevoeliger zijn voor stemmingswisselingen en een instabiele zelfverzekerdheid, omdat ze minder eigenschappen hebben om op terug te vallen in tijden van criseshttps://www.youtube.com/watch?v=FpfO0GuflgY.

Integratie is een combinatie van coherentie en eenheid. Dit heeft volgens @Sisyphus55 niets te maken met complexiteit omdat mensen met diverse interesses en gedragingen nog steeds een betekenisvol verhaal uit hun leven kunnen halen. Coherentie en eenheid gaan juist om de mate waarin we weten wie we zijn: dat het zelf consistent en subsistent is. Degenen die dit goed kunnen of, met andere woorden, een hoog zelfconcept hebben, zijn over het algemeen gelukkiger, minder eenzaam en beschouwen hun leven als zinvoller. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat ze op de eerste plaats weten wie zijn en daarna ook zichzelf kunnen zijn. Zo lijkt wees jezelf pas te kunnen werken als er eerst een bijsluiter van jezelf beschikbaar is.

De uitleg over hoe dit gebeurt is interessant: degenen met een hoge zogenaamde zelfconcepthelderheid hebben een hogere persoonlijkheidsintegratie: hoe beter je weet wie je bent, hoe beter je jezelf kunt zien. Integriteit is wat mij betreft aan leken het gemakkelijkst uit te leggen als doen wat je zegt en zeggen wat je doet, maar in dit geval wordt het uitgelegd als het gevoel hebben dat wat ze dagelijks doen, aansluit bij waarden, interesses en keuzeshttps://www.youtube.com/watch?v=FpfO0GuflgY. Je zou hier ook voorzichtig weer kunnen concluderen dat autonomie een belangrijke factor is voor die integratie.

We gaan verder met de uitleg van @Sisyphus55, die Ken SheldonSheldon KM, Kasser T. Coherence and congruence: two aspects of personality integration. Journal of Personality and Social Psychology. 1995 Mar;68(3):531-543. DOI: 10.1037//0022-3514.68.3.531. PMID: 7714728 aanhaalt omdat hij deze hiërarchie heeft gemeten in verticale en horizontale coherentie en congruentie. Verticale coherentie is de mate waarin doelen zich op verschillende niveaus met elkaar verhouden. Als je abstracte grote doel is dat je een goede ouder wil zijn, maar je dagelijkse bezigheden daar niet op aan sluiten, dan is er een lage verticale coherentie. Horizontale coherentie meet de samenhang tussen verschillende doelen op hetzelfde niveau. Als je een goede ouder wil zijn én een goede leraar én een goede partner én een goede buurman, dan houden ze elkaar in verband met een hoger doel van het nastreven van betekenisvolle relaties. Als je doelen hebt die ver van elkaar af liggen, is de horizontale coherentie vanzelfsprekend lager. @Sisyphus55 zegt dat Sheldon zegt dat de verticale coherentie belangrijker is dan de horizontale coherentie (de coherentie tussen abstractieniveaus van doelen is belangrijker dan hoe hogere doelen met elkaar in verband staan), maar dat het valt of staat met autonomie. Dat wil zeggen: als de doelen intrinsiek, en niet extrinsiek, worden nagestreefd, dan bevat het een motiverend element. Dit noemt hij organismische congruentie, een term die volgens het woordenboek niet eens bestaat. Het is door een holistische drang om hun eigen waarden te volgen zonder te bezwijken voor druk van buitenafhttps://www.youtube.com/watch?v=FpfO0GuflgY. Autonomie dus.

Je kunt integriteit trouwens ook nog negatief beredeneren, wat in veel gevallen gemakkelijker is. Zo probeer ik ook het hele concept van autonomie door dit hele boek te beschrijven. Noam Chomsky beschrijft in zijn boek On Anarchy bijvoorbeeld hoe Amerikaanse kranten halverwege de negentiende eeuw, zonder dat ze enige weet van de ideeën van Karl Marx hadden, loonarbeid vernederend vonden: een aanval op persoonlijke identiteitNoam Chomsky— On Anarchism (p. 108). Op een vreemde manier is deze beschouwing van (het inleveren van) integriteit dan ook weer integer omdat het blijkbaar vanuit die mensen zelf kwam. Met de uitleg van Ken Sheldon klinkt het nog best plausibel ook.

Svend Brinkmann vertelt in zijn boek Standvastig dat integriteit inhoudt dat je probeert een samenhangende identiteit tot stand te brengen, ongeacht tijd en contexten — en daarbij stilstaatSvend Brinkmann, Standvastig (Dutch Edition), loc. 663. Het tegenovergestelde ervan noemt hij mensen die de ja-hoed ophebben en er nooit aan twijfelen of het goed is om iets nieuws te proberen. Hij noemt dit soort mensen een windhaanSvend Brinkmann, Standvastig (Dutch Edition), loc. 665 en Standvastig, de titel van zijn boek is ook uitstekend gekozen als je leest wat zijn betoog is.

In de bovenstaande gevallen lopen het zelf, identiteit en persoonlijkheid nogal in elkaar over en dat is volgens mij niet zo erg. Het gaat erom dat integriteit de integratie is tussen jezelf weten en jezelf zijn.

Authenticiteit

In een poging om de verschillen tussen authenticiteit en integriteit te onderzoeken, kwam ik steeds tot de conclusie dat beiden best veel met elkaar te maken hebben, maar dat integriteit meer met morele en ethische consistentie te maken heeft. En hoewel ik deze praktische wijsbegeerte, die handelt over wat goed en kwaad is, graag voor even links wil laten liggen, wil ik het nog wel even met Svend Brinkmann eens zijn dat het op zichzelf niet waardevol is om authentiek te zijn. Om met zijn woorden te spreken: het is ongetwijfeld beter om een niet-authentieke Moeder Theresa te zijn dan een authentieke Anders BreivikSvend Brinkmann, Standvastig (Dutch Edition), loc. 394. Met andere woorden: als je jezelf bent, kun je nog steeds een lul zijn.

Je acties laten aansluiten met je overtuigingen is dan weliswaar coherent en authentiek, maar blijkbaar niet integer. Dit is ook waarom Aristoteles die deugdenchecklist maakte waarin de menselijke rede werd verenigd met natuurlijke verlangens. Voor integriteit is dan blijkbaar nog iets van rationaliteit nodig, maar daar is na de Verlichting toch vooral wat kritiek op gekomen. Carl Jung waarschuwt dat in wetenschappelijk onderwijs het individu als marginaal fenomeen neerzet omdat het een irrationele datum (als in: enkelvoud van data) is. Maar dat is volgens hem verkeerd om het individu de werkelijke en authentieke drager van de realiteit is, ten opzichte van de onechte ideale mens over wie wetenschappelijke beweringen gaanCarl Gustav Jung, The Undiscovered Self (Routledge Great Minds), pg. 7, loc. 285. Brinkmann noemt kennis door en door dogmatisch omdat twijfel kan leiden tot openheid tegenover andere handelswijzen en begrip voor de wereld. Als je twijfelt, hebben de perspectieven van anderen betekenisSvend Brinkmann, Standvastig (Dutch Edition), loc. 760. Rationaliteit zorgt dus voor een wereld die zou moeten zijn die weinig lijkt op de werkelijke ervaringen van individuen.

David Foster Wallace denkt dat het mantra leren hoe te denken werkelijk zou moeten betekenen om iets minder arrogant te zijn met wat kritisch bewustzijn over jezelf en je onzekerhedenDavid Foster Wallace, This Is Water: Some Thoughts, Delivered on a Significant Occasion, About Living a Compassionate Life, pg. 33, loc. 102. Dit is ook precies hoe je leert: als je zélf kiest en zélf op je bek gaat, dan weet je ook wat je de volgende keer zélf anders moet doen. Of, met de woorden van Svend Brinkmann: We zijn mensen en geen goden, en als mensen moeten we ons aan de buitenwereld aanpassenSvend Brinkman — Standvastig.

Misschien is authenticiteit plus bescheidenheid dan wel integriteit. Heus wel jezelf proberen te zijn, maar wellicht een iets aan jezelf veranderen als je niet past in de wereld waar je mee te maken hebt. We kunnen het ook, met Nietzsche, uitleggen dat we God zijn gaan vervangen door ons ego en op deze manier in een wereld van entitlement zijn gestapt, maar voor nu zouden we onszelf ook kunnen zien als een tijdelijke rustplaats voor tijdloze waardenVolgens mij is dit John Locke maar ik kan dit niet terugvinden.

Moraliteit

Kennisinstituut Chivo is één van de weinigen die het belang van autonomie goed uit kunnen leggen. Ze plaatsen het, natuurlijk net als Ryan & Deci, onder de psychologische basisbehoeften, maar plaatsen die ook weer in een bredere context, zodat de plek van autonomie in ieders leven beter wordt begrepen. Naast de psychologische basisbehoeften zijn er namelijk ook biologische basisbehoeften, die voor veel mensen veel bekender en ook veel belangrijk zijn. Dat is deels problematisch. Als voorbeeld wordt gegeven dat een uitkering om noodzakelijke aankopen te kunnen doen, voor veel mensen als schappelijk of noodzakelijk wordt gezien, maar een basisinkomen zodat mensen het vermogen krijgen om te experimenteren op basis van zelfbeschikking (wat als synoniem wordt gekozen voor autonomie) dan weer niet. En dat terwijl zowel in eten en onderdak kunnen voorzien als autonomie basisbehoeften zijn, maar eten en onderdak dus blijkbaar belangrijker worden gevonden. Het Kennisinstituut stelt in het whitepaper Homo collaboratusKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit https://chivo.nl/vitaliteit dat zo (dus) biologische behoeften bevooroordeeld worden. Dat geldt volgens hen ook op het gebied van werk: een baan kiezen die de psychologische basisbehoeften frustreert wordt consistent gecorreleerd met verhoogd risico op burn-outachtige klachten. Het devalueren van psychologische basisbehoeften is dus in strijd met het recht op zelfontwikkelingKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit https://chivo.nl/vitaliteit. Met andere woorden: je kunt niet zomaar in biologische basisbehoeften voorzien als niet óók in psychologische basisbehoeften (zoals autonomie) wordt voorzien.

In hetzelfde whitepaper wordt deze stelling versterkt door het voorbeeld van mensen die jarenlang slaaptekort op de koop toe nemen, zodat ze die tijd kunnen ebsteden aan iets wat ze heel leuk vinden. Autonomie is hierin klaarblijkelijk belangrijkerKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit [https://chivo.nl/vitaliteit/]. Blijkbaar zijn psychologische basisbehoeften (bijvoorbeeld autonomie) dan sterker dan biologische (bijvoorbeeld slaap).

Maar die basisbehoeften zijn samen nog niet onderdeel van de gehele som. Als we alleen kijken naar Chivo, dan menen zij dat de basisbehoeften samen met moraliteit zorgen voor een waardig leven. Dat waardige leven kan vervolgens weer de basis zijn voor een goed leven.

Moraliteit is volgens Chivo een set aan regels die de samenwerking bevordertKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit https://chivo.nl/vitaliteit. en dat komt mij heel goed uit, want ik heb jarenlang rondgelopen met de in de derde klas van de middelbare school geleerde definitie van ethiek die ik hiervoor al even heb laten vallen en die ongeveer hetzelfde stelt: de praktische wijsbegeerte die handelt over wat goed en kwaad is. Misschien klopt dit ook wel nog steeds, maar moraliteit is meer subjectief en situatiegebonden dan ethiek, wat meer systematischer is.

Moraliteit is de manier waarop je in de groep kunt samenleven, en dat is belangrijk om te benoemen omdat er misschien nog steeds mensen denken dat autonomie hetzelfde is als individualisme. Dat is niet waar. Als we alleen een waardig leven kunnen leiden door moraliteit, en dat cruciaal verbonden is met samenwerking, dan is dat het tegenovergestelde van individualisme. Zelfbeschikking is wat anders als zelfredzaamheidKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit [https://chivo.nl/vitaliteit/]. We hebben dus andere mensen nodig in ons leven. Laat dat even duidelijk zijn. Ik hoef daar nu even geen quotes van filosofen en andere auteurs voor te gebruiken, maar er zijn er genoeg. Dus neem bijvoorbeeld Svend Brinkmann, die Barry Schwartz wel mooi in zijn boek Standpunten parafraseert, wanneer hij schrijft dat de hedendaagse nadruk op individualisme, controle en keuze ons berooft van het belangrijkste vaccin tegen depressie: ons gevoel van verbondenheid met en betrokkenheid bij groepen en contextenSvend Brinkmann, The Joy of Missing Out: The Art of Self-Restraint in an Age of Excess, loc. 1357. Individualisme beweegt exact de andere kant op en kan nooit voldoening geven omdat erkenning simpelweg een ander nodig heeft. Je kunt jezelf niet waarderenByung-Chul Han — The Burnout Society. Wat je wel kunt doen, is autonome keuzes maken die door anderen worden gewaardeerd.

Harmonie is niet altijd uniformiteit, conformisme en het nakomen van regels. De samenleving is niet een collectie van individuenJulian Baggini — How the world thinks p 210-211 die met elkaar in competitie zijn. Dit zorgt voor persoonlijke problemen zoals eetstoornissen, depressie en persoonlijkheidsstoornissen maar ook voor erosie van relaties. Zonder besef van moraliteit, of ten minste ethiek, maar juist wel een grenzeloos genieten ontstaat er eenzaamheid.

Dit geldt niet alleen voor romantische of vriendschappelijke relaties, maar ook gewoon wanneer je een callcenter belt en de verantwoordelijke niet meer bestaat. Dit bedoel ik niet als overdrijven maar als feitelijkheid. Die set aan regels die de samenwerking bevordert is nergens meer te vinden omdat hij is verdeeld over iedere telefonist en bovendien is geërodeerd. Het centrum van de macht is leeg. De stoel is verlatenPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 2815. Ook hier weer denk ik dat deze erosie van collectieve erkenning veel te maken heeft met het gebrek aan waardigheid.

Het probleem van deze afbraak van gemeenschap hebben we ook eerder gelezen: er zijn meer regels, contracten en bureaucratie (en cameracontrole). Het gevolg, schrijft Paul Verhaeghe, is dat iedereen iedereen wantrouwt, wat dan weer leidt tot nog meer controles en metingen, ondanks de vrije marktPaul Verhaeghe, Identiteit (Dutch Edition), loc. 2826.

Er volgt nu geen stappenplan om moraliteit terug te brengen in alle collectieven, maar we moeten wel onthouden dat individuën in geen enkel val op zichzelf alle basisbehoeften kunnen bevredigen, maar dat groepen wél in staat zijn om dat voor alle leden van de groep te doen. Maar het is belangrijk om de rol van autonomie hierin te zien. Door juist door méér autonomie kunnen méér intrinsieke doelen worden nagestreefd, waardoor méér prosocial gedrag wordt vertoond zoals het aangaan van zinvolle relaties en bijdragen aan de maatschappij. Autonomie, en de andere basisbehoeften, zorgen ervoor dat mensen eerder onbezoldigd zullen helpen én hulp zullen aanvaarden zonder daar iets terug voor te verwachtenKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit https://chivo.nl/vitaliteit/

Vrijheid blijheid

Het potentieel van de oneindige mogelijkheid wordt de perplexiteit van de oneindige keus.

Michael FoleyMichael Foley — Absurde overvloed: waarom het zo moeilijk is om gelukkig te worden

Vrij zijn om te proberen iets te bereiken, staat helemaal los van het noodzakelijkerwijs bereiken ervan.

Fernando SavaterFernando Savater — Het goede leven

Nu kunnen we eindelijk weer terug naar vrijheid. In het begin van dit boek probeerde ik de verschillen tussen autonomie en vrijheid te vergelijken met de manieren waarop je zelf uit opties kiest. Daar is niets aan veranderd, maar hopelijk zijn er wel genoeg redenen gegeven om dit ook op deze manier te beschouwen. Autonomie verschilt van vrijheid in die zin dat autonomie actief is en draait om zelfbepaling en het creëren van eigen regels, terwijl vrijheid vaak een meer passieve staat is, los van beperkingen. Vrijheid kan leiden tot een soort tirannie van opties, waarbij te veel keuzes juist verlammend kunnen werken. Het is gemakkelijk te begrijpen door te bedenken dat werkelijke tirannen niet volgens een set van regels werken, maar in staat zijn om werkelijk alles te bedenken om hun wil wet te makenCarl Jung — The Undiscovered Self, pg. 42, loc. 696. Zo zie ik iedere eindfase van de wedloop naar vrijheden ook: verlamming door opties, of ten minste verveling. Autonomie daarentegen is gericht op zinvolle actie en doelgerichtheid.

De vrijheden die we hebben gecreëerd vragen om autonomie om het te beteugelen, omdat we anders te maken krijgen met de regelneven en de moderne FarizeëersMichael Foley — Absurde overvloed: waarom het zo moeilijk is om gelukkig te worden. Om te begrijpen waarom vrijheid juist níet tot blijheid leidt, moeten we ons wenden tot Byung-Chul Han die met zijn boek The Burnout Society stelt dat er te veel positiviteit is, in de vorm van activiteit en prestatie, en te weinig negativiteit in de vorm van verveling en luiheidByung-Chul Han — The Burnout Society. Met andere woorden: dat er veel vrijheid is, lijkt voor velen van ons te betekenen dat we al die vrijheden ook moeten benutten. Dat geeft voornamelijk druk en geen ontspanning.

John Stuart Mill stelt dat de enige vrijheid die deze naam verdient is die van het nastreven van ons eigen goed, op onze eigen manier, zolang we niet proberen anderen de hunne te onthouden, of hun inspanningen om het te verkrijgen belemmeren. Hij spreekt dus over autonomie én moraliteit. Waarom nemen we dit niet ter harte?

Het is niet aan mij noch dit boek om een recept te zijn voor blijheid, geluk en een goed leven, maar we kunnen best aan de haal gaan met de definitie van vitaliteit, zoals die door Kennisinstituut Chivo wordt gebruikt, naar Ryan en Deci: Het levend en alert voelen, waarbij er energie is om eigen doelen na te strevenKennisinstituut Chivo — Homo Collaboratus: De essentie van duurzame vitaliteit https://chivo.nl/vitaliteit. De auteur van Out of Africa, Karen Blixen, zegt ongeveer hetzelfde met haar drie vormen van waar geluk: een overschot aan energie; de afwezigheid van pijn en de absolute zekerheid dat men doet wat God wil. Als ik dan zelf even mag: je levend voelen, een vuur voelen branden, en het idee hebben dat je het juiste doet. Het heeft niets te maken met gezondheid of individualisme. En ook niet met vrijheid.

Vanitas

En dan is er de dood, die iedereen verslaat.

Sam Harris

Stel orde op zaken, want ge zult sterven.

Johann Sebastian Bach

Hoewel er hele boeken kunnen worden geschreven over het belang van sterfelijkheid voor een goed leven, wil ik het toch het liefst kort nog even aanstippen.

Het vanitasthema (dat met die schedels en verwelkte bloemen) in de kunst benadrukt de ijdelheid, of leegte, zinloosheid en tijdelijkheid van het leven. Maar ik zou graag willen benadrukken dat we niet zo nihilistisch (en daardoor misschien individualistisch) hoeven te zijn. David Hume heeft gelijk dat het leven van een mens voor het universum geen groter belang heeft dan een oester, maar wat betekent dit?

Het besef van tijd is puur menselijk en dat maakt het besef van sterfelijkheid dat ook. Zonder de dood zijn er geen consequenties en geen waarden. Dát we sterven is een gegeven, hoeveel er genoeg individuen zijn die de dood enkel zien als een technisch probleem dat kan worden opgelostYuval Noah Harari, Homo Deus: A Brief History of Tomorrow, loc. 685. Hoewel ik neig naar de conclusie dat dit een vorm van individualisme is, wil ik hier niet op ingaan.

De vergankelijkheid van het leven was wat de Buddha zag toen hij buiten de paleismuren ging kijken: we worden ziek, we worden oud, we gaan uit onze muil stinken, we verliezen onze geliefden, familie, gebit en vrienden en we gaan dood. Zijn oplossing was toen niet yolo, maar een vorm van volledige acceptatie. In de moderne wereld zorgt deze doodsangst vaak voor een duw in een andere richting: we proberen onze verlangens achterna te lopen, die vaak kunnen worden bevredigd, maar niet voor langere tijdAntonia Macaro — More than happiness: Buddhist and stoic wisdom for a sceptical age. Het is ook niet makkelijk in een wereld van de eeuwige jeugdMichael Foley — Age of absurdity p. 209.

We proberen onszelf al lange tijd op te beuren door te herhalen wat mensen op hun sterfbed ons vertellen: ze hebben geen spijt van een gebrek aan geld, te weinig carrière of had ik maar meer spullen gekocht, maar van het feit dat ze geen tijd hebben besteed aan hun naasten, niet echt iets hebben bijgedragen en niet hun werkelijke leven hebben kunnen ontplooien. Ze hebben wie ze waren niet kunnen verenigen met wat ze deden. Gelukkig zijn al deze dingen zijn met elkaar te verenigen: je kunt doen wat je zelf graag wil doen én een betere wereld achterlaten.

Vinden mensen het werkelijk belangrijk dat hun naam na hun dood op een bankje in het park staat? Of wordt een bijdrage verward met een prestatie? Mark Manson noemt die namen op bankjes (en gebouwen) de constructie van een conceptueel zelf dat voor altijd voortleeft, maar we kunnen beter de vraag van John Vervaeke stellen: waarvan wil je dat het bestaat los van jouw eigen bestaan?

Misschien is wat je wil achterlaten geen persoonlijke prestatie maar een betere wereld. Ik denk dat autonomie daarbij kan helpen.

Hoofdstuk 9

Epiloog

FAFO

Er zijn veel dingen waarvan ik wil dat dit boek het niet is. Het behoort van mij niet in de categorie zelfhulp, omdat ik het ook allemaal niet weet en er bovendien geen instructies instaan van zaken die je moet veranderen in je leven om nu, eindelijk, gelukkig te zijn. Aan de andere kant zou ik het wel fantastisch vinden als dit boek je helpt jezelf te verbeteren.

Het hoeft ook geen filosofisch betoog te worden genoemd, maar dat komt vooral omdat mijn niveau slechts dat zou kunnen worden beschreven als een boerenkinkel.

Wat ik wel wil is dat dit boek niet precies in een tijdsvak geplaatst kan worden. Daarom heb ik maar weinig specifieke voorbeelden gebruikt die blijkbaar op het moment van schrijven belangrijk waren. Als ik eerst opschrijf dat mensen de tijdelijke rustplaats van tijdloze waarden zijn, dan kan ik niet de manifestatie van die waarden belangrijk maken. Maar ook hier ben ik me weer bewust van het feit dat dit boek waarschijnlijk alleen rondom de publicatie ervan enige aandacht krijgt.

Ook wil ik, hoewel ik Mark Mansons werk erg waardeer vanwege zijn toegankelijkheid van onderwerpen én manier om met tekst mensen te vermaken, het woord fuck vermijden.

Waarmee ik mezelf dan direct weer in de vinger snij is dat ik wil afsluiten met een meme, die gelukkig in de tijdloze rijtjes van vallen en opstaan, speel domme spelletjes, win stomme prijzen, een koekje van eigen deeg en misschien zelfs skin in the game staat en fuck around and find out heet. Hoewel de origine van de term onduidelijk is en al jaren wordt gebruikt in verschillende vormen (en politieke discussies)https://knowyourmeme.com/memes/fuck-around-and-find-out-fafo is deze populair gemaakt in het jaar 2022 door een figuur voor een schoolbord met een grafiek. De koddige en serieuze setting, maakte het een populaire video. Ik heb zojuist een meme uitgelegd.

Dus als er een clou in dit boek verscholen zit, dan is het deze. Misschien is het belang van autonomie al lang en breed onderstreept, maar weten we nog steeds niet hoe we erachter moeten komen wanneer iets autonoom is. Dat kan dus door simpelweg uit te proberen en te ervaren of het goed voelt en goed ís. Het tegenovergestelde is namelijk ook waar.

Don't fuck around and don't find out.

Voetnoten




Verder lezen?

Pre-order nu en:

Pre-order

Al gekocht? Log in om alles te lezen